Terug
Gepubliceerd op 04/08/2021

2021_CBS_00847 - OMV - Vergunning - Bunderweg 6 - 2021/00083 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 20/07/2021 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Bart Telen, Algemeen directeur

Verontschuldigd

Bram De Raeve, 1ste schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2021_CBS_00847 - OMV - Vergunning - Bunderweg 6 - 2021/00083 - Goedkeuring 2021_CBS_00847 - OMV - Vergunning - Bunderweg 6 - 2021/00083 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een vrijstaand bijgebouw en de inrichting van het terrein.

De aanvraag werd op 15/03/2021 ontvangen en op 08/04/2021 ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 18/04/2021 tot en met 17/05/2021, gesloten met 0 bezwaarschriften.

GEGEVENS VAN HET BEDRIJF 

De activiteiten van het bedrijf Benza nv zijn de volgende: verhuur en exploitatie van eigen of geleased onroerend goed.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 7204.V.82/6: verkavelingsvergunning op 10/11/1982 voor 4 loten open bebouwing.

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie op 24/11/2020 (VB_2016_126) voor wat betreft de van toepassing zijnde voorschriften en inplanting van het gebouw. De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk advies. 

Vraag 24/11/2020

1-Zijn er voor dit perceel voorschriften? – Verkavelingsvoorschriften / gemeentelijke verordening / bpa / ..

2-Wij zouden de woning (ruw weergegeven) als volgt willen inplanten

Met de linkerhoek sluiten we dan aan op de lijn van de bebouwing links van de woning, maar we kantelen de woning iets tov de andere woningen zodat we meer loodrecht op de weg komen en meer evenwijdig met de perceelsgrenzen.

Zo wordt er ruimtelijk ook een betere overgang gemaakt met de woning met huisnummer 17 (Ekkersputstraat)

Antwoord 01/12/2020

Het perceel 1ste afdeling, sectie B, nr. 202P, gelegen langs de Bunderweg (rechts van huisnummer 8) is begrepen in de verkaveling 7204.V.82/6. (plan, vergunning en voorschriften kan u in bijlage ter info terugvinden)

Gezien deze verkaveling ouder is dan 15 jaar vormen de voorschriften geen weigeringsgrond meer.

Er zal een aftoetsing gebeuren aan de goede ruimtelijke ordening.

Mocht binnen een omgevingsaanvraag blijken dat uw aanvraag niet voldoet aan deze verkavelingsvoorschriften zal er binnen de omgevingsaanvraag wel nog een afwijkingsprocedure met bijhorend openbaar onderzoek doorlopen worden.

Rekening houdend met de ondiepe zone van woongebied binnen het gewestplan Hasselt-Genk, een duidelijke inplantingslijn in de straat, de reeds grote voortuinen (> 8m) en het streven naar een evenwijdige inplanting t.o.v. de weg is de voorgestelde inplanting niet gewenst.

Mogelijk kan u de piste van een trapsgewijze verschuiving van de voorgevel onderzoeken.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 18/04/2021 tot en met 17/05/2021.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Dienst Patrimonium

Dienst Contractmanagement

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in woongebied en deels gelegen in woonuitbreidingsgebied. 

Woongebied

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen en latere wijzigingen).

Woonuitbreidingsgebied

De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de  ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel de overheid geen besluit tot vaststelling van de uitgaven voor de voorziening heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor.

De woonuitbreidingsgebieden zijn bij uitstek die zones waar aan een woningbeleid kan worden gedaan; Voor het aansnijden van de woonuitbreidingsgebieden is het nodig te kunnen beschikken over bijkomende gegevens, zoals bepaald in het KB van 6 januari 1980.

Bij de ontwikkeling van woonuitbreidingsgebieden dient een woonbehoeftestudie te worden voorgelegd ter verantwoording van de te creëren bijkomende woongelegenheden.

De inrichting van het gedeelte woonuitbreidingsgebied binnen het perceel van de aanvraag is gekend door het afleveren van de verkavelingsvergunning 7204.V.82/6 dd. 10/11/1982.

De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg, noch in een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Verkaveling

Het goed is gekend als lot 1 binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde verkaveling, waarvan de vergunning is afgeleverd op 10/11/1982 door het college van burgemeester en schepenen en gekend is onder nummer 7204.V.82/6. De verkavelingsvergunning is voor dit perceel niet vervallen. 

De kavel kreeg als bestemming eengezinswoning.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften maar niet aan de verkavelingsvoorschriften. 

Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de bepalingen zoals voorgeschreven in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd door het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (zgn. Codextrein).

De Codextrein voorziet wijzigingen met als doel het verruimen van de mogelijkheden om ruimtelijk rendement te optimaliseren en het versoepelen van procedures.

Artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat de onverenigbaarheid van de aanvraag met de verkavelingsvoorschriften, binnen de omschrijving van een goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen, ouder dan 15 jaar, niet langer een weigeringsgrond vormt voor de aanvraag.

Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft voorschriften betreffende wegenis en openbaar groen.

De aanvraag betreft geen van deze elementen en kan dus niet geweigerd worden op basis van onverenigbaarheid met de voorschriften.

Tenslotte dient de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening(zie “Toetsing aan de goede ruimtelijke ordening”).

De aanvraag wijkt af van de voorschriften van verkaveling 7204.V.82/6 dd. 10/11/1982

  • Titel I, artikel 1.b) geeft aan dat het bestaande maaiveld zo weinig mogelijk veranderd dient te worden. Het ontwerp voorziet een ophoging van ca. 20cm over een perceeldiepte van ca. 30m. Het maaiveld wordt verhoogd tot 40cm boven het wegpeil, de vloerpas gelijkvloers tot op 50cm boven het wegpeil.
  • Titel II, artikel 8 Inplanting, a) zoals grafisch aangeduid op plan (bouwlijn op 8m tot de voorste perceelgrens.

In het ontwerp wordt de voorgevellijn voorzien op 12m tot de voorste perceelgrens.

  • Titel II, artikel 9 Afmetingen – B. alleenstaande gebouwen
    1. 1. Bouwdiepte: 14m + 3m voor aanhorigheden. Door de diepere inplanting van de woning komt de achtergevellijn van het gelijkvloers tot op 19m tov de bouwlijn (verdieping tot op 16m);
    2. 2. Bouwhoogte: 1 bouwlaag met een kroonlijsthoogte tussen 2,80m en 3,50m. De woning krijgt deels een 2de bouwlaag. De hoogte varieert van 3,75m tot 6,68m tov het (opgehoogde) maaiveld;
    3. Dakhelling: tussen de 25° en 45°. Het ontwerp voorziet een uitvoering met platte daken;
    4. 4. Bouwbreedte: maximale breedte 2/3 van de kavelbreedte zonder de 20m te overschrijden. De totale breedte is voorzien op 21m ipv 17,67m (2/3de ).

Vrijstelling vergunningsplicht 

Volgens art. 2.1.11° van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, in werking getreden op 1 december 2010, is de aanvraag voor het bouwen van de tuinberging/ tuinkamer in de achtertuin zonder voorwerp. De oppervlakte van het vrijstaande bijgebouw bedraagt minder dan 40 m² (39,6m²), de hoogte bedraagt 3m het gebouw bevindt zich op minder dan 30 m van de op te richten woning en op minstens 2m afstand tot de perceelgrenzen.

Er wordt besloten dat de aanvraag zonder voorwerp is voor de bouw van de tuinberging/ tuinkamer in de achtertuin. Hierover wordt dan ook geen uitspraak gedaan.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw opgerichte woning (292,94m²) en het bijgebouw (39,6 m²) met een totale horizontale dakoppervlakte van 332,54m², 2 hemelwaterputten worden voorzien met elk een inhoud van 10 000 liter (totaal 20 000 liter) en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik, wasmachine en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratieput met een inhoud van 7500 liter en een infiltratieoppervlakte van 11,54m².

De voorzieningen voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren door het gebruik van een waterdoorlatende verharding en/ of afwatering in de aangrenzende groenzones op eigen terrein.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. 

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag dienen volgende voorwaarden en opmerkingen gevolgd te worden:

  • het hemelwater en afvalwater moeten afzonderlijk afgevoerd worden tot vlak voor het openbaar domein om apart aan te sluiten op het gescheiden rioleringsstelsel in de straat.
  • Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager;
  • Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Standaardbepalingen rioleringsbeheerder Fluvius omgevingsvergunningen

Algemene bepalingen betreffende riolering en waterafvoer:

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van de rioolbeheerder Fluvius na te leven. Daarnaast dient de aanvrager de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II na te leven voor de afvoer van hemel- en afvalwater. 
  • Indien voor het bouwproject een aansluiting op de openbare riolering noodzakelijk is dan dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning zijn aanvraag tot aansluiting op het openbaar saneringsnetwerk online aan te vragen via de website van Fluvius: www.fluvius.be. Fluvius bepaalt de locatie en diepte van de huisaansluitingen. Alleen Fluvius of een door haar aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting dat in het openbaar domein ligt tot aan de perceelsgrens van de eigendom
  • De klant dient zelf in te staan voor het plaatsen van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake, ondermeer dient voldaan te zijn aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater van 5/07/2013 (GSV “hemelwater”).
  • Indien de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs indien dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning opgelegd is, behoudt Fluvius het recht om de woning niet aan te sluiten op het rioleringsnet.
  • Indien de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften hebben deze voorschriften voorrang.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op vuilwaterafvoerleidingen aangezien in deze putjes vaak verstopping optreedt en alle toestellen in de woning in principe reeds over een waterslot/sifon beschikken.
  • In het kader van herbruik van hemelwater, het water van de hemelwaterput voor de spoeling van alle WC’s, kranen voor kuiswater en wasmachines in deze werken te gebruiken.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • De noodzakelijke ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel (bvb: ontluchtingspijp door dak).

Keuring privéwaterafvoer

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van privéwaterafvoer verplicht vanaf 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar saneringsnet dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement en dit bij de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.  Enkel de door Fluvius erkende keurders komen hiervoor in aanmerking (een lijst kan u terugvinden op de website van Fluvius: www.fluvius.be).

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Artikel 4.3.8. Rooilijnplan

§ 1. Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, kan geen vergunning verleend worden voor het bouwen, verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een constructie op een stuk grond dat door een rooilijn of een achteruitbouwstrook is getroffen, met uitzondering van de gevallen waarin voldaan is aan een van volgende voorwaarden:

1° de aanvraag heeft louter betrekking op onderhouds- of stabiliteitswerken aan een vergunde of vergund geachte constructie;
2° de aanvraag heeft louter betrekking op sloop- of aanpassingswerken die tot gevolg hebben dat de constructie aan de rooilijn of achteruitbouwstrook wordt aangepast;
3° de aanvraag heeft betrekking op de verbouwing van een monument dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is, of een constructie die deel uitmaakt van een stads- of dorpsgezicht of een cultuurhistorisch landschap dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is;
4° de aanvraag heeft louter betrekking op het aanbrengen van gevelisolatie aan een bestaande vergunde of vergund geachte constructie, met een overschrijding van ten hoogste veertien centimeter.
In afwijking van het eerste lid mag een vergunning worden verleend:
1° die afwijkt van de rooilijn als uit het advies van de wegbeheerder blijkt dat de rooilijn niet binnen vijf jaar na de afgifte van de vergunning zal worden gerealiseerd. Als er na het verstrijken van die termijn wordt onteigend, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde handelingen voortvloeit;
2° die afwijkt van de achteruitbouwstrook als de wegbeheerder een gunstig advies heeft gegeven.
 Werkzaamheden en handelingen waarvoor geen vergunning is vereist, mogen onder dezelfde voorwaarden als vermeld in het eerste en tweede lid worden uitgevoerd na machtiging van de wegbeheerder.

Het perceel is gelegen aan een gemeenteweg.

Op de voorliggende weg is de door de Minister op 05/02/1991 goedgekeurde rooilijn van kracht. 

Inzake de realisatie van het goedgekeurde rooilijn- en onteigeningsplan, werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan de gemeentelijke diensten Patrimonium en Contractmanagement.

Op 17/05/2021 werd door de dienst Patrimonium aangegeven dat de rooilijn zich op 6m uit de wegas bevindt maar tot op heden nog geen grondverwerving werd doorgevoerd om deze effectief te realiseren. De aanvragers/ eigenaars dienen hier rekening mee te houden; op het ingediende inplantingsplan werd de rooilijn ingetekend op 4m uit de wegas.

Op 15/04/2021 werd door de dienst Contractmanagement aangegeven dat tot op heden voor het betreffende perceel geen grondverwerving gerealiseerd werd.

Uit de adviezen en plannen kan geconcludeerd worden dat de aangevraagde werken niet in strijd zijn met het rooilijnplan maar dat naar de toekomst toe rekening gehouden moet worden met de feitelijke ligging van de rooilijn. Aangezien de eengezinswoning op 12m uit de huidige voorste perceelgrens voorzien wordt, zullen geen problemen ontstaan qua inplanting of diepte van de voortuinstrook bij realisatie van de rooilijn. De afstand van de woning tot de voorste perceelgrens zal daarna nog ca. 10m bedragen.

De aanvraag is niet in strijd met dit rooilijnplan.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceeloppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de kelder, de garage gelijkvloers en nachthal op de verdieping.

Opmerking: de plaatsing van rookmelders in ruimtes waar dampen en rookgassen gebruikelijk kunnen voorkomen (garages, keukens, badkamers en ook wasplaats) kan aanleiding geven tot valse meldingen. Hier is het meer aangewezen een hittemelder te plaatsen.

Het is aangewezen om rookmelders te plaatsen in elke ruimte waar u doorheen moet op weg naar buiten (zoals inkomhal, doorgang, nachthal, traphal…).

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt dat mogelijk een grondverzet (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. Het grondvolume voor realisatie van de kelder en funderingen/ putten hemelwater… werd niet opgegeven. Een gedeelte van de grond kan gebruikt worden voor ophoging van het maaiveld. De regelgeving omtrent grondverzet is van toepassing indien effectief meer dan 250m³ grond aan- of afgevoerd wordt.

Erfscheidingen, erfdienstbaarheden, gemene muren

Vergunningen hebben een zakelijk karakter. Zij worden verleend onder voorbehoud van de op het onroerend goed betrokken burgerlijke rechten.

Het is niet de taak van de administratieve overheid zich uit te spreken over het bestaan, de interpretatie en de omvang van subjectieve rechten, zoals bijvoorbeeld het plaatsen van erfscheidingen.

De aanvrager wordt erop gewezen dat omtrent de erfscheidingen geen afbreuk wordt gedaan aan de burgerlijke rechten van de betrokken aanpalende eigenaars   door het afleveren van een omgevingsvergunning.

Dat het aangewezen is hieromtrent een (schriftelijke) overeenkomst/ akkoordverklaring te bekomen alvorens aan te vatten met de werken.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving. 

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een vrijstaand bijgebouw en de inrichting van het terrein.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING 

Aanvragen binnen goedgekeurde, niet vervallen verkavelingen ouder dan 15 jaar waarvan onverenigbaarheid met de stedenbouwkundige voorschriften geen grond voor weigering van de aanvraag vormt
Artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat binnen de omschrijving van een goedgekeurde, niet vervallen verkavelingen ouder dan 15 jaar onverenigbaarheid van de aanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften niet langer een grond vormt voor weigering van de aanvraag.
De hierboven vermelde goedgekeurde, niet vervallen verkaveling is goedgekeurd dd. 10/11/1982 ( datum aanvullen ) en dus komt de aanvraag principieel in aanmerking voor deze regeling.
 Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft voorschriften betreffende wegenis en openbaar groen. Het betreft geen van deze elementen en dus kan de aanvraag niet geweigerd worden op basis van onverenigbaarheid met de voorschriften. 

De aanvraag wijkt af van de voorschriften van verkaveling 7204.V.82/6 dd. 10/11/1982

  • Titel I, artikel 1.b) geeft aan dat het bestaande maaiveld zo weinig mogelijk veranderd dient te worden. Het ontwerp voorziet een ophoging van ca. 20cm over een perceeldiepte van ca. 30m. Het maaiveld wordt verhoogd tot 40cm boven het wegpeil, de vloerpas gelijkvloers tot op 50cm boven het wegpeil.
  • Titel II, artikel 8 Inplanting, a) zoals grafisch aangeduid op plan (bouwlijn op 8m tot de voorste perceelgrens.

In het ontwerp wordt de voorgevellijn voorzien op 12m tot de voorste perceelgrens.

  • Titel II, artikel 9 Afmetingen – B. alleenstaande gebouwen
    1. 1. Bouwdiepte: 14m + 3m voor aanhorigheden. Door de diepere inplanting van de woning komt de achtergevellijn van het gelijkvloers tot op 19m tov de bouwlijn (verdieping tot op 16m);
    2. 2. Bouwhoogte: 1 bouwlaag met een kroonlijsthoogte tussen 2,80m en 3,50m. De woning krijgt deels een 2de bouwlaag. De hoogte varieert van 3,75m tot 6,68m tov het (opgehoogde) maaiveld;
    3. Dakhelling: tussen de 25° en 45°. Het ontwerp voorziet een uitvoering met platte daken;
    4. 4. Bouwbreedte: maximale breedte 2/3 van de kavelbreedte zonder de 20m te overschrijden. De totale breedte is voorzien op 21m ipv 17,67m (2/3de ).

De aanvraag dient getoetst aan de goede ruimtelijke ordening.

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel van de aanvraag is gelegen aan de Bunderweg, een (doodlopende) gemeenteweg die aansluit op de Ekkersputstraat ten noordnoordwesten van het centrum van Zonhoven.

De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open en halfopen verband en de achterliggende gronden aan de Bunderweg hebben een groene inrichting verkregen (weilanden met bomenrijen).

Het perceel links van de aanvraag werd anno 1961 bebouwd met een vrijstaande woning, de aangrenzende percelen langsheen de Ekkersputstraat werden eveneens bebouwd met vrijstaande woningen. Aan de overzijde zijn een aantal onbebouwde, groen ingerichte percelen aanwezig.

Omschrijving van de aanvraag

Het perceel van de aanvraag is thans onbebouwd en maakt deel uit van een goedgekeurde verkaveling.

Men wenst het goed te bebouwen met een vrijstaande eengezinswoning en een vrijstaand bijgebouw en het terrein in te richten in functie van de woning.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

Wat betreft de bestemming wordt niet afgeweken van de verkavelingsvoorschriften, de functie “eengezinswoning” is verenigbaar met de bestemming van het perceel en de woonfuncties in de omgeving.

Mobiliteitsimpact

De aanvraag voorziet in een dubbele interne garage en op de voorliggende oprit kunnen tot 4 wagens parkeren. De mogelijkheid tot het stallen van 6 voertuigen op eigen terrein is ruim voldoende voor 1 woongelegenheid.

De realisatie van de eengezinswoning zal geen ongewenste toename van verkeersbewegingen met zich meebrengen.

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen

Het perceel heeft een straatbreedte van 26,50m en een perceeldiepte van ca. 48,72m aan de linkerzijde en ca. 55,28m aan rechterzijde. De zijdelingse perceelgrenzen lopen schuin naar links toe tegenover de voorste perceelgrens.

De inplanting van de voorgevel is voorzien op 12m uit de voorste perceelgrens. Binnen de verkaveling wordt een inplanting op 8m uit de (nieuwe) rooilijn aangegeven. In feite komt de inplanting neer op 10m afstand tot het te realiseren rooilijnplan dd. 05/02/1991. 

Men volgt hier enigszins de inplanting van de links gelegen woningen met de bouwlijn nagenoeg evenwijdig met de straat.

Visueel gezien is er geen bezwaar tegen de iets diepere inplanting, er dient wel nagegaan te worden of er geen negatieve impact door ontstaat wat betreft de bouwdieptes van de te realiseren woning en de resterende zone voor achtertuin.

De minimale afstand van de woning tot de zijdelingse perceelgrenzen bedraagt 3m en achteraan resteert nog zo’n 22m diepe tuinzone.

De woning bestaat uit 3 verschillende volumes, afgewerkt met een plat dak, waarvan 2 volumes met 1 bouwlaag en 1 volume met 2 bouwlagen. Door  het samenspel van deze volumes ontstaat een mooi eigentijds architecturaal geheel dat niet te zwaar overkomt en inpasbaar is in de omgeving waar tot op heden een eerder klassieke bouwvorm primeert met 1 tot 1 ½ bouwlaag en hellend dak.

De totale bouwdiepte van het gelijkvloers bedraagt 15m vanaf de voorgevellijn en de bouwdiepte op de verdieping bedraagt 12m vanaf de voorgevellijn.

De gelijkvloerse volumes hebben een totale bouwbreedte van 21m, het volume met 2 bouwlagen heeft een breedte van 10,30m.

Het volume op de verdieping wijkt enigszins af van de algemeen gehanteerde bouwdiepte (tot 10m) voor de verdieping maar kan hier aanvaard worden omdat voldoende afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen aangehouden wordt (minimaal 5,70m links en minimaal 9m rechts) en omdat geen raamopeningen in de zijgevels voorzien worden voorbij een bouwdiepte van 7m.

De bouwhoogte van het gelijkvloers bedraagt 3,20m à 3,75m, gemeten vanaf het maaiveld, en 6,68m voor de bovenste dakrand van de verdieping. De licht afwijkende hoogte van de 2de bouwlaag (18cm boven de gebruikelijke 6,50m) komt door de dakopbouw die een dikte heeft van 70cm tussen het plafond van de 2de verdieping en bovenste dakrand.

Gelet op de beperkte omvang en situering van het volume zal dit geen noemenswaardige impact hebben op het straatbeeld.

Een gedeelte van de woning (rechts vooraan) wordt onderkelderd in functie van bergruimte.

Op het gelijkvloers situeren zich de inkomhal met toilet en vestiaire (noot: op het plan ontbreekt de toegang tot het toilet), de ruime zithoek, eetkamer en open keuken, traphal, bijkeuken met lift, een fietsenberging en de dubbele garage.

Op de verdieping zijn 2 ruime slaapkamers voorzien waarvan 1 met aansluitende dressing en badkamer. Verder zijn een apart toilet, een doucheruimte en een open bureauruimte voorzien.

De woning wordt traditioneel opgericht en krijgt een gevelafwerking in een grijs genuanceerde gevelsteen en accenten in zwartkleurige vezelcementplaten. Het buitenschrijnwerk is voorzien in aluminium met zwarte kleur en in geprofileerd aluminium met zwarte kleur voor de poorten.

De gevelmaterialen voor het (vrijgestelde) bijgebouw zijn analoog aan deze van het hoofdgebouw.

Ter hoogte van de inkomzone wordt op 1,50m achter de voorgevellijn een tuinmuur ingeplant met een hoogte van 1,80m over een breedte van bijna 12m (tot op 0,30m tot de linker perceelgrens) die zorgt voor meer privacy voor de leefruimtes en tevens als afsluiting fungeert. De tuinmuur is ook in grijs genuanceerde gevelsteen afgewerkt en vormt een architecturaal element met meerdere praktische functies. Aan de rechterzijde van de woning wordt een poort voorzien met een hoogte van 2,20m. In principe kan deze afsluiting slechts tot een hoogte van 2m toegestaan worden doch men heeft hier de intentie om een visuele doortrekking van de garagepoort tot de rechter perceelgrens te maken, eveneens in geprofileerd zwartkleurig aluminium. De hoogte beperken tot 2m zou de architecturale meerwaarde teniet doen.

Voor de overige erfscheidingen voorziet men een draadafsluiting van 1,80m hoog, grotendeels aangevuld met een groenaanplanting (coniferenhaag) tot 1,80m hoogte op voldoende afstand tot grenzen ingeplant.

Hierbij dient opgemerkt dat in de voortuinstrook, voor minstens de 1ste 5m perceeldiepte, geen gesloten afsluitingen   (zoals panelen, doeken, hagen, klimop…) hoger dan 1m voorzien mogen worden in functie van de zichtbaarheid voor het verkeer.

Aan de achterzijde van de woning wordt een terras aangelegd van ca. 73m² alsook aan het bijgebouw rechts achteraan de tuinzone is een terras van 48,6m² voorzien. Links achteraan de tuin wordt een smalle lange waterpartij aangelegd en voor het overige wordt overal een groenaanplant voorzien (gazon, hagen, enkele boompjes). Naast de toegangen tot de woning wordt ook de voortuin met voldoende groen ingericht.

Het totaal verhardingspercentage  op het terrein bedraagt minder dan 40% ; een bebouwing 292,94 + 39,6 = 332,54m² en verharding van 220,73m², zijnde 553,27m² (40% = 584,4m²).

Bodemreliëf

Volgens de ingediende plannen wenst men het terrein op te hogen tot 40cm boven het peil van de wegas. De ophoging mag slechts uitgevoerd worden tot op 30cm boven het wegpeil, de bouwhoogtes van de constructies zoals hoger aangegeven, tegenover het maaiveld, dienen behouden te blijven.

Een ophoging van het bodemreliëf is slechts toegelaten tot op gelijke hoogte of tot op maximaal 30cm boven het straat- of trottoirniveau. De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de (ontworpen) rooilijn/ voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving op voorwaarde dat:

  • De terreinophoging slechts uitgevoerd wordt tot op 30cm boven het wegpeil;
  • In de voortuin geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m binnen de 1ste 5m perceeldiepte.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 15/04/2021 van de dienst Contractmanagement is voorwaardelijk gunstig zoals reeds hoger aangehaald  (zie “decretale beoordelingselementen”).
  • Het advies van 17/05/2021 van de dienst Patrimonium is voorwaardelijk gunstig zoals reeds hoger aangehaald   (zie “decretale beoordelingselementen”).

De gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij deze adviezen.

De aangevraagde werken niet in strijd zijn met het rooilijnplan maar naar de toekomst toe dient rekening gehouden te worden met de feitelijke ligging van de rooilijn. Aangezien de eengezinswoning op 12m uit de huidige voorste perceelgrens voorzien wordt, zullen geen problemen ontstaan qua inplanting of diepte van de voortuinstrook bij realisatie van de rooilijn. De afstand van de woning tot de voorste perceelgrens zal daarna nog ca. 10m bedragen.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening mits:

  • De terreinophoging slechts uitgevoerd wordt tot op 30cm boven het wegpeil;
  • In de voortuin geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m, binnen de 1ste 5m perceeldiepte.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een vrijstaand bijgebouw en de inrichting van het terrein mits het opleggen van voorwaarden:

  • De terreinophoging slechts uitgevoerd wordt tot op 30cm boven het wegpeil;
  • In de voortuin geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m binnen de 1ste 5m perceeldiepte.

Er wordt geen uitspraak gedaan over het bouwen van de tuinberging/ tuinkamer in de achtertuin omdat deze constructie valt onder toepassing van het vrijstellingsbesluit eerder omschreven.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een vrijstaand bijgebouw en de inrichting van het terrein zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. De terreinophoging mag slechts uitgevoerd wordt tot op 30cm boven het wegpeil. Ophogingen van het bodemreliëf zijn slechts toegelaten tot op gelijke hoogte of tot op maximaal 30cm boven het straat- of trottoirniveau. De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  2. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m binnen de 1ste 5m perceeldiepte; 
    Riolering:
  3. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be );
  4. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be);
  5. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  6. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  7. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  8. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  9. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  10. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  11. Uitgezonderd de inrit tot de dubbele garage met een breedte van 5,30 meter, dient het perceel ter hoogte van de voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  12. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  13. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  14. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  15. Met betrekking tot de uitvoering van de erfscheidingen / aanplantingen op de scheiding, dient principieel met de buren een overeenkomst afgesloten te worden alvorens aan te vatten met de werken conform het Burgerlijk Wetboek;
  16. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  17. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  18. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 15/07/2021 omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek, het afwijken van de verkavelingsvoorschriften en tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Er wordt geen uitspraak gedaan over het bouwen van de tuinberging/ tuinkamer in de achtertuin omdat deze constructie valt onder toepassing van het vrijstellingsbesluit eerder omschreven.

De omgevingsvergunning omvat het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en de inrichting van het terrein, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. De terreinophoging mag slechts uitgevoerd wordt tot op 30cm boven het wegpeil. Ophogingen van het bodemreliëf zijn slechts toegelaten tot op gelijke hoogte of tot op maximaal 30cm boven het straat- of trottoirniveau. De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  2. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m binnen de 1ste 5m perceeldiepte; 
    Riolering:
  3. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be );
  4. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be);
  5. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  6. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  7. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  8. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  9. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  10. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  11. Uitgezonderd de inrit tot de dubbele garage met een breedte van 5,30 meter, dient het perceel ter hoogte van de voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  12. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  13. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  14. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  15. Met betrekking tot de uitvoering van de erfscheidingen / aanplantingen op de scheiding, dient principieel met de buren een overeenkomst afgesloten te worden alvorens aan te vatten met de werken conform het Burgerlijk Wetboek;
  16. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  17. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  18. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
  19. Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.