Terug
Gepubliceerd op 01/12/2021

2021_CBS_01271 - OMV - Vergunning - Grote Hemmenweg 159 - 2021/00219 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 23/11/2021 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2021_CBS_01271 - OMV - Vergunning - Grote Hemmenweg 159 - 2021/00219 - Goedkeuring 2021_CBS_01271 - OMV - Vergunning - Grote Hemmenweg 159 - 2021/00219 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 2 bomen, het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning, het bouwen van een bijgebouw, het aanleggen van een zwembad met tijdelijke bronbemaling voor de kelderwerken van de woning.

De aanvraag werd op 8 juli 2021 ontvangen.

Op 6 augustus 2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 9 augustus 2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 10 augustus 2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden lopende van 20 augustus 2021 tot en met 18 september 2021.

De eigenaars van de aanpalende percelen werden verzocht hun standpunt kenbaar te maken.

Het openbaar onderzoek werd gesloten zonder bezwaarschriften.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

Op 10 februari 1969 werd een verkavelingsweigering afgeleverd voor het verkavelen van de percelen.

De aanvrager ging in beroep bij de deputatie.   De deputatie besliste de aanvraag tevens te weigeren.  (7204.V.242/1)

Op 7 december 1970 werd een verkavelingsweigering afgeleverd voor het verkavelen van de percelen.

De aanvrager ging in beroep bij de deputatie.   De deputatie besliste een verkavelingsvergunning af te leveren.  (7204.V.242)

Op 13 augustus 1971 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een woonhuis.  (1971/00070)

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie (VB_2020_131)

“Wij hebben uw ontwerpvoorstel intern met de dienst besproken.
Ik kan u het volgende meedelen:
* De totale oppervlakte van het bijgebouw mag maximum 60m² bedragen
* Ook de totale hoogte van het bijgebouw lijkt ons hoog te zijn (5,30 meter)
* Het burgerlijk wetboek stelt ook dat gevelopeningen zich ten opzichte van de aanpalende percelen op minimum 1,90 meter moeten voorzien worden.
   In uw ontwerp bevinden de raamopeningen zich op 1,00 meter van de achterste aanpalende eigenaar/perceel.
* Bovendien is het perceel vermoedelijk gedeeltelijk (achterste stuk) gelegen in habitatgebied.
   Hiervoor is het advies van het Agentschap Natuur en Bos nodig.
* De oppervlakte aan verhardingen welke werd voorzien is het absolute maximum.
* Het voorziene terreinprofiel zal duidelijk moeten worden weergegeven.
   Er zal een profiel moeten toegevoegd worden van het perceel en de linker en rechter percelen.
   Dit om mogelijke hinder ten opzichte van de buren in kaart te brengen. Het terreinniveau zal afgetoetst worden met de buren.”

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg / advies.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.

Uit het aanvraagdossier / de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag constructies en/ of handelingen werden opgericht/ verricht/ aanwezig zijn, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft een bijgebouw.

Deze wederrechtelijk opgerichte constructies/ uitgevoerde handelingen werden opgenomen in de huidige aanvraag als te verwijderen.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 20 augustus 2021 tot en met 18 september 2021.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Fluvius

Dienst Facilitair Management (Werken in eigen beheer)

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, gelegen in woongebied met landelijk karakter.

De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd “voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Zowel bewoning als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied, en beide bestemmingen staan er op gelijke voet. Daarnaast kunnen eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten, zoals in woongebied worden toegelaten (artikel 6 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

Verkaveling

Het goed is gekend als lot 9 binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde verkaveling, waarvan de vergunning is afgeleverd op 4 februari 1971 door de deputatie.  (7204.V.242)

De verkavelingsvergunning is voor dit perceel niet vervallen.

De kavel kreeg als bestemming residentieel gebruik en/of handelshuizen.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften maar niet aan de verkavelingsvoorschriften. 

De aanvraag wijkt af van volgende verkavelingsvoorschriften:

  • Inplanting woning (art. 8b):

De verkavelingsvoorschriften bepalen dat woning dient ingeplant te worden op minimum 5m van de zijdelingse perceelgrenzen.

Het ontwerp voorziet de inplanting van de woning op minimum 3m van de zijdelingse perceelgrenzen.

  • Bouwbreedte woning (art. 9):

De verkavelingsvoorschriften bepalen dat de bouwbreedte van de woning maximum 15m mag bedragen.

Het ontwerp voorziet een bouwbreedte van maximum 18,93m.

  • Kroonlijsthoogte woning (art. 9):

De verkavelingsvoorschriften bepalen dat de kroonlijsthoogte van de woning maximum 6m mag bedragen tussen het grondpeil en de kroonlijst.

Het ontwerp voorziet de maximale kroonlijsthoogte van 6,50m ten opzichte van het maaiveld.

  • Dakhelling woning (art. 9):

De verkavelingsvoorschriften bepalen dat de dakhelling van de woning gelegen moet zijn tussen 25° en 40°.

Het ontwerp voorziet een dakhelling tussen 44° en 55°.

  • Inplanting bijgebouw (art. 2):

De verkavelingsvoorschriften bepalen dat de bijgebouwen dienen ingeplant te worden op een minimum afstand tot de perceelgrenzen gelijk aan de hoogte van het bijgebouw.

Het ontwerp voorziet de inplanting van het bijgebouw op minimum 1m van de achterste perceelgrens en tegen de rechter perceelgrens.

  • Oppervlakte bijgebouw (art. 2):

De verkavelingsvoorschriften bepalen dat de totale oppervlakte van de bijgebouwen maximum 30m² mag bedragen.

Het ontwerp voorziet een bijgebouw met een oppervlakte van 77m².

Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de bepalingen zoals voorgeschreven in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd door het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (zgn. Codextrein).

De Codextrein voorziet wijzigingen met als doel het verruimen van de mogelijkheden om ruimtelijk rendement te optimaliseren en het versoepelen van procedures.

Artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat de onverenigbaarheid van de aanvraag met de verkavelingsvoorschriften, binnen de omschrijving van een goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen, ouder dan 15 jaar, niet langer een weigeringsgrond vormt voor de aanvraag.

Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft voorschriften betreffende wegenis en openbaar groen.

De aanvraag betreft geen van deze elementen en kan dus niet geweigerd worden op basis van onverenigbaarheid met de voorschriften.

Tenslotte dient de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening (zie “Toetsing aan de goede ruimtelijke ordening”).

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw opgerichte woning met een horizontale dakoppervlakte van 232m² een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 10 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening waarvan de oppervlakte (17,62m²) en het volume (6 000 liter) voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Op 27 augustus 2021 verleende Fluvius een voorwaardelijk gunstig advies, nl.:

“Naar aanleiding van uw brief/mail van 10-08-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 2, sectie C, nummer(s) 957V, kunnen we een voorwaardelijk gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:

Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering.

De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).

Algemene voorschriften: 

Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.

Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer

De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven.

De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven.

De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013.

Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be. Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager. Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.

Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel.

Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang.

2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject

Volgens de GSV “hemelwater” dient een gescheiden stelsel voorzien te worden: de afvoer van het buitenterras/oprit dient aangesloten te worden op de overloop van de hemelwaterput, op een infiltratievoorziening of dient in de naastliggende groenzones af te wateren.

Volgens het definitief zoneringsplan ligt de woning in collectief te optimaliseren buitengebied. In deze zone wordt op termijn wel een collectieve zuivering van het vuilwater (via riolering) voorzien. De timing voor deze werken moet nog worden vastgelegd. Indien binnenkort een project van start gaat in de straat, kan u best met Fluvius contact opnemen voor de voorwaarden naar voorbehandeling van het vuilwater. In afwachting van deze collectieve afvalwaterzuivering moet het afvalwater gezuiverd worden, dit kan door alle afvalwater, zowel zwart afvalwater (toiletten) als grijs afvalwater (gootsteen, vaatwas, douche, bad, …) aan te sluiten op een septische put of door twee afzonderlijke septische putten. Het minimale putvolume voor een gezin tot vijf personen is 3.000 liter, met 600 liter per bijkomende inwoner.

Het spoelwater van de filters van het zwembad dient bij chemische filters aangesloten te worden op de vuilwaterafvoer en moet bij zuivere biologische filters (zonder toevoeging chloor of andere chemicaliën) aangesloten worden op de infiltratievoorziening. De overloop van een buitenzwembad dient aangesloten te worden op de infiltratievoorziening of mag op eigen terrein in de naastliggende groenzones infiltreren. Als het zwembad in 1 keer geledigd gaat worden, dient de infiltratievoorziening hierop berekend te worden. De chloordosering dient 14 dagen voor de lediging uitgeschakeld te worden.

Bij de sloop van een pand dient de bestaande huisaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel tijdelijk buiten gebruik gesteld te worden door de aanvrager en wel op zo een manier dat de huisaansluiting water- en gronddicht afgesloten wordt en detecteerbaar blijft op eigen terrein. Bij de aanleg van een nieuwe privéwaterafvoer dient de bouwheer de bestaande rioleringsaansluiting te detecteren en te hergebruiken. De nieuwe privéwaterafvoer voor vuilwater en eventueel hemelwater dient ter hoogte van de rooilijn tot aan en niet dieper dan de bestaande huisaansluiting gebracht te worden. Ter hoogte van de bestaande huisaansluiting voorziet de bouwheer aan de rooilijn op het privéterrein aparte controleputjes, één voor de vuilwaterafvoer en één voor de hemelwaterafvoer, indien deze nog niet aanwezig zijn. Dit ontslaat de bouwheer niet van het indienen van een aanvraag tot heraansluiting op het openbaar rioleringsstelsel bij Fluvius. De aanvraag is terug te vinden op www.fluvius.be.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben.
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak.
  • Het is niet toegestaan om drainageleidingen aan te sluiten op de openbare riolering. Overeenkomstig de milieuwetgeving dient dit op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.

3. Keuring privéwaterafvoer

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van de privéwaterafvoer verplicht sinds 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12/1, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement. De keuring dient uitgevoerd te worden vóór de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.

Enkel de door Fluvius erkende keurders komen voor deze keuring in aanmerking (zie Keuring riolering | Fluvius).

Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34.

Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.”

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente.

Het perceel is gelegen langs de Grote Hemmenweg, een gemeenteweg.

De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceelsoppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hier niet aan.  Er wordt als voorwaarde opgenomen dat voldaan dient te worden aan het decreet optische rookmelders.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Slopen

De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt dat een grondverzet   (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is van toepassing.

Erfdienstbaarheden / gemene muren

Vergunningen hebben een zakelijk karakter. Zij worden verleend onder voorbehoud van de op het onroerend goed betrokken burgerlijke rechten.

Het is niet de taak van de administratieve overheid zich uit te spreken over het bestaan, de interpretatie en de omvang van subjectieve rechten, zoals bijvoorbeeld het bestaan van een erfdienstbaarheid / het overnemen van een gemene muur.

De overeenstemming van de aanvraag met een goede ruimtelijke ordening wordt echter beoordeeld met inachtneming van beginselen als hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 van de VCRO.

De aanvrager wordt erop gewezen dat omtrent de gemene muren/ de mandeligheid van muren / bestaande erfdienstbaarheden / erfscheidingen … geen afbreuk wordt gedaan aan de burgerlijke rechten van de betrokken aanpalende eigenaars  door het afleveren van een omgevingsvergunning / omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden / bijstelling van de omgevingsvergunning / stedenbouwkundig attest.

Dat het aangewezen is hieromtrent een (schriftelijke) overeenkomst/ akkoordverklaring te bekomen alvorens aan te vatten met de werken.

Lichten en zichten

De aanvraag werd getoetst aan art. 675 tot en met 680 bis van het burgerlijk wetboek dat bepalingen bevat inzake zichten en lichten op een naburig erf.

De aanvraag is in strijd met deze bepalingen van het burgerlijk wetboek.   Het bijgebouw voorziet een grote raampartij in de achtergevel.  Het bijgebouw wordt ingeplant op 1m van de achterste perceelgrens.

Er kan uitzonderlijk akkoord gegaan worden met het voorgestelde ontwerp gezien het achterliggende perceel gelegen is in de bufferzone (natuurgebied) volgens het gewestplan Hasselt-Genk, bijgevolg niet bebouwbaar is en er nooit enige privacyhinder zal ontstaan.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 2 bomen, het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning, het bouwen van een bijgebouw, het aanleggen van een zwembad met tijdelijke bronbemaling voor de kelderwerken van de woning.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De aanvraag is gelegen in een gebied dat geordend wordt door een verkavelingsvergunning waarvan afgeweken wordt. Artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat binnen de omschrijving van een goedgekeurde, niet vervallen verkavelingen ouder dan 15 jaar onverenigbaarheid van de aanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften niet langer een grond vormt voor weigering van de aanvraag.

De hierboven vermelde goedgekeurde, niet vervallen verkaveling is goedgekeurd d.d. 07/12/1970 en dus komt de aanvraag principieel in aanmerking voor deze regeling.

Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft voorschriften betreffende wegenis en openbaar groen. Het betreft geen van deze elementen en dus kan de aanvraag niet geweigerd worden op basis van onverenigbaarheid met de voorschriften. Tenslotte dient de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening.

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel is gelegen langs de Grote Hemmenweg.  Het achterliggende perceel is, volgens het gewestplan Hasselt-Genk gelegen in de bufferzone.  Tevens grenst het perceel aan het natuurreservaat ‘De Teut’.

De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open verband.

De bebouwing in de omgeving varieert qua bouwhoogte, dakprofiel alsook materiaalgebruik.

Omschrijving van de aanvraag

Het perceel is momenteel bebouwd met een vrijstaande eengezinswoning en een niet vergund bijgebouw.

De huidige aanvraag omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 2 bomen, het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning, het bouwen van een bijgebouw, het aanleggen van een zwembad met tijdelijke bronbemaling voor de kelderwerken van de woning.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De nieuw op te richten woning betreft net zoals de te slopen bebouwing een eengezinswoning.  De functie blijft dan ook ongewijzigd en is inpasbaar in de omgeving.

Mobiliteitsimpact

De verkeersgeneratie is beperkt gezien de functie van eengezinswoning.

Het project voorziet een interne garage alsook een autolift naar de kelder.  De woning voorziet hierdoor de mogelijkheid om 4 wagens intern te stallen.  De last van het autobezit wordt dan ook geheel gedragen op eigen terrein en niet afgeschoven op het openbaar domein.

De schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, de visueel-vormelijke elementen van de voorgenomen werken

De aanvraag omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 2 bomen, het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning, het bouwen van een bijgebouw, het aanleggen van een zwembad met tijdelijke bronbemaling voor de kelderwerken van de woning.

De aanvraag betreft onder meer het slopen van de bestaande vrijstaande eengezinswoning en een bijgebouw.

Deze woning heeft een grondoppervlakte van 182m² en een bouwvolume van 835m³.  Het bijgebouw heeft een grondoppervlakte van 18,4m².

Na de sloop zal een nieuwe eengezinswoning worden opgericht.

Deze op te richten eengezinswoning wordt ingeplant op 12m achter de rooilijn / voorste perceelgrens en op minimum 3m van de zijdelingse perceelgrenzen.

De maximale bouwdiepte op het gelijkvloers bedraagt 16,80m en op de verdieping 10,80m.  Het verdiep vangt aan op 5,50m achter de voorgevellijn.

De ramen, in de zijgevels, op de verdieping situeren zich in de slaapkamers en de dressing waardoor de inkijk naar de aangrenzende percelen eerder beperkt is.

De kroonlijsthoogte van de woning is gelegen op maximaal 6,50m en de nokhoogte op 10,31m ten opzichte van het maaiveld.

De woning wordt uitgevoerd in een recuperatie gevelsteen.  De dakbedekking wordt deels uitgevoerd in natuurleien en deels met riet.

In de achtertuin wordt een poolhouse en een zwembad voorzien.

Het poolhouse wordt ingeplant op 10m achter de achtergevel van de woning, tegen de rechter perceelgrens en op minimum 1m van de achterste perceelgrens.  Er werd een getekend akkoord van de eigenaar van het rechts aanpalend perceel gevoegd bij de aanvraag.

Het poolhouse heeft een grondoppervlakte van 77m².

Het meest rechtse gedeelte van het bijgebouw wordt uitgevoerd met een plat dak.  De dakrandhoogte is gelegen op 2,72m ten opzichte van het maaiveld.  Het overige gedeelte wordt uitgevoerd met een lessenaarsdak.  De kroonlijsthoogte is hier gelegen op 2,32m en de nokhoogte op 5,80m ten opzichte van het maaiveld.

Het poolhouse wordt net zoals de woning uitgevoerd in een recuperatie gevelsteen.  Het zadeldak wordt uitgevoerd met riet.

Op 3m van de achterste perceelgrens en links van het bijgebouw wordt een zwembad aangelegd met een oppervlakte van 40m² (10m x 4m).

Het zwembad heeft een diepte van 1,50m.

Behoudens de woning, het bijgebouw en het zwembad worden ook verhardingen voorzien.

In de voortuin wordt een inrit aangelegd met aansluitend een toegangspad naar de voordeur van de woning.  De inrit verleent toegang tot de dubbele garage (incl. autolift).

Deze verharding heeft een totale oppervlakte van ca. 79m².

Aan de achterzijde van de woning wordt een niet-overdekt terras aangelegd met een oppervlakte van ca. 24m².

Tot slot wordt rondom het zwembad een terrasverharding voorzien van ca. 38m².

Het hemelwater infiltreert naar de aangrenzende groenzones.

Ter hoogte van het zwembad bevinden zich momenteel 2 hoogstammige bomen die de aanvrager wenst te rooien.

Hieromtrent werd de aanvraag voor advies overgemaakt aan de dienst Facilitair Management, zoals aangehaald en besproken onder de titel ‘Bespreking adviezen’.

Bodemreliëf

Uit de ingediende plannen blijkt dat het bestaande terreinniveau ongewijzigd en dus behouden blijft.

De nieuw op te richten bebouwing zal niet als storend ervaren worden in het bestaande straatbeeld gezien de bebouwing in de omgeving varieert qua bouwhoogte, dakprofiel alsook materiaalgebruik.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

BESPREKING ADVIEZEN

Op 12 augustus 2021 verleende de dienst Facilitair Management een voorwaardelijk gunstig advies, nl.:

“Gunstig onder voorwaarden

  1. Aanplanten van minstens één streekeigen hoogstam boom in de achtertuin, in een maat niet kleiner dan 18/20.
  2. Nodige flankerende maatregelen nemen om de aanwezige bomen te beschermen tijdens de afbraak- en bouwwerken. Zeker voor de grote boom net achter het huis zal er de nodige aandacht moeten besteed worden aan deze flankerende maatregelen. Zo mag er geen materiaal gestapeld worden onder de kroonprojectie, mag er geen werfverkeer passeren onder de kroonprojectie. Best wordt de zone onder de kroonprojectie afgeschermd d.m.v. hekken tijdens de werken zodat deze zone gevrijwaard blijft van verkeer en/of andere verstoringen.
  3. De grondslag binnen de kroonprojectie van de bestaande bomen mag niet gewijzigd worden, Er zal dus nog een plan bestaande toestand moeten afgeleverd worden waarop de huidige maaiveldpeilen, binnen de kruinprojecties, duidelijk zijn aangegeven.
  4. Nutsleidingen,, zoals gas, elektriciteit, afvoer water, ea. dienen allemaal voorzien te worden waar de bestaande inrit zich situeert. Dit laatste om schade aan bestaande wortels tot het minimum te beperken. Indien er toch hoofdwortels beschadigd worden, dienen deze mooi recht te worden afgezet en worden ze behandeld met wondafdichtmiddel.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich gedeeltelijk aan bij dit advies.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren wenst de eerste voorwaarde m.b.t. de aanplant van minstens 1 streekeigen hoogstam boom aan te vullen met het volgende:

De nieuw aan te planten inheemse hoogstam boom dient ingeplant te worden op minimum 2m van de perceelgrenzen (conform het veldwetboek).

De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.

Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden.  Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.

Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.

Op 27 augustus 2021 verleende Fluvius een voorwaardelijk gunstig advies, zoals hoger aangehaald.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Het betreft een droogzuiging voor de realisatie van de kelder van de woning (met 2 ondergrondse parkeerplaatsen dmv een schaarlift), te Grote Hemmenweg 159, sectie C, nr. 957V.

Voor de realisatie van het zwembad moet een grondwatertafelverlaging van 3,29 meter bekomen worden. Er zullen 21 aanzuigpunten geplaatst worden, op een diepte van max. 3,79m. 

Het gevraagde debiet bedraagt 312  m³/dag, gedurende 56 dagen. Dit komt neer op een jaardebiet van 17472 m³.  

Het lozingspunt bevindt zich op het gemengd stelsel van de Grote Hemmenweg.  

De droogzuiging wordt louter aangevraagd voor de kelder van de woning en dus niet voor de realisatie van het zwembad. Indien blijkt dat voor het zwembad droogzuiging noodzakelijk is, dient hiervoor een nieuwe aanvraag te worden ingediend gezien dit niet vervat zit in de huidige aanvraag.

In de onmiddellijke omgeving zijn er geen mogelijkheden om het grondwater af te voeren naar een gescheiden stelsel of in een oppervlaktewater.  

De aanvraag vermeldt dat de bomen een bevloeiing zullen krijgen om de levenskansen tijdens de bouwwerken/droogzuiging te garanderen. Dit dient te gebeuren met het water van de droogzuiging. 

De aanvraag is realistisch en kan gunstig beoordeeld worden gezien het beperkt debiet en de beperkte tijdsduur. 

Gunstig voor een bronbemaling te Grote Hemmenweg 159, voor de bouw van woning met kelder, voor een totaal debiet van 17472m³/jaar, mits volgende voorwaarden:

  • De mogelijkheid tot hergebruik van het grondwater wordt aangeboden aan derden. Dit kan door de plaatsing van een open opvangbak met overloop naar de open gracht/gemengd stelsel, op de rooilijn.  Via de toegestuurde affiche maakt de bouwheer dit kenbaar aan derden met eventueel zijn/haar contactgegevens erbij. 
  • De bevloeiing van de bomen op het perceel of andere groenelementen gebeurt met het water van de bemaling. 
  • Er wordt een volume van meer dan 10 m³/uur geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, wat maakt dat op voorhand een toelating bekomen moet worden van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.  
  • De droogzuiging wordt louter aangevraagd voor de kelder van de woning en dus niet voor de realisatie van het zwembad. Indien blijkt dat voor het zwembad droogzuiging noodzakelijk is, dient hiervoor een nieuwe aanvraag te worden ingediend gezien dit niet vervat zit in de huidige aanvraag.
  • Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.   
  • De start- en stopdatum van de bemaling wordt gemeld aan de gemeentelijke dienst milieubeleid via leefmilieu@zonhoven.be.
  • Dagelijks dient er een registratie te gebeuren van de opgepompte debieten grondwater. Deze gegevens worden in een logboek bijgehouden dat ter inzage wordt gehouden voor de toezichthoudende overheid. 
  • De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  • De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum. 
  • De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  • Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp). 

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning mits het opleggen van voorwaarden.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 2 bomen, het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning, het bouwen van een bijgebouw, het aanleggen van een zwembad en een tijdelijke bronbemaling voor de kelderwerken van de woning.

En voor rubriek:

53.2.2.a°) tijdelijke verlaging van de grondwatertafel voor de realisatie van de kelderwerken behorende bij de woning voor een totaal van 17472 m³.

Zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. Er dient voldaan te worden aan het advies van de dienst Facilitair Management, nl.:
    - Er dient minimaal 1 nieuwe inheemse hoogstammige boom aangeplant te worden in de achtertuin, plantmaat 18/20, op minimum 2m van de perceelgrenzen (conform veldwetboek).
    De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
    Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden.  Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.
    Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.

    - Nodige flankerende maatregelen nemen om de aanwezige bomen te beschermen tijdens de afbraak- en bouwwerken. Zeker voor de grote boom net achter het huis zal er de nodige aandacht moeten besteed worden aan deze flankerende maatregelen. Zo mag er geen materiaal gestapeld worden onder de kroonprojectie, mag er geen werfverkeer passeren onder de kroonprojectie. Best wordt de zone onder de kroonprojectie afgeschermd d.m.v. hekken tijdens de werken zodat deze zone gevrijwaard blijft van verkeer en/of andere verstoringen.
    - De grondslag binnen de kroonprojectie van de bestaande bomen mag niet gewijzigd worden, Er zal dus nog een plan bestaande toestand moeten afgeleverd worden waarop de huidige maaiveldpeilen, binnen de kruinprojecties, duidelijk zijn aangegeven.
    - Nutsleidingen,, zoals gas, elektriciteit, afvoer water, ea. dienen allemaal voorzien te worden waar de bestaande inrit zich situeert. Dit laatste om schade aan bestaande wortels tot het minimum te beperken. Indien er toch hoofdwortels beschadigd worden, dienen deze mooi recht te worden afgezet en worden ze behandeld met wondafdichtmiddel.”
    Milieu:
  2. De mogelijkheid tot hergebruik van het grondwater wordt aangeboden aan derden. Dit kan door de plaatsing van een open opvangbak met overloop naar de open gracht/gemengd stelsel, op de rooilijn. Via de toegestuurde affiche maakt de bouwheer dit kenbaar aan derden met eventueel zijn/haar contactgegevens erbij.
  3. De bevloeiing van de bomen op het perceel of andere groenelementen gebeurt met het water van de bemaling.
  4. Er wordt een volume van meer dan 10 m³/uur wordt geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, wat maakt dat op voorhand een toelating bekomen moet worden van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.
  5. De droogzuiging wordt louter aangevraagd voor de kelder van de woning en dus niet voor de realisatie van het zwembad. Indien blijkt dat voor het zwembad droogzuiging noodzakelijk is, dient hiervoor een nieuwe aanvraag te worden ingediend gezien dit niet vervat zit in de huidige aanvraag.
  6. Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.
  7. De start- en stopdatum van de bemaling wordt gemeld aan de gemeentelijke dienst milieubeleid via leefmilieu@zonhoven.be.
  8. Dagelijks dient er een registratie te gebeuren van de opgepompte debieten grondwater. Deze gegevens worden in een logboek bijgehouden dat ter inzage wordt gehouden voor de toezichthoudende overheid.
  9. De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  10. De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum.
  11. De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  12. Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp).
    Riolering:
  13. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  14. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  15. De aanvrager dient de nodige stappen te ondernemen voor het afsluiten van de nutsleidingen; (bv. igv slopen woningen)
  16. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke;
  17. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  18. Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  19. Indien het grondverzet meer dan 250m³ bedraagt is de regelgeving betreffende grondverzet van toepassing;
  20. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  21. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3,12 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  22. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  23. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  24. Enkel de op plan aangegeven bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
  25. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
  26. Indien haagbeplanting aangebracht wordt op minder dan 0,50 meter van de perceelgrenzen moet alvorens de aanplanting uitgevoerd wordt, de aangrenzende(n) hun schriftelijk akkoord geven voor deze aanplanting;
    Andere voorwaarden:
  27. Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
  28. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  29. Met betrekking tot de uitvoering van de gemene muren / erfscheidingen / aanplantingen op de scheiding, dient principieel met de buren een overeenkomst afgesloten te worden alvorens aan te vatten met de werken conform het Burgerlijk Wetboek;
  30. Bij gebrek aan een uitdrukkelijk akkoord omtrent de afwerking van de zichtbaar blijvende gevels op perceelgrens, dienen alle zichtbaar blijvende gevels binnen deze aanvraag en deze van de aangrenzende afgewerkt te worden door de laatst bouwende.   De zichtbaar blijvende gevels op perceelgrens moeten afgewerkt worden in een volwaardig gevelmateriaal.
  31. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
  32. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  33. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  34. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  35. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager, en wenst een bijkomende voorwaarde te formuleren om het behoud van het aanwezige aantal bomen te garanderen.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 2 bomen, het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning, het bouwen van een bijgebouw, het aanleggen van een zwembad met tijdelijke bronbemaling voor de kelderwerken van de woning.

En voor rubriek:

53.2.2.a°) tijdelijke verlaging van de grondwatertafel voor de realisatie van de kelderwerken behorende bij de woning voor een totaal van 17472 m³.

Zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. Er dient voldaan te worden aan het advies van de dienst Facilitair Management, nl.:
    -
    Er dient minimaal 1 nieuwe inheemse hoogstammige boom aangeplant te worden in de achtertuin, plantmaat 18/20, op minimum 2m van de perceelgrenzen (conform veldwetboek).
    De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
    Indien de boom afsterft, dient de heraanplanting herhaald te worden.  Dit wordt herhaald tot de boom aanslaat.
    Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst planning en vergunningen, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
    - Nodige flankerende maatregelen nemen om de aanwezige bomen te beschermen tijdens de afbraak- en bouwwerken. Zeker voor de grote boom net achter het huis zal er de nodige aandacht moeten besteed worden aan deze flankerende maatregelen. Zo mag er geen materiaal gestapeld worden onder de kroonprojectie, mag er geen werfverkeer passeren onder de kroonprojectie. Best wordt de zone onder de kroonprojectie afgeschermd d.m.v. hekken tijdens de werken zodat deze zone gevrijwaard blijft van verkeer en/of andere verstoringen.
    - De grondslag binnen de kroonprojectie van de bestaande bomen mag niet gewijzigd worden, Er zal dus nog een plan bestaande toestand moeten afgeleverd worden waarop de huidige maaiveldpeilen, binnen de kruinprojecties, duidelijk zijn aangegeven.
    - Nutsleidingen,, zoals gas, elektriciteit, afvoer water, ea. dienen allemaal voorzien te worden waar de bestaande inrit zich situeert. Dit laatste om schade aan bestaande wortels tot het minimum te beperken. Indien er toch hoofdwortels beschadigd worden, dienen deze mooi recht te worden afgezet en worden ze behandeld met wondafdichtmiddel.”
  2. Indien de grote boom achter de woning (vermeld in het advies van de dienst Facilitair management), om een of andere reden, zou afsterven, dient deze gecompenseerd te worden door aanplant van een nieuwe boom op het perceel.  Het dient te gaan om een hoogstammige, inheemse boom, aangeplant op de wettelijke afstanden tot de perceelsgrenzen.  De aanplant van deze boom dient herhaald te worden tot de aanplant aanslaat.  Wanneer een dergelijke aanplant is gebeurd, dient bewijs hiervan aangeleverd te worden aan de dienst Vergunningen en handhaving.
    Milieu:
  3. De mogelijkheid tot hergebruik van het grondwater wordt aangeboden aan derden. Dit kan door de plaatsing van een open opvangbak met overloop naar de open gracht/gemengd stelsel, op de rooilijn. Via de toegestuurde affiche maakt de bouwheer dit kenbaar aan derden met eventueel zijn/haar contactgegevens erbij.
  4. De bevloeiing van de bomen op het perceel of andere groenelementen gebeurt met het water van de bemaling.
  5. Er wordt een volume van meer dan 10 m³/uur wordt geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, wat maakt dat op voorhand een toelating bekomen moet worden van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.
  6. De droogzuiging wordt louter aangevraagd voor de kelder van de woning en dus niet voor de realisatie van het zwembad. Indien blijkt dat voor het zwembad droogzuiging noodzakelijk is, dient hiervoor een nieuwe aanvraag te worden ingediend gezien dit niet vervat zit in de huidige aanvraag.
  7. Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.
  8. De start- en stopdatum van de bemaling wordt gemeld aan de gemeentelijke dienst milieubeleid via leefmilieu@zonhoven.be.
  9. Dagelijks dient er een registratie te gebeuren van de opgepompte debieten grondwater. Deze gegevens worden in een logboek bijgehouden dat ter inzage wordt gehouden voor de toezichthoudende overheid.
  10. De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  11. De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum.
  12. De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  13. Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp).
    Riolering:
  14. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  15. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  16. De aanvrager dient de nodige stappen te ondernemen voor het afsluiten van de nutsleidingen; (bv. igv slopen woningen)
  17. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.   Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke;
  18. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  19. Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  20. Indien het grondverzet meer dan 250m³ bedraagt is de regelgeving betreffende grondverzet van toepassing;
  21. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  22. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3,12 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  23. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  24. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  25. Enkel de op plan aangegeven bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
  26. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
  27. Indien haagbeplanting aangebracht wordt op minder dan 0,50 meter van de perceelgrenzen moet alvorens de aanplanting uitgevoerd wordt, de aangrenzende(n) hun schriftelijk akkoord geven voor deze aanplanting;
    Andere voorwaarden:
  28. Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
  29. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  30. Met betrekking tot de uitvoering van de gemene muren / erfscheidingen / aanplantingen op de scheiding, dient principieel met de buren een overeenkomst afgesloten te worden alvorens aan te vatten met de werken conform het Burgerlijk Wetboek;
  31. Bij gebrek aan een uitdrukkelijk akkoord omtrent de afwerking van de zichtbaar blijvende gevels op perceelgrens, dienen alle zichtbaar blijvende gevels binnen deze aanvraag en deze van de aangrenzende afgewerkt te worden door de laatst bouwende.   De zichtbaar blijvende gevels op perceelgrens moeten afgewerkt worden in een volwaardig gevelmateriaal.
  32. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
  33. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  34. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  35. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  36. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.