STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH ADVIES – verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar
De aanvraag betreft het slopen van een woning, het rooien van een boom en het bouwen van een eengezinswoning en een garage.
De aanvraag werd op 15 mei 2020 ontvangen en op 8 juni 2020 ontvankelijk en volledig verklaard.
De vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd.
Er werd geen openbaar onderzoek gehouden.
Overeenkomstig artikel 83 van het Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het omgevingsvergunningsdecreet, werden de betrokken aanpalende eigenaars aangeschreven per beveiligde zending met het verzoek hun standpunt kenbaar te maken binnen de 30 dagen.
Het aanvraagdossier bevat een schriftelijk akkoord van de eigenaars van het aanpalende perceel voor de aangevraagde werken.
Er werden geen bezwaren ingediend.
HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT
Stedenbouwkundig
Op 9 november 1951 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een woonhuis. (1951/00067)
De aanvraag werd eind 2019 en begin 2020 in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie. (VB_2015_70)
Op basis van een voorontwerp werd onder meer het volgende meegedeeld:
“De inplanting van de woning wordt voorzien op 11,70 meter. Wij zijn van mening dat de inplanting best naar voor wordt geschoven, op dezelfde lijn als het hoofvolume of als de toegang van de woning op 52A. Dit betreft een meer recentere woning.
3 meter afstand tussen hoofdvolume en bijgebouw is te beperkt. Door de woning wat naar voren te schuiven wordt dit (deels) opgelost. Liefst zijn wij hier een afstand van 4 à 5 meter.
De garage heeft een hoogte van 6,47 meter. Dit veroorzaakt hinder (zicht/lichtinval) t.o.v. het aanpalend perceel. Ons voorstel is om een plat dak te voorzien voor de garage. Gelet op de situering nabij de gemeenschappelijke perceelsgrens, kan u best een goedkeuring van de buren toevoegen in het dossier.
Wij wensen u erop te wijzen dat het afleveren van een vergunning te allen tijde afhankelijk is van de eigenschappen van een concreet dossier, de ruimtelijke context, het openbaar onderzoek en de in te winnen externe adviezen.”
De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg / advies.
Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.
Milieu
Volgende ARAB / milieuvergunningen / meldingen werden afgeleverd op volgende percelen:
Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.
OPENBAAR ONDERZOEK
Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de vereenvoudigde procedure behandeld.
Er werd bijgevolg geen openbaar onderzoek gehouden.
Overeenkomstig artikel 83 van het Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het omgevingsvergunningsdecreet, werden de betrokken aanpalende eigenaars aangeschreven per beveiligde zending met het verzoek hun standpunt kenbaar te maken binnen de 30 dagen.
Het aanvraagdossier bevat een schriftelijk akkoord van de eigenaars van het aanpalende perceel voor de aangevraagde werken.
Er werden geen bezwaren ingediend.
ADVIEZEN
Dienst Facilitair Management
MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE
De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.
STEDENBOUWKUNDIG ADVIES
TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN
OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN
Gewestplan
De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
De voorgestelde werken bevinden zich volledig in het woongebied met landelijk karakter.
De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd “voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Zowel bewoning als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied, en beide bestemmingen staan er op gelijke voet. Daarnaast kunnen eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten, zoals in woongebied worden toegelaten (artikel 6 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).
De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.
Vrijstelling vergunningsplicht
Volgens art. 13.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, in werking getreden op 1 december 2010, is de aanvraag voor het slopen van de bestaande woning zonder voorwerp.
De grondoppervlakte van de woning bedraagt 89,65m².
Er wordt besloten dat de aanvraag zonder voorwerp is voor het slopen van de bestaande woning.
Stedenbouwkundige verordeningen
Hemelwater
De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De plannen geven aan dat voor de nieuw op te woning en garage met een totale horizontale dakoppervlakte van 142,65m² een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 5 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening waarvan de oppervlakte (3,31m²) en het volume (2 067 liter) voldoen aan de verordening.
De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.
De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.
Riolering
Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. Een individuele voorbehandelinginstallatie (septische put) moet niet aangelegd worden.
Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be);
De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
De aanvrager dient de nodige stappen te ondernemen voor het afsluiten van de nutsleidingen;
De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
Watertoets
Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013, verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.
Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.
Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.
De aanvraag doorstaat de watertoets.
Decretale beoordelingselementen
Art. 4.3.5. Uitgeruste weg
§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.
§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.
Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente.
De percelen zijn gelegen langs de Bruinstraat, een gemeenteweg.
De aanvraag voldoet aan deze bepaling.
Archeologienota
Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceelsoppervlakte kleiner is dan 3 000m².
Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).
Overige regelgeving
Decreet rookmelders
Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.
De voorliggende aanvraag voldoet hieraan gezien er een rookmelder geplaatst wordt in de inkomhal, de overloop op de verdieping en de zolderverdieping.
Energiedecreet
De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.
Slopen
De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand.
Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.
Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.
Grondverzet
Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.
Erfdienstbaarheden / gemene muren
Vergunningen hebben een zakelijk karakter. Zij worden verleend onder voorbehoud van de op het onroerend goed betrokken burgerlijke rechten.
Het is niet de taak van de administratieve overheid zich uit te spreken over het bestaan, de interpretatie en de omvang van subjectieve rechten, zoals bijvoorbeeld het bestaan van een erfdienstbaarheid / het overnemen van een gemene muur.
De overeenstemming van de aanvraag met een goede ruimtelijke ordening wordt echter beoordeeld met inachtneming van beginselen als hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 van de VCRO.
De aanvrager wordt erop gewezen dat omtrent de gemene muren/ de mandeligheid van muren / bestaande erfdienstbaarheden / erfscheidingen … geen afbreuk wordt gedaan aan de burgerlijke rechten van de betrokken aanpalende eigenaars door het afleveren van een omgevingsvergunning / omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden / bijstelling van de omgevingsvergunning / stedenbouwkundig attest.
Dat het aangewezen is hieromtrent een (schriftelijke) overeenkomst/ akkoordverklaring te bekomen alvorens aan te vatten met de werken.
De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving.
Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening
OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG
De aanvraag omvat het rooien van een boom en het bouwen van een eengezinswoning en een garage.
BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING
De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:
1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;
2° het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;
Omschrijving ligging en omgeving
De percelen zijn gelegen langs de Bruinstraat, een gemeenteweg.
De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open verband.
Het achterste gedeelte van het perceel en het achterliggende gebied zijn volgens het gewestplan gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
Omschrijving van de aanvraag
Het perceel is momenteel bebouwd met een vrijstaande eengezinswoning.
De woning is ingeplant op 24,01m uit de as van de weg, op minimum 1,03m van de linker perceelgrens en op minimum 7,62m van de rechter perceelgrens.
De woning bestaat uit 1 bouwlaag met een zadeldak.
De bebouwingsoppervlakte van de woning bedraagt 89,65m².
De kroonlijsthoogte is gelegen tussen 2,10m en 3,02m ten opzichte van het maaiveld en de maximale nokhoogte bedraagt 4,95m ten opzichte van het maaiveld.
De aanvrager wenst de bestaande bebouwing te slopen. Zoals hoger aangehaald is de sloop van de woning conform het vrijstellingsbesluit. Dit gedeelte van de aanvraag is dan ook zonder voorwerp.
De huidige aanvraag betreft het rooien van een boom en het bouwen van een eengezinswoning en een garage.
Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving
De functie als eengezinswoning is in overeenstemming met de bebouwing in de omgeving.
Mobiliteitsimpact
De verkeersgeneratie is beperkt gezien de functie van eengezinswoning.
Het ontwerp voorziet op 6m achter de achtergevel en tegen de rechter perceelgrens een garage.
Voertuigen kunnen dan ook gestald worden op eigen terrein waardoor de last van het autobezit niet wordt afgeschoven op het openbaar domein.
De schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, de visueel-vormelijke elementen van de voorgenomen werken
De aanvraag omvat het rooien van een boom en het bouwen van een eengezinswoning en een garage.
Op het terrein bevindt zich momenteel een eengezinswoning die de aanvrager wenst te slopen. Na de sloop zal een nieuwe eengezinswoning worden opgericht en een garage.
Zoals hoger aangehaald is de sloop van de eengezinswoning conform het vrijstellingsbesluit. Dit gedeelte van de aanvraag is dan ook zonder voorwerp.
De nieuw op te richten eengezinswoning wordt ingeplant op 8,70m achter de rooilijn. De bouwlijn van de bebouwing in de omgeving varieert sterk. De voorgestelde inplanting zal niet als storend ervaren worden in het straatbeeld.
De zijgevels van de woning worden ingeplant op minimum 4m van de linker en minimum 4,34m van de rechter perceelgrens.
De bouwdiepte op het gelijkvloers alsook op de verdieping bedraagt maximaal 11m.
Op de verdieping wordt slechts 1 raam aangebracht in de rechter zijgevel, meer bepaald in de linnenkamer. De raamopening bevindt zich op maximum 5,45m vanaf de voorgevel van de woning en zal geen privacyhinder veroorzaken ten opzichte van de aangrenzenden.
De kroonlijsthoogte varieert tussen 5,39m en 5,85m ten opzichte van de as van de weg. De nokhoogte is gelegen op 10,74m ten opzichte van de as van de weg.
De woning wordt uitgevoerd met een roodbruine gevelsteen en een dakbedekking in antracietkleurige dakpannen.
Op 6m achter de achtergevel van de woning en tegen de rechter perceelgrens wordt een garage opgericht.
De garage heeft een oppervlakte van 34,55m² (7,96m x 4,34m).
De garage wordt uitgevoerd met een plat dak. De dakrandhoogte is gelegen op 3,50m ten opzichte van de as van de weg.
De garage wordt, net zoals de woning, uitgevoerd met een roodbruine gevelsteen.
Gezien de bestaande bebouwing in de omgeving varieert qua inplanting, bouwvolume alsook qua materiaalkeuze zal de nieuw te richten woning niet als storend ervaren worden in het bestaande straatbeeld.
Behoudens het gebouw worden ook verhardingen voorzien.
In de voortuin worden een inrit, een parkeerplaats en een toegangspad naar de voordeur van de woning aangelegd. De breedte van de inrit blijft ter hoogte van de rooilijn / voorste perceelgrens beperkt tot 3m. Op ca. 1m achter de rooilijn / voorste perceelgrens wordt de inrit, over een lengte van ca. 6m verbreed met 2,50m. Deze bijkomende verbreding zal gebruikt worden in functie van parkeerplaats.
De inrit, de parkeerplaats en het toegangspad naar de voordeur worden aangelegd in kiezelverharding (122,70m²).
Aan de achterzijde van de woning wordt een terras aangelegd met een oppervlakte van 32m². Het hemelwater dat hierop terecht komt vloeit af naar de aangrenzende groenzone.
De voorziene verhardingen zijn gebruikelijk bij een eengezinswoning en er resteert nog voldoende onverharde ruimte die ingericht kan worden als tuin/groenzone.
In de rechter zijtuin, op ca. 11,50m achter de rooilijn en op ca. 2m van de rechter perceelgrens staat een den. De aanvrager wenst deze den te rooien.
Rekening houdend met het advies van de dienst Facilitair Management kan akkoord gegaan worden met het rooien van de den op voorwaarde dat de aanvrager een nieuwe inheemse hoogstammige boom aanplant in de achtertuin op minimum 2m van de perceelgrenzen (conform Veldwetboek).
De nieuw aan te planten boom moet minstens de maat 20/25 zijn. De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden. Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.
Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs, …) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
Bodemreliëf
Uit de ingediende terreinprofielen blijkt dat het bestaande terreinniveau maximum 0,29m wordt opgehoogd. Het nieuwe maaiveld zal bijgevolg gelegen zijn op maximum 0,25m boven de as van de weg.
De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de (ontworpen) rooilijn/ voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.
De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.
BESPREKING ADVIEZEN
Op 17 juni 2020 verleende de dienst Facilitair Management een voorwaardelijk gunstig advies, nl.:
“Gunstig mist nakomen van volgende voorwaarden:
Aanplanten van een streekeigen hoogstam boom maat 20/25 in de achtertuin.”
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich gedeeltelijk aan bij dit advies.
De nieuwe inheemse hoogstammige boom dient aangeplant te worden in de achtertuin op minimum 2m van de perceelgrenzen (conform Veldwetboek).
De nieuw aan te planten boom moeten minstens de maat 20/25 zijn. De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden. Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.
Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs, …) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.
MILIEUTECHNISCH ADVIES
Niet van toepassing.
GECOÖRDINEERD EINDADVIES
Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving.
De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning mits het opleggen van voorwaarden.
Er wordt geen uitspraak gedaan over het slopen van de bestaande bebouwing omdat deze werken vallen onder toepassing van het vrijstellingsbesluit zoals hoger omschreven.
Volgens art. 13.2. van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, in werking getreden op 1 december 2010, is de aanvraag voor het slopen van de bestaande woning zonder voorwerp.
Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het rooien van een boom en het bouwen van een eengezinswoning en een garage zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:
De nieuw aan te planten boom moeten minstens maat 20/25 zijn.
De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden. Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.
Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs, …) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
Riolering:
Terrein en gelijkgrondse berm:
Andere voorwaarden:
Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.
Het college van burgemeester en schepenen volgt het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager gedeeltelijk. Het college is van oordeel dat de nieuw aan te planten inheemse boom in de achtertuin van plantmaat 18/20 mag zijn.
Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.
Er wordt geen uitspraak gedaan over het slopen van de bestaande bebouwing omdat deze werken vallen onder toepassing van het vrijstellingsbesluit.
De omgevingsvergunning omvat het rooien van een boom en het bouwen van een eengezinswoning en een garage zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.
De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:
De nieuw aan te planten boom dient minstens plantmaat 18/20 te hebben.
De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden. Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.
Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs, …) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
Riolering:
Terrein en gelijkgrondse berm:
Andere voorwaarden:
Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.