Op 23 september 2021 stelde de deputatie het voorontwerp van Beleidsplan Ruimte Limburg vast. Dit kreeg de titel “Ruimtepact 2040, ambitie voor Limburg”. Het voorontwerp van het beleidsplan bestaat uit een strategische visie en drie beleidskaders. De strategische visie schetst een toekomstperspectief voor Limburg in 2040 en bevat zeven strategische doelstellingen die de krachtlijnen en de richting uitzetten voor het ruimtelijk beleid. Drie beleidskaders werden uitgewerkt voor thema’s die voor Limburg belangrijk zijn: wonen, economie en open ruimte. Ieder beleidskader diept een thema verder uit en bevat operationele doelstellingen en een set van acties om het ruimtelijk beleid waar te maken.
Beleidskader wonen in stads- en dorpskernen
De provincie Limburg wordt ingedeeld in 10 regionale woningmarkten. Het onderzoek naar en de afbakening van de regionale woningmarkten werd uitgewerkt binnen de studie ‘Regionale Woningmarkten in Limburg’. De gemeente Zonhoven werd opgenomen binnen de woningmarkt Midden-Limburg West. De woningmarkt Midden-Limburg west wordt gevormd door de gemeenten Halen, Lummen, Zonhoven, Herk-de-Stad, Diepenbeek, Alken, Kortessem (gedeeltelijk), Houthalen-Helchteren (gedeeltelijk) en Heusden-Zolder (gedeeltelijk) en de provinciehoofdstad Hasselt. De woningmarkt situeert zich centraal (westelijk) in de provincie Limburg en grenst in het westen aan de provincie Vlaams-Brabant.
Binnen elke woningmarkt worden de kernen afgebakend en verder verfijnd in kerntyperingen op basis van gebiedsprofielen.
De provincie stelt volgende kerntypering voor:
Buiten deze kernen worden verdere verlinting en woonontwikkelingen ontmoedigd.
Beleidskader economische ruimte
De focus binnen het beleidskader ligt op (ruimte voor) bedrijvigheid, vrijetijdseconomie, landbouw en kleinhandel.
Het beleidskader economische ruimte beoogt de economische groei te faciliteren door vooral in te zetten op een ruimteshift. Het bewustzijn dat we zuinig moeten omspringen met de beschikbare ruimte is de basis voor de ruimteshift. We moeten meer doen met minder ruimte en dit op de juiste plaats in de provincie. De provincie streeft naar een open ruimtepositieve planologische ruimtebalans met aandacht voor zuinig ruimtebeslag tegen 2040.
De provincie past een ruimteshift toe. Hiermee beoogt ze een structurele omslag in het ruimtelijk beleid, gericht op het intensiveren van het ruimtegebruik en het verschuiven van het juridisch aanbod. Met een ruimteshift wordt de balans of hoeveelheid aan bestaande planologisch bestemde ruimte voor bedrijvigheid behouden om het groeipotentieel op te vangen.
Om de ruimteshift te realiseren, is een inzet op 3 sporen nodig:
Gemeenten kunnen afwijken van de 0-ruimtebalans voor lokale bedrijventerreinen. Indien een gemeente een bijkomend planologisch ruimte-aanbod voor lokale bedrijvigheid wil realiseren, los van het provinciaal beheerde contingent, kan het daarvoor een schrapping doen van een bestaand (gedeelte van een) industrie- of KMO-zone op haar grondgebied met een ruil van 1 ha tegen 1 ha. Indien er geen industrie- of KMO-zone beschikbaar is om te schrappen, kan de gemeente ook gebied met een woonbestemming schrappen met een factor 1,5. Dit betekent dat in ruil voor het schrappen van 1,5 ha woonbestemming er 1 ha lokaal bedrijventerreinen kan bestemd worden. Voor de ontwikkeling van een intergemeentelijk bedrijventerrein volstaat een planologische compensatie van 1 ha woonbestemming (op grondgebied van de deelnemende gemeenten) tegen 1 ha nieuw intergemeentelijk bedrijventerrein. De provincie stimuleert zo de ontwikkeling van intergemeentelijke bedrijventerreinen en zet de gemeenten aan om de ruimteshift ook op lokaal niveau te realiseren en bij te dragen aan een open ruimtepositief planologisch beleid.
Beleidskader open ruimteschakels
Een sterk samenhangend open ruimtesysteem waarborgt de ecosysteemdiensten die van cruciaal belang zijn voor de leefkwaliteit in Limburg. Goede verbindingen zijn essentieel voor die samenhang. Verdere versnippering en verharding hebben een negatieve en verstorende invloed op het open ruimtesysteem en moeten vermeden worden.
De provincie wil meer ecologische, landschappelijke en fysieke samenhang van de open ruimte realiseren door actief in te zetten op twee soorten open ruimteschakels: enerzijds de groenblauwe aders en anderzijds de open ruimtecorridors; en dit zowel in de open ruimte als in meer verstedelijkte gebieden. Groenblauwe aders hebben vooral een natuur-, ecologische en/of hydrologische waarde en insteek. Open ruimtecorridors vrijwaren specifieke open ruimten onder bebouwingsdruk. Met het geheel van deze schakels verbeteren we diverse functies van de open ruimte.
De open ruimte vervult een essentiële rol binnen de verscherpte Europese klimaatdoelstellingen en het Europese beleidsprogramma van de Green Deal. Limburg moet daar, waar mogelijk, aan bijdragen en dus ook in het ruimtelijk beleid. Een ruimtelijk beleidskader draagt bij om deze doelstellingen te realiseren.
ADVIES VAN DE DIENST
1/ Beleidskader wonen in stads- en dorpskernen
1.1/ Kerntypering:
De kerntypering heeft voornamelijk belang bij het toewijzen van het woningobjectief. De verdeling van het percentage van de woonbehoeften wordt per woningmarkt opgemaakt waarbij een hiërarchische indeling vooropstaat.
Zonhoven gaat niet akkoord met de voorgestelde kerntypering voor Zonhoven omwille van volgende redenen:
Conclusie: Zonhoven is niet akkoord met de typering van Zonhoven als lokale woonkern. De Link met 'knooppuntwaarden' en 'voorzieningenniveau' is niet consequent doorvertaald in de beleidskeuzes inzake kerntypering. De gemeenten Diepenbeek en Zonhoven werden opgenomen binnen het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk, maar de centrumfuncties worden hiërarchisch afgebouwd tot het niveau van een lokale woonkern. Dit is in strijd met het gewestelijk RUP en het GRS. We stellen ons vragen bij de gebruikte criteria bij de kerntyperingen. De kernen van Zonhoven en Diepenbeek hebben een bijzondere taakstelling op het vlak van wonen binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied, gezien ze reeds over een goede combinatie van kernfuncties beschikken. Dit komt niet tot uiting op basis van de door de provincie voorgestelde kerntypering.
1.2/ Aansluiting met doelstellingen Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV):
In het BRV staat als strategische doelstelling tegen 2050 het terugdringen van het bijkomend ruimtebeslag vermeld: "Het doel is harde ruimtefuncties zo veel mogelijk een plaats te geven binnen het bestaand ruimtebeslag, voor zover dat goed gelegen is, bekeken vanuit het voorzieningenniveau en de (toekomstige) knooppuntwaarde, (beide al dan niet in min of meerdere mate aanwezig) op het relevante schaalniveau. … Het beleid zet in op de ontwikkeling van een meer robuuste ruimtelijke organisatie door bewuste keuzes te maken over locaties voor het verhogen van het rendement en wegnemen van ruimtebeslag."
Het beleidskader stelt: "Aanvullend onderzoek naar de regionale woningmarkten geeft aan dat 57% van de kernen eerder beperkt tot slecht uitgerust is. Deze minder goed uitgeruste kernen zijn vooral aanwezig in Haspengouw en in bepaalde gebieden in het noorden van Limburg. Landelijke gemeenten staan voor een uitdaging om een toegankelijk aanbod van voorzieningen aan te bieden."
Het BRV stelt "Het voorzieningenniveau bepaalt ook mee de ontwikkelingsmogelijkheden van een plek. De ontwikkeling van nieuwe woongelegenheden gebeurt in de nabijheid, op aanvaardbare wandel- of fietsafstand, van een voldoende pakket basisvoorzieningen om zoveel mogelijk mensen de mogelijkheid te geven hiervan eenvoudig gebruik te laten maken. Het waarborgen van de toegang tot regionale voorzieningen, die een ruimer verzorgingsgebied hebben, gebeurt door die te ontwikkelen in kernen die vlot bereikbaar zijn met de fiets of via collectieve vervoerssystemen en ondersteunt zo de realisatie van basisbereikbaarheid, binnen een regionale context. Het voorzieningenniveau en de knooppuntwaarde (beide al dan niet in min of meerdere mate aanwezig) zijn bepalend voor het na te streven ruimtelijk rendementsniveau en het gewenste activiteitenpakket voor die locatie:" en "De ontwikkeling van (bijkomende) woongelegenheden gebeurt op een aanvaardbare wandel- en fietsafstand van een voldoende pakket van basisvoorzieningen".
De studie "Regionale Woningmarkten" geeft volgende beleidsaanbeveling mee: "Wanneer we de huishoudensprognoses doortrekken in een ‘business-as-usual-scenario’, vangen slecht uitgeruste kernen en het buitengebied een groot deel van de huishoudensgroei op. We kunnen ons hierbij de vraag stellen hoe we de draagkracht van de dorpen kunnen opkrikken. Daarenboven moeten we ons afvragen of deze inspanningen zelf wenselijk zijn in de eerste plaats? Moeten beleidsmakers bijdragen leveren om slecht bereikbare kernen verder te laten uitbreiden? Moeten de dorpsscholen ondersteund worden in een kern waar geen bakker of supermarkt aanwezig is? Kleine dorpjes kennen bovendien al te vaak een sterk verouderde bevolking. Deze ouderen hebben niet de toegang tot de voorzieningen die ze nodig hebben en zijn vaak zorgbehoevend en minder mobiel. … Wellicht verdient het aanbeveling om vooral de sterkere kernen te ondersteunen in de regio’s waar ze goed vertegenwoordigd zijn, en in gebieden waar geen enkele beter uitgeruste kern aanwezig is, toch een heel beperkt aantal slecht of beperkt uitgeruste kernen te ondersteunen om het niveau op te krikken en een zeker voorzieningenaanbod voor de omgeving te blijven aanbieden."
Een andere strategische doelstelling uit het BRV is de volgende: "Vlaanderen heeft in 2050 meer woon- en werkplekken nabij collectieve vervoersknopen of fietsinfrastructuur en concentraties van voorzieningen, zodat mensen hun dagdagelijkse verplaatsingen kunnen organiseren. … Het streefdoel is dat in 2050 meer mensen te voet of met de fiets of in de toekomst eventueel andere duurzame vervoersmodi naar hun werk of school kunnen gaan en basisvoorzieningen vinden in hun directe leefomgeving."
Nog een laatste strategische doelstelling uit het BRV: " Wonen en werken nabij huidige en toekomstige collectieve vervoersknopen en voorzieningen: de woondichtheid en het bedrijfsvloeroppervlak zullen op het geheel van plaatsen met een (zeer) goede knooppuntwaarde en een (zeer) goed voorzieningenniveau (beide al dan niet in min of meerdere mate aanwezig) tegen 2050 met minstens 30% gestegen zijn t.o.v. 2015. … Er wordt naar gestreefd om tegen 2050 geen substantieel aantal bijkomende woongelenheden en werkplekken meer te realiseren op te lange verplaatsingstijd van een collectieve vervoersknoop of groep voorzieningen, tenzij dit om duidelijk ruimtelijk rendementsoverwegingen aangewezen is."
Conclusie: het beleidskader wonen in stads- en dorpskernen komt onvoldoende tegemoet aan bovenvermelde strategische doelstellingen uit het BRV. De gemeente Zonhoven werkte recent zelf een ruimtelijke visie verdichten uit voor haar grondgebied en daaraan gekoppeld een kwaliteitskader wonen. Deze visie gaat uit van de strategische doelstellingen volgens het BRV, de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk volgens het gewestelijk RUP en de bepalingen uit het GRS. Uitgangspunt is een gemiddelde woondichtheid van minimaal 25 woningen/ha binnen de regionaal stedelijke kern zoals vooropgesteld in het gewestelijk RUP, waarbij nu wordt vastgesteld dat Zonhoven wordt getypeerd als lokale woonkern met een woondichtheid van 15 woningen/ha.
1.3/ Wegname van ruimtebeslag:
Het beleidskader zet in op het herontwikkelen van bestaande bebouwde ruimte en het verdichten op goedgelegen plaatsen: "Zuinig ruimtegebruik is het uitgangspunt: de behoefte wordt zoveel mogelijk opgevangen binnen het bestaande ruimtebeslag."
Enkel volgende wordt vermeld: "Ook buiten de geselecteerde kernen zijn woninggroepen aanwezig, zoals linten, kleine gehuchten en geïsoleerde woninggroepjes. Maar deze blijven buiten de kerntypering en krijgen geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden."
Men stelt "We kiezen resoluut voor de dubbele doelstelling: kwalitatieve kernversterking én de vrijwaring van onze open ruimte. In plaats van bijkomend ruimte aan te snijden bij een woningbehoefte, wordt in eerste instantie ingezet op kernversterking.".
2/ Beleidskader economische ruimte
2.1/ Landbouw
Met betrekking tot de landbouw wordt rechtszekerheid geboden met mogelijkheid tot planologische ruil tussen zonevreemde landbouw en zonevreemde natuur.
Het BRV geeft aan dat "Landbouwbedrijfszetels die vrijkomen, krijgen bij voorkeur een nieuwe agrarische functie door herstructurering of herontwikkeling. Pas in tweede orde kan een niet-agrarisch hergebruik op voorwaarde dat de functiewijziging (1) de draagkracht van de open ruimte niet overschrijdt, (2) geen onaanvaardbare mobiliteitsdruk genereert en (3) geen noemenswaardige bijkomende verharding of ruimtebeslag tot gevolg heeft.".
Het beleidsplan spreekt zich echter niet uit over de zonevreemde regelgeving en de mogelijkheden die deze bestaande wetgeving biedt om nieuwe woningen te creëren in open ruimte gebieden. Ook fenomenen zoals 'vertuining' en 'verpaarding' worden niet aangehaald, terwijl deze in alle waarschijnlijkheid binnen Limburg, met een grote oppervlakte aan agrarisch gebied, bijdragen aan een grotere zonevreemde bebouwings- en verhardingsgraad en een niet ecologische inrichting van open ruimte gebieden. In het beleidskader 'economische ruimte' wordt de problematiek zonevreemde regelgeving kort vermeld, maar verder wordt hier niet op ingegaan/worden er geen oplossingen geboden.
2.2/ Kleinhandel en bedrijven
Voor de kerngerichte kleinhandel wordt vooral aandacht geschonken aan het bestrijden van de leegstand en het voorkomen van excentrische ontwikkelingen buiten de kernen.
Als provinciale economische dragers worden de afgebakende stedelijke gebieden geselecteerd, alsook de regionale bedrijventerreinen >50ha en de incubatoren en de bedrijfscampussen.
Met betrekking tot de lokale bedrijvigheid worden de ontwikkelingsmodaliteiten zoals in het voormalig provinciaal structuurplan herhaald met een nuance voor bedrijventerreinen bij een lokale specifieke kern of lokale woonkern. De criteria voor lokale bedrijvigheid worden opnieuw hiërarchisch opgedeeld tussen enerzijds een bovenlokale kern of een lokale hoofdkern en anderzijds lokale specifieke kern of lokale woonkern. In dat opzicht zou Kortessem eerder een bedrijventerrein kunnen ontwikkelen dan Zonhoven of Diepenbeek.
Het beleidskader economische ruimte geeft aan in te zetten op een ruimteshift, waarbij niet-belastende bedrijven dienen te worden verweven in bestaande dorps- en stadskernen. Dit is ruimtelijk gezien absoluut een meerwaarde, waar ook de gemeente Zonhoven naar wenst te streven. Volgende aandachtspunten dienen hierbij verder bekeken te worden. Binnen de kernen zijn de nodige parkeerplaatsen vaak moeilijk te realiseren op eigen terrein, ofwel leidt dit tot ongewenste/overdreven verhardingen. Het parkeren volledig afschuiven op het openbaar domein is niet wenselijk. Uiteraard is het streefdoel niet alleen ruimte te besparen, maar ook om werkgelegenheid te creëren op goed gelegen plaatsen. Dergelijke bedrijven dienen dan ook in te zetten op een duurzame mobiliteit van hun werknemers. Voor de gemeenten zal het geen gemakkelijke oefening zijn te beoordelen hoeveel en waar men parkeergelegenheid dient te voorzien. Daarnaast dient er over gewaakt te worden dat de stads- en dorpskernen levendig blijven. De bedrijvigheid mag geen gesloten gevelwanden creëren ter hoogte van de gelijkvloerse plint. Door deze bedrijven te combineren met wonen, wordt een lege kern buiten de werkuren voorkomen.
2.3/ Toerisme
De provinciale toeristisch-recreatieve dragers zijn de specifieke vrijetijdsdomeinen zoals Bokrijk en Terhills.
Camping Heidestrand Zonhoven wordt vermeld als recreatiedomein met een combinatie van verblijfsrecreatie en dagrecreatieve faciliteiten zoals (indoor) zwem- en speelvoorzieningen, met oppervlakte groter dan 20 ha, een capaciteit van meer dan 500 verhuureenheden en meer dan 2.000 slaapplaatsen.
Als toeristische entiteit binnen de vrijetijdseconomie wenst Zonhoven het project van het "Rendierjagerspad, een natuurlijk cultureel belevingspad op de heide" te vermelden. Dit project is rechtstreeks gelinkt aan het Kolenspoor.
2.4/ Schrappen van slecht gelegen juridisch aanbod aan bedrijventerreinen en recreatiegebieden
Centraal in de ruimteshift staat een actief beleid om (delen van) slecht gelegen bedrijventerreinen en recreatiegebieden te schrappen en te herbestemmen naar een open ruimtefunctie en dit (gedeeltelijk) ter compensatie van ontwikkelingen op goed gelegen plekken. Om de ruimtebalans te kunnen monitoren, neemt de provincie het moment van goedkeuring van het Beleidsplan Ruimte Limburg als het startpunt voor het registreren van het te schrappen aanbod en het nieuw te creëren aanbod (nulmeting voor het contigent).
De provincie maakt provinciale RUP’s op om bedrijventerreinen en recreatiegebieden te schrappen. Hiermee bouwt ze een contingent op voor Limburg om op gewenste locaties een strategisch aanbod te bestemmen indien de economische vraag zich opdringt. De schrapping doet ze proactief of in hetzelfde planningsproces als het bestemmen van bijkomend strategisch aanbod.
In Zonhoven zijn er geen (delen van) terreinen die in aanmerking komen voor neutralisatie (zowel schrapping bedrijventerreinen als recreatiegebied).
3/ Beleidskader open ruimteschakels
Er wordt meer samenhang van de open ruimte vooropgesteld door in te zetten op sterke schakels.
3.1/ Groenblauwe aders
Categorie 1 zijn de blauwe aders. De blauwe aders zijn Limburgse beekvalleien die een belangrijke functie hebben om waterschaarste en droogte te counteren, in het bijzonder om de sterke achteruitgang van de droogtegevoelige natuur tegen te gaan. De provincie selecteert 16 beekvalleien als provinciale blauwe ader. Voor Zonhoven wordt de Laambeek geselecteerd, met als doel het conserveren van water, herstellen van de beekstructuur en sponswerking in het valleigebied. De beekvallei is een belangrijk ruimtelijk kenmerk binnen de landschapseenheid De Wijers. Zonhoven kan zich hierin vinden.
Categorie 2 zijn de groene aders. De groene aders hebben een functie als hoogwaardige, belangrijk ecologische migratieassen. De provincie selecteert 24 groene aders van provinciaal niveau. 5 van deze groene aders vallen samen met de geselecteerde blauwe aders. Voor Zonhoven worden de Laambeek en de Roosterbeek geselecteerd. De Laambeek met dezelfde doelstelling zoals hierboven reeds aangegeven, de Roosterbeek met als doel het behouden en verbeteren van de mozaïek van alle open, natte natuurtypes. De beekvallei van de Roosterbeek is een belangrijk ruimtelijk kenmerk binnen de landschapseenheid De Wijers. Zonhoven kan zich hierin vinden en merkt op dat in samenwerking met de VLM daartoe reeds het Landinrichtingsproject Roosterbeek werd opgestart.
Er wordt nog opgemerkt dat gemeente Zonhoven samen met provincie Limburg een project is opgestart om een toekomstbeeld uit te werken voor het dorpshart van Zonhoven, waarbij het verborgen water van de Roosterbeek als een groenblauw netwerk opnieuw zichtbaar door het centrum zal stromen. Zo beschermen we niet alleen de bewoners in het centrum tegen wateroverlast, maar over het hele traject van de Roosterbeek. Als alles volgens planning verloopt, zijn de voorziene werken voor het openleggen van de Roosterbeek afgerond in het najaar van 2024.
Categorie 3 zijn de lijninfrastructuren. Lijninfrastructuren zijn lineaire gebieden die de basis vormen voor een ecologische infrastructuur of de potentie hebben omwille van de uitgestrektheid en continuïteit van de lijnvorming in het bebouwd en open landschap. De provincie selecteert 5 van deze lijninfrastructuren als provinciale groenblauwe ader, namelijk de fietssnelwegen met de hoogste verbindingspotentie in het groenblauw netwerk en omdat de provincie bevoegd is voor de realisatie van het fietssnelwegennetwerk. Voor Zonhoven werden volgende lijninfrastructuren geselecteerd:
Zonhoven kan zich hierin vinden.
3.2/ Open ruimtecorridors
Een open ruimtecorridor is een gebied dat moet voldoen aan specifieke criteria om geselecteerd te worden op provinciaal niveau. Voor Zonhoven werd er geen open ruimtecorridor geselecteerd. In het Ruimtelijk structuurplan Limburg 2012 staat het gebied Kolveren-Ten Eikenen echter ingetekend als corridor voor de Teut en de Wijers. Temeer omdat dit gebied een cruciale schakel vormt om de twee natuurgebieden met elkaar te verbinden om migratie te kunnen garanderen. De achteruitgang van de natuurwaarden in dit gebied is echter opvallend. De groene lijnelementen zoals de houtkanten worden systematisch verwijderd en maken plaats voor aaneengesloten monotone graslanden of verpaarding. Een bestendiging van dit gebied als open ruimteschakel tussen Europees beschermde natuur in het oosten en westen van de gemeente is noodzakelijk om enerzijds verdere achteruitgang tegen te gaan en anderzijds om rechtszekerheid te bekomen van het belang van dit gebied. Gelet op bovenstaande is het advies om dit gebied op te nemen als groene ader/open ruimtecorridor. De provincie doet in die zin zelf reeds een suggestie door 12 lijninfrastructuren te suggereren als groenblauwe aders op Vlaams en/of federaal niveau, waaronder de E314 autosnelweg, onmiddellijk grenzend aan het open ruimtegebied Kolveren-Ten Eikenen.
3.3/ Kleine landschapselementen
Het beleidskader haalt het belang aan van de kleine landschapselementen zoals houtkanten en wenst deze te bewaren en versterken. Om dit te kunnen realiseren moet een bewustwording gecreëerd worden bij de eigenaars of gebruikers van de gronden waar deze elementen op aanwezig zijn. Een kentering waarbij men de meerwaarde van deze elementen inziet ipv de hinder en de last is hierbij noodzakelijk als eerste stap, daarna volgt versterken en uitbreiden van de elementen.
3.4/ Open ruimte
Uitgangspunt van het beleidskader is dat een verdere aantasting van de open ruimte niet te verwachten is gelet op het aanwezige, wettelijke kader, waarbinnen dit niet mogelijk zou zijn. In realiteit zijn er bepalingen binnen de wetgeving ruimtelijke ordening waar aansnijdingen in uitzonderlijke gevallen alsnog mogelijk is. Dit zorgt niet enkel voor bebouwing maar ook voor vertuining. Het betreft hier een beperkt percentage, doch zijn het net deze situaties, gelegen in kritische open ruimte gebieden of corridors, die voor een grote impact zorgen.
3.5/ ACTIES ORS-2.1. – ACTIVEREN VAN DE ANDERE OVERHEDEN (VLAANDEREN EN GEMEENTEN) OM DE GROENBLAUWE ADERS OP HUN NIVEAU AAN TE PAKKEN
Om een aaneengesloten lint van groenblauwe aders te bekomen, is het wegwerken van knelpunten prioritair. Dit vraagt ondersteuning van partners zoals Agentschap Wegen en verkeer, maar ook de nodige financiële ondersteuning. Medewerking van deze partners is hierin noodzakelijk om migratieknelpunten te kunnen wegwerken.
Vertuining en verpaarding zorgen o.a. voor een inname van ruimte met frequent een achteruitgang van de aanwezige groene aders. Terwijl vertuining of verpaarding hand in hand kan gaan met een versterking van de groene elementen in het landschap. Hier moet op ingespeeld worden en indien nodig zou het afdwingbaar moeten worden gemaakt.
Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het voorontwerp Beleidsplan Ruimte Limburg en sluit zich integraal aan bij het advies van de dienst.
Het college wenst te benadrukken: