STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar
De aanvraag betreft het slopen van een niet-vergunde carport en achterbouw, het uitbreiden van de woning met bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een bijgebouw.
De aanvraag werd op 6 mei 2019 ontvangen.
Op 23 mei 2019 werd aanvullende informatie opgevraagd.
Op 6 juni 2019 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.
Op 18 juni 2019 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.
De vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd.
Er werd geen openbaar onderzoek gehouden.
HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT
Stedenbouwkundig
Op 19 april 1960 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een woonhuis. (1960/00039)
Op 25 juli 1973 werd een weigering van de verkavelingsvergunning afgeleverd voor het verkavelen van de percelen tot 2 loten. (7204.V.371)
Op 16 november 1998 werd een vergunning afgeleverd voor het verbouwen van een woning. (1998/07961)
Op 22 september 2015 werd een vergunning afgeleverd voor het verbouwen van een eengezinswoning naar een eengezinswoning en praktijkruimte. (2015/00103)
De aanvraag werd in maart 2019 in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie. (VB_2019_066)
De aanvraag houdt geen rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg / advies.
Volgende werd meegedeeld op 25 maart 2019:
“Wij hebben uw vraag intern op de dienst besproken.
Ik kan u melden dat de dienst niet akkoord zal gaan met een bijkomende inrit rechts op het perceel.
De uitbreiding aan de praktijkruimte kan aanvaard worden, maar het parkeren, zowel voor de bewoners als voor de patiënten zal vooraan op het perceel moeten voorzien worden.
Zo wordt er geen bijkomende overdreven verharding voorzien op het perceel.”
Volgende werd meegedeeld op 2 april 2019:
“Het standpunt van onze dienst blijft hetzelfde.
Er is vooraan op het perceel voldoende ruimte aanwezig om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien van zowel de bewoners als voor de patiënten.”
Huidig ontwerp voorziet geen bijkomende inrit aan de rechterzijde van het perceel.
Het parkeren voor bewoners wordt echter wel nog in het bijgebouw (carport) achteraan op het perceel voorzien. Deze dubbele carport (met tuinberging) is bereikbaar via een aftakking van de bestaande inrit. De toegang wordt aangelegd als karrenspoor in een klinkerverharding in de rechter zijtuinstrook.
Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.
Uit het aanvraagdossier / de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag constructies en/ of handelingen werden opgericht/ verricht/ aanwezig zijn, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft een carport en een achterbouw.
Deze wederrechtelijk opgerichte constructies/ uitgevoerde handelingen werden opgenomen in de huidige aanvraag als te verwijderen.
Milieu
Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.
OPENBAAR ONDERZOEK
Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de vereenvoudigde procedure behandeld.
Er werd bijgevolg geen openbaar onderzoek gehouden.
ADVIEZEN
Inter (toegankelijkheidsbureau)
MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE
De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.
STEDENBOUWKUNDIG ADVIES
TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN
OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN
Gewestplan
De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in woongebied en deels in woonuitbreidingsgebied.
De voorgestelde werken bevinden zich volledig in het woongebied.
De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen en latere wijzigingen).
De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.
Stedenbouwkundige verordeningen
Hemelwater
De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De aanvraag omvat het uitbreiden van de woning en het oprichten van een bijgebouw.
Er dient conform de verordening enkel een infiltratievoorziening aangelegd te worden.
Uit de plannen en het ingediende hemelwaterformulier blijkt dat een infiltratieput wordt aangelegd met een inhoud van 5 000 liter en een oppervlakte van 7m².
De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.
De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.
Riolering
Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. Een individuele voorbehandelinginstallatie (septische put) moet niet aangelegd worden.
Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be).
De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen.
De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden.
Toegankelijkheid
De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid. Dit besluit trad in werking op 1 maart 2010.
Op 12 juli 2019 verleende Inter een gunstig advies, nl.:
“Advies Toegankelijkheid bij de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning / melding.
Gunstig advies.
Dit advies bekijkt de wettelijke voorschriften op basis van de op plan afleesbare elementen in de vergunningsfase. Dit advies doet dus geen uitspraak over de integrale toegankelijkheid van het gebouw na volledige afwerking. Niet-planafleesbare afwerkingselementen bepalen immers in grote mate mee de toegankelijkheid van het geheel.
U kan, tijdens het project, bij ons inlichtingen verkrijgen of een integraal begeleidingstraject volgen om de toegankelijkheid van uw project te garanderen.
1. Beschrijvende nota / checklist inzake toegankelijkheid
2. Verplichting advies
3. Toepassingsgebied
Dit advies is van toepassing op het (deel van het) gebouw dat gebouwd, herbouwd, verbouwd of uitgebreid wordt.
De aanvraag betreft:
Indien een aanvraag valt onder de toepassing van de Vlaamse stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid, dan dienen de normbepalingen van hoofdstuk III te worden nageleefd. De normen, principetekeningen en bijkomende info kan teruggevonden worden op www.toegankelijkgebouw.be.
Aanbevelingen voor het realiseren van een integraal toegankelijk gebouw:
Watertoets
Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.
Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.
Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.
De aanvraag doorstaat de watertoets.
Decretale beoordelingselementen
Artikel 4.3.7.
Toegang van gehandicapten tot gebouwen/publiek toegankelijk
De omgevingsvergunning voor de handelingen, vermeld in artikel 4.2.1, 1°, 6°, 7° en 8°, wordt niet verleend wanneer niet is voldaan aan de bij of krachtens de wet of het decreet gestelde regelen betreffende toegang van personen met een functiebeperking tot openbare wegen en tot voor het publiek toegankelijke onroerende goederen.
Op 12 juli 2019 verleende Inter een gunstig advies, zoals hoger aangehaald.
De aanvraag voldoet aan deze bepaling.
Archeologienota
Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag.
Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).
Overige regelgeving
Decreet rookmelders
Het decreet houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders van 1 juni 2012, in werking getreden op 1 januari 2013, bepaalt dat alle nieuw te bouwen woningen en alle woningen waaraan renovatiewerken worden uitgevoerd waarvoor een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vereist is en waarvoor de omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen wordt aangevraagd na de inwerkingtreding van dit decreet, moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders.
De voorliggende aanvraag voldoet hier niet aan. Er zal als voorwaarde worden opgenomen dat voldaan moet worden aan het decreet.
Energiedecreet
De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.
Slopen
De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand.
Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.
Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.
Grondverzet
Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.
De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving mits voldaan wordt aan het decreet houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders.
Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening
OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG
De aanvraag omvat het slopen van een niet-vergunde carport en achterbouw, het uitbreiden van de woning met bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een bijgebouw.
BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING
De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:
1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;
2° het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;
Omschrijving ligging en omgeving
Het perceel is gelegen langs de Delheidestraat, een gemeenteweg.
De omgeving wordt voornamelijk gekenmerkt door residentiële bebouwing in open en halfopen verband.
Omschrijving van de aanvraag
Het perceel is bebouwd met een eengezinswoning met praktijkruimtes.
De woning werd aan de achterzijde uitgebreid (62,83m²) zonder vergunning.
Tevens werd in de voortuin een carport (31,88m²)opgericht zonder vergunning.
De huidige aanvraag omvat het slopen van een niet-vergunde carport en achterbouw, het uitbreiden van de woning met bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een carport met tuinberging.
Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving
De functie als eengezinswoning met praktijkruimtes blijft behouden.
De praktijkruimtes zijn ondergeschikt aan de woonfunctie.
De hoofdbestemming alsook de nevenfunctie “praktijkruimte” zijn niet storend in de omgeving mits het parkeren op eigen terrein wordt opgevangen en de last van het autobezit niet wordt afgeschoven op het openbaar domein.
Mobiliteitsimpact
De huidige aanvraag omvat onder meer het uitbreiden van de eengezinswoning met een bijkomende praktijkruimte. Na uitbreiding zal de praktijk bestaan uit 3 praktijkruimtes, een wachtzone en een toilet. De vloeroppervlakte van de praktijk (na uitbreiding) bedraagt ca.80m².
Het stallen van voertuigen dient op eigen terrein georganiseerd te worden zodat de last van het autobezit niet wordt afgeschoven op het openbaar domein.
Om eenvormigheid na te streven wordt door de gemeente volgende algemene parkeernorm gehanteerd.
Het aantal standplaatsen dient overeen te stemmen met 1 parkeerplaats per 20m² praktijkruimte, vermeerderd met 1,5 parkeerplaats per woongelegenheid.
Voor huidige aanvraag dienen dan ook 4 parkeerplaatsen voorzien te worden in functie van de praktijkruimte en 2 voor de woning. In totaal dienen op eigen terrein 6 parkeerplaatsen voorzien te worden volgens de algemeen gehanteerde parkeernorm.
De huidige aanvraag omvat onder meer het oprichten van een carport met tuinberging.
Dit bijgebouw, met een totale oppervlakte van 53,68m² (9,85m x 5,45m), wordt voorzien in de achtertuin. Meer bepaald op 10m achter de achtergevel van de woning (na afbraak van de niet-vergunde achterbouw) en op 6m van de rechter perceelgrens.
De toegang tot de carport is voorzien via een aftakking van de bestaande inrit, evenwijdig met de rooilijn / voorste perceelgrens en in de rechter zijtuinstrook. De toegang tot deze carport in de rechter zijtuinstrook is voorzien via een karrenspoor, uitgevoerd in klinkerverharding.
De praktische bruikbaarheid en toegankelijkheid van het karrenspoor en dus ook van de carport wordt echter in vraag gesteld.
Tevens werd reeds in het verleden (25/03/2019 en 02/04/2019), naar aanleiding van voorontwerpen, meegedeeld dat er aan de voorzijde van de woning voldoende ruimte aanwezig is om het parkeergebeuren van zowel de bewoners, bezoekers alsook cliënteel/patiënten te voorzien.
De huidige inritverharding aan de voorzijde van de woning heeft reeds een oppervlakte van ± 145m². De inritverharding vangt aan op ± 16m van de linker perceelgrens.
Door een beperkte bijkomende verharding aan de linkerzijde van de bestaande inritverharding te voorzien, kan het gehele parkeergebeuren opgevangen worden aan de voorzijde van het perceel.
Huidig ontwerp houdt dan ook geen rekening met de reeds eerder geformuleerde opmerkingen omtrent het parkeergebeuren.
De schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, de visueel-vormelijke elementen van de voorgenomen werken
Zoals eerder aangehaald werd de woning aan de achterzijde uitgebreid en werd in de voortuin een carport opgericht, beide zonder vergunning.
Uit de aanvraag blijkt dat beiden constructies gesloopt zullen worden.
Voor het slopen van niet-vergunde constructies is in principe geen vergunning vereist aangezien het slopen van niet-vergunde constructies niet vergunningsplichtig is.
De aanvraag omvat het uitbreiden van de woning met bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een bijgebouw.
De woning wordt aan de rechter voorzijde uitgebreid met een bijkomende praktijkruimte. Door deze uitbreiding zal de woning worden ingeplant op minimum 6m achter de rooilijn / voorste perceelgrens en op minimum 3,12m van de rechter perceelgrens.
Na uitbreiding zal de maximale bouwdiepte op het gelijkvloers 23,54m bedragen.
De totale bouwbreedte van de woning wordt gebracht op 14,02m.
De uitbreiding wordt uitgevoerd met een plat dak. De dakrandhoogte is gelegen op 3,25m ten opzichte van het maaiveld.
Net zoals het hoofdvolume van de woning wordt de uitbreiding opgericht in wit geschilderde gevelsteen.
Het op te richten bijgebouw voorziet een dubbele carport (5,85m x 5,45m), een tuinberging (3,40m x 5,45m) en een houtopslag (0,60m x 5,45m).
Het bijgebouw, met een oppervlakte van 53,68m² (9,85m x 4m), wordt ingeplant op 10m achter de achtergevel van de woning (na afbraak van de niet-vergunde achterbouw) en op 6m van de rechter perceelgrens.
Het bijgebouw wordt uitgevoerd met een plat dak. De dakrandhoogte is gelegen op 3m ten opzichte van het maaiveld.
Uit de ingediende plannen blijkt dat de gevelafwerking voorzien is in hout.
Op de ingediende gevelaanzichten werden voor de deklat en de paalconstructie van de carport een materiaalkeuze weergegeven o.b.v. een nummering (nl. 9 en 10) conform de legende. De specificatie van de te gebruiken materialen ontbreekt echter op de legend.
Zoals hoger aangehaald biedt het perceel aan de voorzijde van de woning voldoende ruimte om het parkeergebeuren voor zowel de bewoners, bezoekers alsook cliënteel/patiënten te voorzien, is de praktische bruikbaarheid en de toegankelijkheid van het karrenspoor en dus ook van de carport in vraag te stellen.
Aangezien het huidige ontwerp geen rekening houdt met de reeds eerder geformuleerde opmerkingen omtrent het parkeergebeuren, blijkt er nu onvoldoende parkeergelegenheid in de voortuin aanwezig te zijn voor bewoners, bezoekers én cliënteel/patiënten. Hiermee rekening houdend kan niet akkoord worden gegaan met de oprichting van het bijgebouw en het uitbreiden van de woning met een bijkomende praktijkruimte.
Bodemreliëf
Uit de ingediende stukken blijkt dat het bestaande terreinniveau behouden blijft.
De aanvraag voldoet niet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.
BESPREKING ADVIEZEN
Op 12 juli 2019 verleende Inter een gunstig advies, zoals hoger aangehaald.
De gemeentelijk omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de voorgenomen werken zich onvoldoende ruimtelijk inpassen in de omgeving. De aanvraag is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening zoals hoger gemotiveerd.
MILIEUTECHNISCH ADVIES
Niet van toepassing.
GECOÖRDINEERD EINDADVIES
Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving.
De aanvraag is niet vatbaar voor een omgevingsvergunning voor:
- het uitbreiden van de woning met een bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een bijgebouw.
- het slopen van een niet-vergunde carport en een niet-vergunde achterbouw gezien het slopen van niet-vergunde constructies niet vergunningsplichtig is.
Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier ongunstig voor het uitbreiden van de woning met een bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een bijgebouw zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden.
Het college van burgemeester en schepenen volgt het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar tot het integraal weigeren van de omgevingsvergunning niet. Het college is van oordeel dat het bewonersparkeren achteraan de woning de voorkeur geniet, en vergunt het bijgebouw (dubbele carport (= 2 parkeerplaatsen) met tuinberging) achteraan het perceel. Het college is ook akkoord om dit bijgebouw toegankelijk te stellen via een aftakking van de bestaande inrit én om de toegang aan te leggen als karrenspoor in een klinkerverharding in de rechter zijtuinstrook.
Het bezoekersparkeren (= 4 parkeerplaatsen) dient voorzien te worden in functie van de praktijkruimte vooraan het perceel.
Het college van burgemeester en schepenen beslist aldus tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden voor het uitbreiden van de woning met een bijkomende praktijkruimte en het bouwen van een bijgebouw, zoals weergegeven op de ingediende plannen.
De aanvraag is niet vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een niet-vergunde carport en een niet-vergunde achterbouw, gezien het slopen van niet-vergunde constructies niet vergunningsplichtig is.
Het college van burgemeester en schepenen beslist om de omgevingsvergunning af te leveren onder volgende voorwaarden:
1) De aanvrager dient binnen 3 maanden volgende op deze omgevingsvergunning de niet-vergunde carport en achterbouw te slopen. Bewijs van deze sloop dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen.
Riolering:
2) Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be);
3) De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
4) De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
5) Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
6) Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid. Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke;
7) Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
Terrein en gelijkgrondse berm:
8) Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
9) Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
10) Uitgezonderd de inrit met een breedte van 4 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
11) De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
12) Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
13) Indien haagbeplanting aangebracht wordt op minder dan 0,50 meter van de perceelgrenzen moet alvorens de aanplanting uitgevoerd wordt, de aangrenzende(n) hun schriftelijk akkoord geven voor deze aanplanting;
Andere voorwaarden:
14) Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
15) Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
16) In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
17) Indien het aantal parkeerplaatsen ontoereikend is voor de bewoners/ klanten, moet op eigen perceel bijkomende parkeergelegenheid voorzien worden;
18) De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
19) Er dient voldaan te worden aan het besluit van 5 juni 2009 van de Vlaamse Regering en latere wijzigingen, tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid, van toepassing op het bouwen, herbouwen, verbouwen of uitbreiden van constructies of delen ervan, die publiek toegankelijk zijn.
20) De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
21) Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
22) De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.