Terug
Gepubliceerd op 17/11/2021

2021_CBS_01210 - OMV - Vergunning - Hortweidenweg 28 - 2021/00232 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 09/11/2021 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Bart Telen, Algemeen directeur

Verontschuldigd

Ria Hendrikx, voorzitter BCSD

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2021_CBS_01210 - OMV - Vergunning - Hortweidenweg 28 - 2021/00232 - Goedkeuring 2021_CBS_01210 - OMV - Vergunning - Hortweidenweg 28 - 2021/00232 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het regulariseren van de verbouwing en uitbreiding van een eengezinswoning, slopen van 2 bijgebouwen en terreininrichting.

De aanvraag werd op 27/07/2021 ontvangen.

Op 19/08/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 13/09/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 15/09/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd geen openbaar onderzoek gehouden.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 1948/00038: bouwvergunning op 16/07/1948 voor het bouwen van een woonhuis;
  • 1992/00002: bouwvergunning op 06/01/1992 voor het verbouwen van een woonhuis – niet uitgevoerd volgens nota, VERVALLEN;
  • 2009/11553: stedenbouwkundige vergunning op 01/10/2010 voor het verbouwen van een vrijstaande woning – niet uitgevoerd volgens nota, VERVALLEN;
  • 2020/00119: omgevingsaanvraag voor het bouwen van een carport (onvolledig).

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. 

Uit het aanvraagdossier en de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag handelingen werden verricht waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft minstens de verbouwingswerken aan de woning en de aanzet voor het oprichten van een carport.

Deze wederrechtelijk uitgevoerde handelingen werden opgenomen in de huidige aanvraag als te regulariseren.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de vereenvoudigde procedure behandeld.

Er werd bijgevolg geen openbaar onderzoek gehouden.

ADVIEZEN

Fluvius

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

Het perceel van de aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, grotendeels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels gelegen in gebied voor dagrecreatie. 

De voorgestelde werken die vallen onder de vergunningsplicht, bevinden zich volledig in het  woongebied met landelijk karakter.

Woongebied met landelijk karakter

De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd “voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Zowel bewoning als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied, en beide bestemmingen staan er op gelijke voet. Daarnaast kunnen eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten, zoals in woongebied worden toegelaten (artikel 6 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

Recreatiegebied

De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccommodatie. In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen teneinde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren (artikel 16 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen).

De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg, noch in een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch in een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.

Behoudens een niet vergund en te slopen bijgebouw en een bijgebouw dat vrijgesteld is van de vergunningsplicht, situeren alle werken zich binnen het woongebied met landelijk karakter.

Vrijstelling vergunningsplicht 

Volgens art. 2.1.11° van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, in werking getreden op 1 december 2010, is de aanvraag voor het bijbouw van 18m² met een hoogte tot 2,86m, op minimaal 1,50m afstand tot de perceelsgrenzen in de achtertuinstrook en binnen een straal van 30m van de woning zonder voorwerp op voorwaarde dat de 2 andere bijgebouwen effectief verwijderd zijn/ worden!

Er wordt besloten dat de aanvraag zonder voorwerp is voor het bijbouw van 18m² in de achtertuin zoals aangegeven op het inplantingsplan en op voorwaarde dat de 2 andere bijgebouwen effectief verwijderd zijn/ worden! Hierover wordt dan ook geen verdere uitspraak gedaan.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de bestaande bebouwing en de uitbreiding met een totale horizontale dakoppervlakte van 137,75m² een regenwaterput met een inhoud van 10 000 liter aanwezig is. 

Voor de uitbreiding van de woning met een dakoppervlakte van 66m², wordt een nieuwe infiltratieput voorzien na de hemelwaterput (dewelke daar zal naar overlopen) met een inhoud van 2000 liter (min. 1943 liter) en een infiltratieoppervlakte van 4m² (min. 3,11m²). De berekening van de infiltratieput is gebaseerd op een dakoppervlakte van 77,75m² (137,75m² minus aftrek 60m² voor de hemelwaterput).

De oppervlakte en het volume van de voorzieningen, uitgaande van de totale dakoppervlakte, voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

Het toegangspad (19,15m²) en de oprit (128,16m²) worden uitgevoerd in (waterdoorlatende) dolomietverharding.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. Volgens de gekende gegevens is nog een gemengd rioleringsstelsel aanwezig.

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan Fluvius.

Het advies van 01/10/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

“Naar aanleiding van uw brief/mail van 15-09-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 1, sectie A, nummer(s) 485K , kunnen we een voorwaardelijk gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:

Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering.

De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).

Algemene voorschriften: Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.

Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer 

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven. 
  • De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven. 
  • De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013. 
  • Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be. Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager. Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein. 
  • Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel. 
  • Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang. 

2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject 

  • Indien de dakoppervlakte van het bestaand gebouw is aangesloten op een hemelwaterput of infiltratievoorziening, dan dient het nieuw bijgebouwd gedeelte ook aangekoppeld te worden op deze hemelwaterput of infiltratievoorziening. De afwatering van dit nieuwe gedeelte mag nooit rechtstreeks naar de openbare riolering gebracht worden. 
  • Het besluit van de Vlaamse Regering van 05/7/2013 betreffende de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in voege sinds 01/01/2014, bepaalt dat bij een uitbreiding > 40 m² tegen een bestaand gebouw een even groot deel van de bestaande verharde oppervlakten mee dienen af te wateren naar de infiltratievoorziening, indien deze bestaande verharde oppervlakten nog niet zijn aangesloten op een hemelwaterput, infiltratievoorziening of buffering. De inhoud van de infiltratievoorziening dient minimum 25 liter/m² referentieoppervlakte te bedragen. De referentieoppervlakte is de som van alle oppervlakten die afwateren naar deze infiltratievoorziening. 

We raden aan om: 

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben. 
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine. 
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden. 
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak. 
  • Het is niet toegestaan om drainageleidingen aan te sluiten op de openbare riolering. Overeenkomstig de milieuwetgeving dient dit op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. 

3. Keuring privéwaterafvoer (niet van toepassing indien er geen bijkomende rioleringsaansluiting wordt aangevraagd) 

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van de privéwaterafvoer verplicht sinds 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12/1, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement. De keuring dient uitgevoerd te worden vóór de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer. 

Enkel de door Fluvius erkende keurders komen voor deze keuring in aanmerking (zie Keuring riolering | Fluvius). 

Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34. 

Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.”

Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager;

Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceeloppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hier niet aan: er worden op de plannen geen rookmelders aangegeven.

Als voorwaarde dient opgenomen dat elke bouwlaag (gelijkvloers, verdieping en dakverdieping) van minstens één rookmelder voorzien dient te worden op een daartoe aangewezen plaats en volgens de geldende regelgeving.

Opmerking: de plaatsing van rookmelders in ruimtes waar dampen en rookgassen gebruikelijk kunnen voorkomen (garages, keukens, badkamers en ook wasplaats) kan aanleiding geven tot valse meldingen. Hier is het meer aangewezen een hittemelder te plaatsen.

Het is aangewezen om rookmelders te plaatsen in elke ruimte waar u doorheen moet op weg naar buiten (zoals inkomhal, doorgang, nachthal, traphal…).

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Slopen

De afbraak van overdekte en niet overdekte constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet ingericht worden als groenzone.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving mits voldaan wordt aan het decreet optische rookmelders.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het regulariseren van de verbouwing van een eengezinswoning, een nieuwe uitbreiding met een carport, herinrichting van het terrein, het slopen van 2 bijgebouwen en behouden van 1 (vrijgesteld) bijgebouw.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING 

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel van de aanvraag is gelegen aan de Hortweidenweg, een gemeenteweg ten noorden van het centrum van Zonhoven.

De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open en halfopen verband. Het rechts aanpalende perceel is thans nog onbebouwd en in principe bestemd voor een open bebouwing, het links aangrenzende perceel werd bebouwd met een vrijstaande woning.

Aan de overzijde van de straat zijn een bebouwde kavel met vrijstaande woning, een kavel met woning en aansluitende werkplaats en een onbebouwde kavel aanwezig.

Aan de achterzijde van het woonlint is een gebied voor dagrecreatie aanwezig (speelterrein en groene inrichting) en een gedeelte agrarisch gebied (weilanden).

Omschrijving van de aanvraag

Het perceel van de aanvraag werd anno 1948 bebouwd met een vrijstaande woning met 2 bouwlagen en een zadeldak. De woning bevindt zich op bijna 18m afstand tot de (huidige) voorste perceelgrens en op 2m afstand tot de linker perceelgrens. De bebouwde oppervlakte is  eerder beperkt (6,45m breed op 8m bouwdiepte). Ergens tussen 1948 en 1992 werd een aanbouw van 10m breed en ca. 9m diep gerealiseerd aan de rechterzijde van de woning, deze is thans niet meer aanwezig behoudens een beperkt gedeelte van ca. 7,25m x 2,65m.

In 1992 werd een verbouwing/ uitbreiding vergund maar niet uitgevoerd.

In 2010 werd een verbouwing/ uitbreiding vergund maar niet uitgevoerd.

Er werden evenwel een aantal werkzaamheden uitgevoerd waarvoor geen vergunning gekend is. Het betreft verbouwingwerken aan het hoofdgebouw zijnde nieuwe gevelafwerking in leien en dakbedekking in leien (vermoedelijk werd hieronder ook isolatie voorzien), nieuw buitenschrijnwerk en intern werden een aantal aanpassingen doorgevoerd. De bestaande aanbouw met plat dak heeft een gevel in vakwerk met leem op rood metselwerk.

De huidige aanvraag omvat het regulariseren van de verbouwing van de woning en aanzet tot oprichting van de carport, het voltooien van de carport en herinrichting van het terrein. 

In de achtertuin worden 2 (niet vergunde) bijgebouwen verwijderd en 1 bijgebouw behouden dat voldoet aan de bepalingen van het vrijstellingsbesluit mits effectieve verwijdering van de 2 andere. 

Een regularisatie moet met dezelfde criteria beoordeeld worden als een nieuwe aanvraag. Het kan immers niet zijn dat de regularisatie soepeler zou beoordeeld worden om reden dat de werken reeds uitgevoerd zijn. 

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De bestaande woonfunctie blijft behouden en past binnen de bestemming en in de bestaande woonomgeving.

Mobiliteitsimpact

De aanvraag voorziet in 2 nieuwe overdekte autostaanplaatsen binnen de carport.

Voor de carport is ruimte om 2 voertuigen te parkeren en op de oprit met een lengte van zo’n 18m kunnen bijkomend 3 voertuigen parkeren. Er kunnen dus tot 7 wagens op eigen terrein gestald worden; dat voldoet ruimschoots aan de vooropgestelde 1,5 parkeerplaats per woongelegenheid.

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen

Aan de inplanting en basis van het bestaande hoofdgebouw en de aanbouw worden geen wijzigingen doorgevoerd. De afstand tot de perceelgrenzen is iets beperkter door de nieuwe gevelbekleding maar aangezien geen gevelopeningen aanwezig zijn en de linker zijgevel ontstaat geen hinder door inkijk.

Het hoofdgebouw heeft een breedte van 6,51m verkregen, een bouwdiepte van 9,17m en de afstand tot de linker perceelgrens bedraagt 1,63m.

De volledige afwerking van het hoofdgebouw met zwarte leien is minder gebruikelijk doch het uitzicht van het gebouw past voldoende in de omgeving en vormt een hedendaags geheel. De aanbouw bestaat uit vakwerk met leem.

De nieuwe carport in hout met de rechtergevel in vakwerk met leem, afgewerkt met een plat dak, wordt op dezelfde voorgevellijn ingeplant als de woning over de breedte van de bestaande aanbouw van 7,20m en met 6,52m bouwdiepte. De totale bouwdiepte van zowel woning als aanbouw, bedraagt 9,17m.

De afstand van de nieuwe aanbouw tot de rechter perceelgrens bedraagt minimaal 4,55m. De bouwhoogte van de carport bedraagt 3,04m tegenover het maaiveld.

De aanbouw en zijgevel van de carport in vakwerk met leem met rood metselwerk aan de basis, sluit visueel minder goed aan bij het hedendaagse hoofdgebouw met leien. De combinatie van oude en nieuwe materialen en vormgeving kan soms een architecturale meerwaarde geven door het contrast, doch deze combinatie van materialen lijkt ons minder geslaagd. Een gevelafwerking in hout of metselwerk (geschilderd) in een lichtere kleur zou hier visueel een betere combinatie zijn. Evenwel is de omvang beperkt en de impact op het straatbeeld minimaal door de diepe inplanting en het beperkte volume.

Qua volume, afmetingen, functie, uiterlijk en indeling, voldoet de eengezinswoning met aanbouw  aan de algemene normen en comforteisen. De inplanting op het perceel is vrij diep tegenover de gangbare bouwlijn in de straat, doch deze is reeds bestaande sinds 1948.

Wat de verdere inrichting van het terrein betreft, wordt een onnodige verharding rechts van de aanbouw verwijderd. De bestaande inrit met een breedte van 2,85m loopt breder uit aan de voorzijde van de dubbele carport tot 10,75m en wordt uitgevoerd in dolomiet. Ook het pad naar de inkom is voorzien in dolomiet. De totale oppervlakte aan verhardingen bedraagt 147,31m².

Voor het overige worden geen verhardingen aangevraagd.

In de achtertuin zijn thans 3 bijgebouwen aanwezig waarvoor geen vergunning vereist is. 

De houtopslagplaats van 20,57m² achteraan op het terrein en de oude gemetste tuinberging van 21,30m² achter het woongebouw, worden verwijderd.

De container van 18m², uitgevoerd in wit metaal met blauwe rand, blijft behouden. Mits de overige bijgebouwen effectief verwijderd worden, valt dit bijgebouw onder de bepalingen van het vrijstellingsbesluit. De hoogte is beperkt tot 2,86m en de inplanting is op minstens 1,50m afstand tot de perceelgrenzen en binnen de 30m afstand tot de woning. Er worden geen officiële uitspraken gedaan over dit bijgebouw gelet op het feit dat geen vergunning vereist is, wel wordt de bemerking meegegeven dat het aangewezen is om deze constructie te schilderen in een neutrale kleur die past binnen de omgeving en beter aansluit op de overige gebouwen (bijvoorbeeld antraciet in aansluiting met het hoofdgebouw).

Het perceel (1386m²) is voldoende groot gelet op de voorgestelde bebouwde en verharde  oppervlakte; er resteert voldoende open ruimte voor en achter de woning met aanbouw die ingericht is/ kan worden als tuin.

Met de volledigheid van huidige aanvraag werd volgende opmerking reeds meegegeven aan de aanvrager:

“Wij wensen de aanvrager er attent op te maken dat door de inplanting en omvang van de carport/ berging, een eventuele toekomstige uitbreiding van de woning zelf gehypothekeerd wordt.

Aan de achterzijde kan het woongedeelte niet meer uitgebreid worden gelet op de diepe inplanting van het gebouw op het terrein. Een uitbreiding aan de voorzijde lijkt ons evenmin mogelijk omdat de toegang tot de carport dan belemmerd wordt en de bestaande woning (ca. 6,8m breed) slechts tot op zo’n 1,5m van de linker perceelgrens voorzien is.”

Bodemreliëf

Het bestaande terreinprofiel blijft ongewijzigd.

Ter hoogte van de voorgevel en dieper op het terrein bedraagt de hoogte van het maaiveld 35cm boven het peil van de weg, 30cm boven het peil ter hoogte van de voorste perceelgrens.

De voortuinzone van zo’n 18m à 20m diep is licht hellend (30cm niveauverschil), de vloerpas van het gelijkvloers bevindt zich op 55cm boven het peil van de wegas.

Alle overtollige grond die eventueel vrijkomt bij het graven van de funderingen/ putten, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

Als bemerking wordt meegegeven dat de gevelmaterialen van de aanbouw (vakwerk met leem op een basis van rood metselwerk) niet zo’n geslaagde combinatie vormen met de zwartgrijze leien van het hoofdgebouw. De (vrijgestelde) container in de achtertuin, wit met blauwe rand, wordt best geschilderd in een neutrale kleur die aansluit bij het woongebouw (bijvoorbeeld antraciet).

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 01/10/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig zoals reeds hoger aangehaald (“stedenbouwkundige verordening – riolering”). 

De gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies dienen gevolgd te worden.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.

Als bemerking wordt meegegeven dat de gevelmaterialen van de aanbouw (vakwerk met leem op een basis van rood metselwerk) niet zo’n geslaagde combinatie vormen met de zwartgrijze leien van het hoofdgebouw. De (vrijgestelde) container in de achtertuin, wit met blauwe rand, wordt best geschilderd in een neutrale kleur die aansluit bij het woongebouw (bijvoorbeeld antraciet).

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag deels in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het regulariseren van de verbouwing en uitbreiding van een eengezinswoning, slopen van 2 bijgebouwen en terreininrichting mits het opleggen van voorwaarden:

  • Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelder moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen

Als bemerking wordt meegegeven dat de gevelmaterialen van de aanbouw (vakwerk met leem op een basis van rood metselwerk) niet zo’n geslaagde combinatie vormen met de zwartgrijze leien van het hoofdgebouw. De (vrijgestelde) container in de achtertuin, wit met blauwe rand, wordt best geschilderd in een neutrale kleur die aansluit bij het woongebouw (bijvoorbeeld antraciet).

Er wordt geen officiële uitspraak gedaan over het te behouden bijgebouw in de achtertuin  omdat deze werken vallen onder toepassing van het vrijstellingsbesluit.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het regulariseren van de verbouwing en uitbreiding van een eengezinswoning, slopen van 2 bijgebouwen en terreininrichting, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
    Riolering:
  2. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  3. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  4. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  5. Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die eventueel vrijkomt bij het graven van de funderingen/ putten, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  6. Uitgezonderd de inrit met een maximale breedte van 3 meter ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein, dient het perceel ter hoogte van de voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  7. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
    Andere voorwaarden:
  8. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  9. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m tot op 6m afstand tot de voorste perceelgrens;
  10. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  11. De afbraak van de constructies (bijgebouwen en verhardingen) dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet heringericht worden als groenzone. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  12. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  13. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Als bemerking wordt meegegeven dat de gevelmaterialen van de aanbouw (vakwerk met leem op een basis van rood metselwerk) niet zo’n geslaagde combinatie vormen met de zwartgrijze leien van het hoofdgebouw. De (vrijgestelde) container in de achtertuin, wit met blauwe rand, wordt best geschilderd in een neutrale kleur die aansluit bij het woongebouw (bijvoorbeeld antraciet).

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 26/10/2021 tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het regulariseren van de verbouwing en uitbreiding van een eengezinswoning, slopen van 2 bijgebouwen en terreininrichting, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
    Riolering:
  2. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  3. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  4. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  5. Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die eventueel vrijkomt bij het graven van de funderingen/ putten, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  6. Uitgezonderd de inrit met een maximale breedte van 3 meter ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein, dient het perceel ter hoogte van de voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  7. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
    Andere voorwaarden:
  8. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  9. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m tot op 6m afstand tot de voorste perceelgrens;
  10. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  11. De afbraak van de constructies (bijgebouwen en verhardingen) dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet heringericht worden als groenzone. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  12. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  13. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Als bemerking wordt meegegeven dat de gevelmaterialen van de aanbouw (vakwerk met leem op een basis van rood metselwerk) niet zo’n geslaagde combinatie vormen met de zwartgrijze leien van het hoofdgebouw. De (vrijgestelde) container in de achtertuin, wit met blauwe rand, wordt best geschilderd in een neutrale kleur die aansluit bij het woongebouw (bijvoorbeeld antraciet).