Vlaamse omzendbrief KB/ABB 2019/2 van 15 februari 2019 betreffende de gemeentefiscaliteit
Het besluit van het schepencollege van 15 december 2020 waarin de verlenging van het reglement voor de rest van de legislatuurjaren besproken werd.
Het gemeentebestuur behoudt de belasting op drijfkracht omwille van haar financiële behoefte en hoopt daarmee de belastingplichtigen aan te moedigen om zorgvuldig om te gaan met hun energieverbruik. Ze vindt het verder geen goed idee de bedrijven extra te belasten door middel van een tariefverhoging. Enerzijds blijft er zo ademruimte voor de bedrijven om zelf de nodige energiebesparende investeringen te doen of maatregelen te nemen tegen milieuvervuiling. Anderzijds onderstreept men hierbij het belang van het behoud van de productiecapaciteit van de bedrijven, het tewerkstellingspeil, het inkomstenniveau en de impact hiervan op het sociaal en maatschappelijk vlak.
De gemeentebelasting op drijfkracht wordt al vele jaren fel bekritiseerd. De belasting op drijfkracht steunt op de opvatting dat de draagkracht van een onderneming afgelezen kan worden van het vermogen van de aanwezige motoren, maar vandaag zijn eigenlijk de industriële installaties van een onderneming echter niet altijd meer betekenisvol voor haar financiële draagkracht. Verder is de drijfkrachtbelasting erg omslachtig en vereist de controle en vaststellingen heel wat technische inzichten. Momenteel worden door vele gemeente mogelijke alternatieven onderzocht ter vervanging van dit reglement, maar tot nu toe werd in onze gemeente nog geen goed alternatief gevonden. Rekening houdend met deze stelling adviseert het college van burgemeester en schepenen om het huidig modelreglement op de drijfkracht der motoren te behouden voor de aanslagjaren 2021 tot en met 2024 en wenst ze dit dossier in die zin voor te leggen op de gemeenteraad.
De gemeenteraad beslist met ingang vanaf 1 januari 2021 voor een termijn van 4 jaar, eindigend op 31 december 2024 ten laste van de nijverheids-, handels- en landbouw-ondernemingen een belasting van € 12,50 per kilowatt of per 1,36 PK (1 KW = 1,3586 PK) te heffen op motoren, ongeacht de brandstof of de energie die deze motoren in beweging brengt.
Indien het belastingbedrag na toepassing van de berekeningsformule in art. 2, kleiner is dan € 10,00, dan wordt dit bedrag niet ingekohierd en ook niet geïnd.
De belasting is verschuldigd voor de motoren die door de belastingplichtige gebruikt worden voor de uitbating van de zetel of exploitatie-eenheid van de onderneming. Dient als exploitatie-eenheid beschouwd, iedere inrichting of werf van om het even welke aard, die gedurende een ononderbroken periode van tenminste drie maanden op het grondgebied van de gemeente is gevestigd.
De belasting is echter niet verschuldigd aan de gemeente waar de zetel van de onderneming gevestigd is, voor de motoren, gebruikt in een exploitatie-eenheid in de mate waarin die motoren kunnen belast worden door de gemeente waar de exploitatie-eenheid is gevestigd.
Wanneer hetzij de zetel, hetzij een exploitatie-eenheid geregeld en op duurzame wijze een verplaatsbare motor gebruikt voor de verbinding met een of meer exploitatie-eenheden of met een verkeersweg, is daarvoor de belasting enkel verschuldigd indien hetzij de zetel, hetzij de voornaamste exploitatie-eenheid gevestigd is in de gemeente. De door de tijdelijke vennootschap verschuldigde belasting wordt ten laste van deze ingevorderd of ten laste van de natuurlijke of rechtspersonen, die er deel van uitmaakten. Na de ontbinding van de tijdelijke vennootschap zijn de natuurlijke of rechtspersonen, die er deel van uitmaakten, hoofdelijk mede de nog in te vorderen belasting verschuldigd.
De belasting wordt gevestigd op grond van de belastbare motoren geplaatst of gebruikt tijdens het jaar dat onmiddellijk voorafging aan het jaar waarop de belasting slaat.
Bij stopzetting van het bedrijf in de loop van het jaar wordt er een bijzondere bijkomende aanslag gevestigd, berekend op basis van de belastbare motoren geplaatst en gebruikt tijdens het jaar of jaargedeelte waarin de bedrijfsstopzetting plaats heeft. De belastingplichtigen die onder toepassing vallen van deze bepaling zijn verplicht uiterlijk acht dagen na de stopzetting van het bedrijf hiervan aangifte te doen bij het college van burgemeester en schepenen.
De grondslagen van de belasting zijn de volgende :
Deze coëfficiënt, gelijk aan de eenheid van één motor, wordt tot en met dertig motoren, met 1/100 van de eenheid, per bijkomende motor verminderd en blijft daarna vast en gelijk aan 0,70 voor 31 motoren en meer.
Voor het vaststellen van de simultaancoëfficiënt wordt rekening gehouden met de toestand op 1 januari van het jaar dat onmiddellijk voorafging aan het jaar waarop de stopzetting plaats heeft, of voor een nieuwe onderneming met de datum van inwerkstelling.
De kracht van de hydraulische toestellen wordt vastgesteld in overleg tussen de belastingplichtige en het College van Burgemeester en Schepenen. Bij onenigheid staat het de belastingplichtige vrij een tegenonderzoek uit te voeren.
De bepalingen van dit artikel zijn toepasselijk door de gemeente naar rata van het aantal door haar belaste motoren.
Is van belasting vrijgesteld :
De motoren, die van de belasting zijn vrijgesteld wegens stilliggen gedurende het ganse jaar evenals degene die bij de toepassing van artikel 3 vrijgesteld zijn, komen niet in aanmerking voor het vaststellen van de simultaancoëfficiënt van de installatie van de belastingplichtige.
Wanneer de fabricagemachines wegens een ongeval niet in staat zijn om meer dan 80 % van de door een belastbare motor geleverde kracht te gebruiken, zal de belastingplichtige slechts belast worden op de verbruikte kracht van de motor uitgedrukt in kilowatt, op voorwaarde dat de gedeeltelijke activiteit ten minste drie maanden geduurd heeft en dat de beschikbare kracht niet voor andere doeleinden aangewend werd.
Om van deze vermindering te genieten, moet de belastingplichtige aan het gemeentebestuur een bericht gegeven hebben, hetzij aangetekend, hetzij afgeleverd tegen ontvangstbewijs. Dat bericht bevat naast de datum van het ongeval ook die van het opnieuw aanzetten van de motor.
Voor de berekening van de belastingvermindering gaat de datum van het stilliggen van de motor slechts in vanaf de ontvangst van het eerste bericht.
De aanvrager moet bovendien op het eerste verzoek aan het gemeentebestuur alle stukken voorleggen waardoor de juistheid van zijn verklaringen kan nagegaan worden.
Wanneer een motor buiten gebruik gesteld wordt wegens ongeval, moet dat binnen acht dagen, aan het gemeentebestuur bekendgemaakt worden, op straf van verlies van het recht op belastingvermindering.
De belastingplichtigen zijn verplicht de belastbare elementen op te geven overeenkomstig een formulier hen toegezonden door het gemeentebestuur. Dit formulier dient behoorlijk ingevuld en ondertekend terug gezonden binnen 1 maand na de verzendingsdatum, die vermeld is op het aangifteformulier.
Zij die geen aangifteformulier ontvangen hebben of belastingplichtig worden na de inzameling van de aangifteformulieren zijn niettemin verplicht vóór 1 september van het aanslagjaar spontaan de nodige gegevens aan het gemeentebestuur te bezorgen om de aanslag te kunnen berekenen.
De exploitant dient de eventuele veranderingen of verplaatsingen van motoren, die zich in de loop van het jaar voorgedaan hebben, aan het gemeentebestuur bekend te maken.
Bij gebrek aan aangifte, of in geval van onjuiste, onvolledige of onnauwkeurige aangifte vanwege de belastingplichtige, kan de belasting ambtshalve gevestigd worden.
In het geval van ambtshalve inkohiering wordt de belasting gevestigd op basis van gegevens, waarover de gemeente beschikt en zal de ambtshalve ingekohierde belasting verhoogd worden met 50% van het verschuldigde belastingbedrag. Deze verhoging wordt eveneens ingekohierd.
Vooraleer wordt overgegaan tot de ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag, betekent het college van burgemeester en schepenen, aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.
De belastingplichtige beschikt over een termijn van 30 kalenderdagen te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van de betekening om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.
De ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag kan slechts geldig worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het aanslagjaar. Deze termijn wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van de belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen.
Als een belasting ambtshalve is gevestigd, moet de belastingplichtige het bewijs leveren van de juistheid van de door hem ingeroepen elementen.
Volgende administratieve geldboete zal worden opgelegd aan de belastingplichtige in navolgend geval :
- € 100,00 : bij weigering om mee te werken aan een fiscale controle of de weigering om boeken of bescheiden voor te leggen
Alvorens de boete op te leggen zal de belastingplichtige hiervan een schriftelijke verwittiging krijgen met vermelding waarop het boetebedrag stoelt.
Het bedrag van de administratieve geldboete wordt samen met het belastingbedrag ingekohierd.
Door het college van burgemeester en schepenen worden personeelsleden aangesteld die gemachtigd zijn om alle nodige fiscale onderzoeks- en controleverrichtingen te stellen in verband met de toepassing van de belastingverordening De door hen opgestelde processen-verbaal hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel.
De kohieren worden vastgesteld en uitvoerbaar verklaard ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op het aanslagjaar door het college van burgemeester en schepenen.
Het kohier wordt tegen ontvangstbewijs overgezonden aan de financieel directeur die onverwijld instaat voor de verzending van de aanslagbiljetten. Deze verzending gebeurt zonder kosten voor de belastingschuldige.
Het aanslagbiljet bevat naast de gegevens vermeld in het kohier, ook de verzendingsdatum van het aanslagbiljet, de uiterste betalingsdatum, de termijnen waarbinnen een bezwaarschrift kan worden ingediend, de benaming – het adres – contactgegevens van de instantie, die bevoegd is om het bezwaarschrift te ontvangen, evenals de vermelding dat de belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger, die wenst gehoord te worden, zulks uitdrukkelijk moet vragen in het bezwaarschrift.
Als bijlage wordt een beknopte samenvatting toegevoegd van reglement krachtens welke de belasting is verschuldigd.
De kohierbelastingen wordt betaald binnen twee maanden na de verzending van de aanslagbiljetten.
De belastingschuldige (of zijn vertegenwoordiger) kan tegen zijn aanslag, een belastingverhoging of een administratieve geldboete een bezwaar indienen bij het college van burgemeester en schepenen, Kerkplein 1, 3520 Zonhoven.
Het bezwaar moet schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn en op straffe van verval worden ingediend binnen 3 maanden te rekenen vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag.
Het vermeldt tevens de naam, de hoedanigheid, het adres of de zetel, het rijksregisternummer of ondernemingsnummer van de belastingschuldige alsmede het voorwerp van het bezwaarschrift en een duidelijke motivering.
De belastingschuldige die wenst gehoord te worden vermeldt dit uitdrukkelijk in het bezwaarschrift. In voorkomend geval zal hij uitgenodigd worden op een hoorzitting.
Het college van burgemeester en schepenen of het personeelslid dat zij speciaal daarvoor aanwijst, stuurt binnen 15 kalenderdagen na indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en , in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel directeur. Hij/zij beschikt hiertoe eveneens over de onderzoeksbevoegdheden, zoals bedoeld in artikel 11, om de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren.
Wanneer de belasting niet betaald is binnen de gestelde termijn, worden de regels toegepast betreffende de nalatigheidintresten inzake de rijksbelastingen op de inkomsten.
Deze beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikels 286, 287 en 288 van het Decreet Lokaal Bestuur. Er wordt melding van gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur.