Het besluit van de gemeenteraad van 14 december 2015 waarbij een aanvullende belasting van 8 % werd vastgesteld van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de Inkomstenbelasting 1992 berekende gedeelte van de personenbelasting die aan het Rijk verschuldigd is voor hetzelfde jaar.
Het college van burgemeester en schepenen heeft reeds in haar zitting van 12 november 2019 het voorstel gedaan om opnieuw voor een aanvullende belasting van 8 % te gaan.
De gemeente stelt haar percentage van de APB vast in een belastingreglement dat uiterlijk op 31 januari van het aanslagjaar in werking treedt.
Op de aanvullende belasting mogen geen bijkomende verminderingen, vrijstellingen of uitzonderingen worden toegepast, maar kunnen wel voor meerdere jaren worden vastgesteld.
Voor de aanslagjaren 2020 tot en met 2025 wordt een aanvullende belasting gevestigd ten laste van de rijksinwoners die belastbaar zijn in de gemeente op 1 januari van het aanslagjaar.
De belasting wordt vastgesteld op 8% van de overeenkomstig artikel 466 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 berekende grondslag voor hetzelfde aanslagjaar.
Deze belasting wordt gevestigd op basis van het inkomen dat de belastingplichtige heeft verworven in het aan het aanslagjaar voorafgaande jaar.
De vestiging en de inning van de gemeentelijke belasting zullen door het toedoen van het bestuur der directe belastingen geschieden, zoals bepaald in artikel 469 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.