Terug
Gepubliceerd op 10/11/2021

2021_CBS_01169 - OMV - Vergunning - Berkenenstraat 13 - 2021/00242 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 26/10/2021 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2021_CBS_01169 - OMV - Vergunning - Berkenenstraat 13 - 2021/00242 - Goedkeuring 2021_CBS_01169 - OMV - Vergunning - Berkenenstraat 13 - 2021/00242 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het verbouwen en uitbreiden van een vrijstaande eengezinswoning na het slopen van de aanbouw en het bijgebouw en heraanleg van het terrein.

De aanvraag werd op 08/08/2021 ontvangen en op 02/09/2021 ontvankelijk en volledig verklaard.

De vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd geen openbaar onderzoek gehouden.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 1946/00029: bouwvergunning op 16/06/1946 voor het bouwen van een woonhuis;

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie tussen september 2020 en maart 2021 (VB_2013_87). De algemene voorschriften en vergunningstoestand werden hierbij aangehaald.

Het perceel is niet gelegen in een BPA/RUP of in een verkaveling.
Indien er geen verkaveling, BPA, RUP, … van toepassing is op een perceel bouwgrond kan er van enkele algemene stelregels uitgegaan worden.
Dit dient echter steeds afgetoetst te worden aan de goede ruimtelijke ordening, de kenmerken van het perceel en de straat, …
 De algemene bouwvoorschriften omvatten:

  1. Inplanting volgens straatbeeld met een minimum van 5m.
  2. Minimaal 3m afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen
  3. Maximale bouwdiepte op gelijkvloers 17m
  4. Maximale bouwdiepte op verdieping 10m
  5. Kroonlijsthoogte tot 6m bij hellend dak en nokhoogte tot 10,50m
  6. Dakrandhoogte tot 6m50 bij een plat dak;
  7. Minimale tuinzone achter de woning 10m
  8. Voldoen aan parkeernorm:
    - 1,5 parkeerplaats per woonentiteit (naar boven af te ronden)
    - 1 parkeerplaats per 200m² magazijnruimte
    - 1 parkeerplaats per 20m² verkoopruimte/ kantoorruimte
    - 2 parkeerplaatsen voor een conciërgewoning
     - 1 parkeerplaats per 50m² (overige) bedrijfsruimte

Wij hebben ook opgemerkt dat de huidige toestand niet overeenkomt met de vergunde toestand: 

  • De woning is anders uitgevoerd dan de vergunde plannen
  • De vrijstaande garage is niet vergund

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg.

Wat de uitvoering van de woning betreft, deze werd opgericht in 1946 en ten opzichte van de vergunde plannen uitgevoerd in spiegelbeeld, met de daknok evenwijdig met de straat (ipv loodrecht), een uitsprong links achteraan het hoofdgebouw en afwijkende gevelindeling (raam- en deuropeningen). Gelet op de uitvoering voor inwerkingtreding van het gewestplan Hasselt – Genk in 1979, kan de bestaande situatie van het hoofdgebouw beschouwd worden als zijnde vergund geacht. Het niet vergunde bijgebouw wordt verwijderd.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de vereenvoudigde procedure behandeld.

Er werd bijgevolg geen openbaar onderzoek gehouden.

ADVIEZEN

Geen adviezen vereist.

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

Het perceel van de aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, grotendeels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels gelegen in agrarisch gebied. 

De voorgestelde werken bevinden zich volledig in het woongebied met landelijk karakter.

De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd “voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Zowel bewoning als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied, en beide bestemmingen staan er op gelijke voet. Daarnaast kunnen eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten, zoals in woongebied worden toegelaten (artikel 6 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg, noch in een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch in een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

Voor de uitbreiding van 65,21m² en de bestaande nog niet aangesloten dakoppervlakte dient in principe een infiltratievoorziening aangelegd te worden voor een totale dakoppervlakte van 130,42m². De inhoud hiervan dient 3260,50 liter te bedragen en de  infiltratieoppervlakte dient 5,22m² te bedragen.

Afwijking

De aanstiplijst en plannen geven aan dat voor de te verbouwen woning met een totale horizontale dakoppervlakte van 137,46m² een nieuwe hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 5 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor toiletten en buitenkranen. 

De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening met een inhoud van 3000 liter en een infiltratieoppervlakte van 6,4m².

Het voorzien van een hemelwaterput met hergebruik is positief en stemt overeen met de doelstellingen van het decreet betreffende het integraal waterbeleid. 

De voorzieningen voldoen ruimschoots aan deze van een nieuwbouw eengezinswoning.

De minimale inhoud van de hemelwaterput bedraagt 5000 liter – er wordt een hemelwaterput van 7500 liter voorzien.

De minimale inhoud van de infiltratieput bedraagt 1936,50 liter en de minimale infiltratieoppervlakte bedraagt 3,10m²; dit op basis van de totale dakoppervlakte van 137,46m² minus 60m².

De voorziene infiltratieput heeft een inhoud van 3000 liter en een infiltratieoppervlakte van 6,4m².

De afwijking is aanvaardbaar.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De oprit, parkeerplaats en het pad naar de inkom worden (her)aangelegd in waterdoorlatende klinkers en het terras aan de achterzijde kan in de eigen tuinzone afwateren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. Volgens de gekende gegevens zou nog een gemengd rioleringsstelsel aanwezig zijn.

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan Fluvius.

Het advies van 21/09/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

“Naar aanleiding van uw brief/mail van 2-09-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 2, sectie C, nummer(s) 103K, kunnen we een voorwaardelijk gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:

Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering.

De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).

Algemene voorschriften: Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.

Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven.
  • De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven.
  • De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013.
  • Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be. Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager. Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.
  • Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel.
  • Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang.

2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject

  • Het besluit van de Vlaamse Regering van 05/7/2013 betreffende de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in voege sinds 01/01/2014, bepaalt dat bij een uitbreiding > 40 m² tegen een bestaand gebouw een even groot deel van de bestaande verharde oppervlakten mee dienen af te wateren naar de infiltratievoorziening, indien deze bestaande verharde oppervlakten nog niet zijn aangesloten op een hemelwaterput, infiltratievoorziening of buffering. De inhoud van de infiltratievoorziening dient minimum 25 liter/m² referentieoppervlakte te bedragen. De referentieoppervlakte is de som van alle oppervlakten die afwateren naar deze infiltratievoorziening.
  • Wij adviseren om bij (her)aanleg van de voortuin, de inrit en/of de privéwaterafvoer op het privéterrein een volledig gescheiden stelsel (vuilwater en hemelwater) te voorzien tot aan de rooilijn. Via een Y-koppeling kan dan aangesloten worden op de bestaande rioleringsaansluiting. De diameter van de afvoerbuis voor vuilwater (DWA) is 125 mm, voor hemelwater (RWA) is dit 160 mm. Conform Vlarem II zal bij de aanleg van een gescheiden openbaar rioleringsstelsel in de straat ook een volledige scheiding van vuilwater en hemelwater op privéterrein verplicht zijn.
  • Volgens de GSV “hemelwater” dient een gescheiden stelsel voorzien te worden: de afvoer van het buitenterras/oprit dient aangesloten te worden op de overloop van de hemelwaterput, op een infiltratievoorziening of dient in de naastliggende groenzones af te wateren.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben.
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak.
  • Het is niet toegestaan om drainageleidingen aan te sluiten op de openbare riolering. Overeenkomstig de milieuwetgeving dient dit op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.

3. Keuring privéwaterafvoer

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van de privéwaterafvoer verplicht sinds 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12/1, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement. De keuring dient uitgevoerd te worden vóór de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.

Enkel de door Fluvius erkende keurders komen voor deze keuring in aanmerking (zie Keuring riolering | Fluvius).

Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34.

Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.”

Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager.

Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. 

Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceeloppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de gelijkvloerse inkomhal en de nachthal op de 1ste verdieping en dakverdieping.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Slopen

De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de vrijgekomen plaats moet ingericht worden als groenzone voor zover geen nieuwe bebouwing/ verharding voorzien is.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het verbouwen en uitbreiden van een vrijstaande eengezinswoning na het slopen van de aanbouw en het bijgebouw en (her)aanleg van het terrein.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING 

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel van de aanvraag is gelegen aan de Berkenenstraat, een gemeenteweg ten noordoosten van het centrum van Zonhoven.

De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open/ halfopen/ gesloten verband langsheen de straat en aan de achterzijde grenst het terrein aan een ruimer agrarisch gebied dat reikt tot de E314 aan de noordzijde en de N74 aan westelijke zijde. Achter de bebouwing aan de overzijde van de straat is een woonuitbreidingsgebied aanwezig met een groene en vrij open inrichting.

Op het links aanpalende perceel bevindt zich een woning in halfopen bebouwing met 1 bouwlaag en hellend dak die aansluit op de naastliggende halfopen woning met 2 bouwlagen en hellend dak.

Het rechts aangrenzende perceel is thans nog onbebouwd en volgens de geldende verkaveling bestemd voor een eengezinswoning in open verband, de daarnaast gelegen kavel is reeds bebouwd met een open bebouwing.

Aan de overzijde van de straat zijn zowel halfopen als open bebouwingen aanwezig.

Omschrijving van de aanvraag

Het perceel van de aanvraag werd anno 1946 bebouwd met een vrijstaande eengezinswoning met 2 bouwlagen en hellend dak. Links achteraan is een aanbouw aanwezig met 1 bouwlaag en hellend dak en rechts achter de woning een vrijstaand bijgebouw. De woning met aanbouw kan beschouwd worden als zijnde vergund geacht, het vrijstaande bijgebouw (38,86m²) dat op minder dan 1m van de rechter perceelgrens staat, is niet vergund. Er is een vrij ruime verharding aanwezig naar het bijgebouw.

Met de huidige aanvraag wenst men het hoofdgebouw te verbouwen, de bestaande achterbouw en het bijgebouw te slopen, een nieuwe aanbouw te realiseren en de verharding heraan te leggen en deels te verwijderen.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De bestaande woonfunctie blijft ongewijzigd en is inpasbaar in de omgeving met woonfunctie langsheen de straatzijde.

Mobiliteitsimpact

De aanvraag voorziet in een privatieve oprit van 3m breed en ca.12m diep waar 2 wagens gestald kunnen worden.

Het aantal autostaanplaatsen stemt overeen met het aantal woongelegenheden à rato van 1,5 per wooneenheid.

Gelet op het behoud van de woonfunctie valt geen vermeerdering van het aantal vervoersbewegingen te verwachten.

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen

De bestaande inplanting van het hoofdgebouw blijft behouden, de voorgevel situeert zich op 7,70m achter de voorste perceelgrens en deze afstand zal licht gereduceerd worden tot 7,54m door de plaatsing van nieuwe gevelisolatie en de gevelafwerking. Ook de overige afstanden tot de perceelgrenzen verkleinen met ca. 16cm door de aanpassing. De afstanden blijven echter binnen de algemeen gehanteerde afstand van minimaal 3m tot de zijdelingse perceelgrenzen; er resteert 3,82m tot 4,90m aan de linkerzijde en 3,46m tot 3,69m aan de rechterzijde.

Achter het hoofdgebouw met een aangepaste bouwdiepte van 9,17m, wordt de nieuwe aanbouw opgericht over de volledige breedte van 8,42m met een bouwdiepte van 7,83m.

De totale bouwdiepte na de werken bedraagt 17m.

De bouwhoogte van het hoofdgebouw bedraagt maximaal 5,83m (gemeten vanaf het maaiveld op maximaal 30cm boven het peil van de wegas (zie verder “Bodemreliëf”), de nokhoogte komt op maximaal 9,76m en de dakrandhoogte van de nieuwe aanbouw op maximaal 3,59m.

De inplanting en afmetingen voldoen aan de algemeen gehanteerde normen voor bouwhoogte, bouwdiepte en inplanting.

Intern wordt op het gelijkvloers de achterste zone van het hoofdgebouw opengewerkt in functie van de nieuwe aanbouw. Via de voordeur komt men in de inkomhal, rechts vooraan wordt een privaat bureau voorzien met daarachter een tussenhal met toilet en vestiaire. Het achterste deel biedt ruimte aan een berging en een zithoek die overgaat naar de ruime eetruimte en open keuken binnen de aanbouw.

Op de verdieping blijft de indeling met 2 slaapkamers en een badkamer/ sanitair nagenoeg behouden.

De dakverdieping zal ingericht worden met een 3de slaapkamer en technische ruimte.

Uiterlijk wordt gestreefd naar een hedendaags uiterlijk. De rode gevelsteen van het hoofdgebouw wordt volledig voorzien van een witte gevelbepleistering (op de isolatie), het hellend dak krijgt antracietkleurige dakpannen ipv rode en het buitenschrijnwerk in wit geverfd hout wordt vervangen door aluminium met zwarte kleur. Tussen de gevelopeningen worden zwarte aluminium panelen aangebracht als gevelaccent. Voor de aanbouw met plat dak is een gevelafwerking in genuanceerde grijze gevelsteen voorzien.

Het geheel krijgt een harmonieuze en moderne look die een meerwaarde vormt voor het straatbeeld.

Wat de terreinaanleg betreft is er een verbetering merkbaar in de aard van verharding voor de oprit, van asfaltverharding naar de beter waterdoorlatende klinkerverharding. Enerzijds wordt de oprit beperkter in omvang door het verwijderen van het bijgebouw (garage) achteraan de woning, de lengte wordt zo’n 12m (ipv 28,5m), de breedte 3m (=36m²). Anderzijds wordt een terras van 8,42m op 4m (=33,68m²) aangelegd achteraan de woning die uitgebreid wordt met zo’n 13,40m² verharde oppervlakte. De totale bebouwde/ verharde oppervlakte zal nagenoeg hetzelfde blijven. Er zal een zeer mooie  verhouding groen (80%) versus verharde ruimte (20%)resteren op het terrein binnen het woongebied.

Door het verwijderen van het bijgebouw van 38,86m² is er in principe wel een vermindering, er kan evenwel vanuit gegaan worden dat men in de toekomst nog een tuinberging/ bijgebouw zal oprichten volgens de bepalingen van het vrijstellingsbesluit aangezien er geen berging voor tuinmateriaal en -materieel of fietsen voorzien is binnen de woning.

Bodemreliëf

Het terrein is thans 26cm boven het peil van de wegas gelegen tot op een perceeldiepte van ca.23m waarna het afhelt tot ca. 50cm onder het wegpeil en achteraan terug helt naar ca. 10cm boven het wegpeil. De verharding achteraan de woning bevindt zich op 40cm boven het wegpeil, de vloerpas gelijkvloers op 55cm boven het wegpeil.

Met de voorziene werken wordt een ophoging voorzien tot een perceeldiepte van ongeveer 28,50m tot op 40cm boven het wegpeil; vanaf de voorgevellijn over zo’n 4,5m diepte wenst men langzaam aan te hogen met 14cm en dit tot de achterzijde van het (nieuwe) terras.

Een ophoging van het bodemreliëf is slechts toegelaten tot op gelijke hoogte of tot op maximaal 30cm boven het straat- of trottoirniveau.

De ophoging van de zone rond de woning dient dus beperkt te worden tot maximaal 30cm boven het wegpeil ipv de voorziene 40cm.

De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven zoals aangegeven op de plannen. 

Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving op voorwaarde dat de terreinophoging beperkt wordt tot maximaal 30cm boven het wegpeil ipv de voorziene 40cm.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 21/09/2021 van rioleringsbeheerder Fluvius is voorwaardelijk gunstig zoals reeds hoger aangehaald. De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies dienen gevolgd te worden.

De gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening op voorwaarde dat de terreinophoging beperkt wordt tot maximaal 30cm boven het wegpeil ipv de voorziene 40cm.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en  bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een vrijstaande eengezinswoning na het slopen van de aanbouw en het bijgebouw en (her)aanleg van het terrein, op voorwaarde dat de terreinophoging beperkt wordt tot maximaal 30cm boven het wegpeil ipv de voorziene 40cm.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het verbouwen en uitbreiden van een vrijstaande eengezinswoning na het slopen van de aanbouw en het bijgebouw en (her)aanleg van het terrein, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. De ophoging van het bodemreliëf is slechts toegelaten tot op maximaal 30cm boven het peil van de wegas in plaats van de voorziene ophoging tot 40cm. De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
    Riolering:
  2. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden opgelegd in het advies van rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be ), zoals gevoegd in bijlage;
  3. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  4. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  5. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  6. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  7. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  8. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  9. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  10. De hoogstammige bomen en groenelementen die niet aangegeven zijn op het inplantingsplan als te rooien/ te verwijderen, dienen behouden te blijven. 
  11. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  12. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  13. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
  14. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  15. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de vrijgekomen plaats moet ingericht worden als groenzone voor zover geen nieuwe bebouwing/ verharding voorzien is. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  16. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  17. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 18/10/2021 tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het verbouwen en uitbreiden van een vrijstaande eengezinswoning na het slopen van de aanbouw en het bijgebouw en (her)aanleg van het terrein, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. De ophoging van het bodemreliëf is slechts toegelaten tot op maximaal 30cm boven het peil van de wegas in plaats van de voorziene ophoging tot 40cm. De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
    Riolering:
  2. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden opgelegd in het advies van rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be ), zoals gevoegd in bijlage;
  3. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  4. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  5. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  6. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  7. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  8. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  9. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  10. De hoogstammige bomen en groenelementen die niet aangegeven zijn op het inplantingsplan als te rooien/ te verwijderen, dienen behouden te blijven. 
  11. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  12. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  13. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
  14. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  15. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de vrijgekomen plaats moet ingericht worden als groenzone voor zover geen nieuwe bebouwing/ verharding voorzien is. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  16. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  17. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.