STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar
De aanvraag betreft het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf.
De aanvraag werd op 21/04/2021 ontvangen.
Op 20/05/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.
Op 08/06/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.
Op 02/07/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.
De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.
Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 12/07/2021 tot en met 10/08/2021, gesloten met 6 bezwaarschriften.
GEGEVENS VAN HET BEDRIJF
De activiteiten van het bedrijf zijn de volgende: tuinaanleg en -onderhoud.
Huidige aanvraag behelst een aanvraag voor een nieuwe inrichting waarvoor volgende indelingsrubrieken van toepassing zijn:
Volgende bijstellingen worden aangevraagd:
De wetgeving omschrijft een groenscherm langsheen de randen van minstens 5 meter breed. De bijstelling behelst een groenscherm van 0,5 meter aan de zijkanten en geen aan de voorkant. Aan de achterzijde zal 5 meter voorzien worden.
De wetgeving verplicht een geijkte weegbrug met automatische registratie. De aanvrager wenst niet te voldoen aan deze voorwaarde.
Een uithangbord met gegevens van het bedrijf van minstens 1 m² grootte moet aan de voorzijde van het bedrijf geplaatst worden.
De aanvrager wenst geen uithangbord te plaatsen.
De inrichting wordt omheind met een stevige en 2 meter hoge afsluiting waarbij de toegangswegen met een poort worden afgesloten.
Het bedrijf wenst aan de achterzijde geen 2 meter hoge afsluiting te plaatsen.
De aanvrager wenst geen debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur te moeten voorzien;
HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT
Stedenbouwkundig
De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie periode maart 2021 – mei 2020 (VB_2020_107).
De aanvraag houdt gedeeltelijk rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg.
Op basis van de ontwerpplannen op 21/04/2021 aangeleverd, werden een aantal opmerkingen doorgegeven/ aanpassingen doorgevoerd.
We (dienst Vergunningen & Handhaving) hebben de plannen bekeken en komen voorlopig tot volgende opmerkingen (reactie aanvrager/ architect toegevoegd):
Voetpadje wordt aan de hoofd oprit aangesloten, de rechtse toegang is een brandweg . Voor de brandweer is gemakkelijker te manoeuvreren als de weg recht toe aan is.
Wordt terug gras, met de bomen op het openbaar domein
De groenbuffer wordt volledig aangeplant met inheemse planten en struiken, aan de linkerzijde had de bouwheer graag tot de 3 meter grens gebouwd indien toelaatbaar is.
Parkings vooraan zijn voor het personeel en klanten, het rollend materiaal (camionetten en vrachtwagens, enz.…) worden in de nieuw loods gestald. Bestaande loods is bureel.
We zullen extra aandacht aanbesteden.
Zie vraag over parking (nieuwe loods voor stallen bedrijfsvoertuigen)
Inderdaad kiezel wordt eurodals
Bijkomende vraag betreffende afstand tot perceelgrenzen: hoe ver mogen wij van de linkse perceelsgrens met het gebouw, we hebben nu de 45° regel toegepast (7m van de grens). Daar was nog enige onduidelijkheid over.
Antwoord: Een hoogte van 7m voor de nieuwe loods, met een afstand van 7m tot de perceelsgrens, kan toegestaan worden.
De aanvraag voorziet in een toegang van 6m breed aan de linkerzijde van het perceel, de parking wordt aangelegd tot tegen de voorste perceelgrens (enkel een draadafsluiting).
Op het ontwerpplan was de inrit ter hoogte van de straat 5m breed en werd 1m groenstrook voorzien tussen de parking en voorste perceelgrens.
Aan de rechterzijde wordt een inrit en parkeerzone ingericht over een overrijdbare breedte van 10m (5m parkeerplaats en 5m inrit).
De berm rechts vooraan blijft in kiezel/ steenslag aangehouden.
Er wordt qua motivatie voor de omvang van de nieuwe loods aangegeven dat de bedrijfsvoertuigen hier gestald worden en dat de bestaande loods de burelen omvat; de bestaande loods omvat weliswaar een gedeelte burelen aan de voorzijde doch er blijft een ruim gedeelte loods waarvan het gebruik niet geheel duidelijk is.
Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust.
Uit het aanvraagdossier en de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag handelingen werden verricht, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft een ruim gedeelte verhardingen.
Deze wederrechtelijk uitgevoerde handelingen werden opgenomen in de huidige aanvraag als te regulariseren/ aan te passen.
Milieu
Er werd voor dit perceel een milieuvergunning klasse 2 geweigerd op 10/04/2018.
OPENBAAR ONDERZOEK
Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.
Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.
Het openbaar onderzoek (1) werd georganiseerd van 12/07/2021 tot en met 10/08/2021.
Er werden 6 bezwaren ingediend.
Bezwaar 1 – 16/07/2021
Het eerste bezwaar betreft een advies en geen bezwaarschrift. Het werd door de adviesinstantie verkeerdelijk als digitaal bezwaarschrift ingediend.
De inhoud is als volgt:
“In bijlage vinden jullie het advies vanuit NMBS.”
Het betreft een gunstig advies.
Bezwaar 2 en 3 , identiek – 05/08/2021
In bijlage stuur ik u het bezwaarschrift voor omgevingsvergunning OMV_2021037757
Ik geef aan dat mijn bezwaarschrift op strikt vertrouwelijke wijze wordt ingediend.
Bezwaarschrift tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757
Datum 5/8/2021
REF: OMV_2021037757 – Tuinen Wirix 2, Industrieweg 2073, Zonhoven
Betreft: een omgevingsproject voor het exploiteren van een bedrijf ter plaatse
Bezwaarschrift:
Met dit schrijven wens ik een bezwaar in te dienen tegen het omgevingsproject met als referentie OMV_2021037757, Tuinen Wirix 2.
Reeds jaren ondervinden wij als buren heel wat overlast van deze exploitatie. Dit hebben wij ook meerdere malen gemeld aan de gemeentelijk milieudienst. De overlast die wij ondervinden heeft betrekking op geluidsoverlast en stofhinder.
Geluidsoverlast.
Als buren ondervinden wij op zeer regelmatig geluidsoverlast in de vroege en late uren, op zon- en feestdagen bij het laden en lossen van vrachtwagens, het hakselen van snoeihout en de algemene werking van het bedrijf. De algemene milieuvoorwaarden stellen dat er slechts tussen 7u ’s morgens en 19 u’s avonds verstoord mag worden.
De geluidsoverlast is ook specifieert in rubriek 2.2.2.f.1 , opslag en mechanische behandeling van maximaal 100 ton snoeiafval. Is het mechanisch behandelen oftewel het hakselen van hout op deze plaats noodzakelijk?
In de jaren 90 bij de aanvang van de bouw van ons woning werd er medegedeeld dat de Industrieweg een stille ambachtelijke zone is. Dit is jaren zo geweest maar momenteel is deze zone ver van stil.
Men spreekt van 6 keer per jaar hakselen, wie gaat dit tellen en controleren? Momenteel wordt er zelfs geen rekening gehouden met de werkperiode van 7u-19u.
Stofhinder
Momenteel creëert de firma Wirix reeds heel veel stofhinder, met de uitbreidingen betreft het hakselen van hout zal het probleem van het stofhinder alleen maar groter worden. Eveneens stellen wij ons de vraag hoe het met de toestand van de grond is. Is dit vervuilde grond? Wordt deze grond bemonsterd of niet? Ook hier is het aangewezen om dit in de omgevingsvergunning aan te kaarten.
Tijdens de overweging van dit omgevingsproject stellen wij het op prijs om met dit bezwaarschrift rekening te houden.
Ik geef aan dat mijn bezwaarschrift op strikt vertrouwelijke wijze wordt ingediend.
Bezwaar 4 – 06/08/2021
Bezwaar tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757
Bezwaarschrift tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757
Datum: 06/08/2021
Ref: OMV_2021037757-Tuinen Wirix 2, Industrieweg 2073, 3520 Zonhoven
Betreft: Een omgevingsproject voor het exploiteren van een bedrijf ter plaatse.
Bezwaarschrift:
Met dit schrijven wensen wij een bezwaar in te dienen tegen het bovenvermelde omgevingsproject.
Reeds jaren ondervinden wij als buren heel wat overlast van deze exploitatie. Dit hebben wij ook meerdere malen gemeld aan de gemeentelijke milieudienst. De overlast die wij ondervinden heeft betrekking tot geluidsoverlast en stofhinder.
Geluidsoverlast:
Als buren ondervinden wij op zeer regelmatige basis geluidsoverlast in de vroege uren bij het laden en lossen van de vracht en bestelwagens, het hakselen van snoeihout en de algemene luidruchtige werking van het bedrijf. Een beperking van uren waarin gewerkt mag worden zou ons hierbij kunnen helpen. De algemene milieuvoorwaarden stellen dat er slechts tussen 7 u ’s morgens en 19 u ’s avonds verstoord mag worden.
De geluidsoverlast vertaalt zich ook in rubriek 2.2.2.f.1 opslag en mechanische behandeling van max 100 ton snoeiafval. Is het mechanisch behandelen oftewel hakselen van hout op deze plaats noodzakelijk? En indien dit toegestaan wordt moet dit echt tot een minimum beperkt worden zodat de hinder voor de omwonenden beperkt blijft. 6 keer per jaar hakselen, moet effectief ook 6 keer blijven en niet doorgroeien naar een dagelijks verhaal.
Stofhinder:
Daarnaast geeft dit ook de nodige stofhinder met zich mee. In de praktijk wordt de grond gezeefd die voor deze stofhinder zorgt. Wij maken ons als buurtbewoners niet alleen zorgen om die stofhinder, maar ook over de toestand van die grond. Is dit vervuilde grond? Wordt deze grond bemonsterd of niet? Gelieve dit tot een absoluut minimum te beperken in de omgevingsvergunning.
Wij zijn hier komen wonen omwille van de rustige buurt met destijds een stille industriezone. Maar de laatste jaren is die rust ver zoek. Wij vrezen ook met deze uitbreiding dat dit steeds erger en erger zal worden.
Gelieve rekening te houden met dit bezwaarschrift tijdens de overweging van dit omgevingsproject.
Bezwaar 5 en 6 , identiek – 06/08/2021
Bezwaarschrift tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757
Datum 6/08/2021
Ref: OMV_2021037757 - Tuinen Wirix 2, Industrieweg 2073, 3520 Zonhoven
Betreft: een omgevingsproject voor het exploiteren van een bedrijf ter plaatse.
Bezwaarschrift:
Met dit schrijven wensen wij een bezwaar in te dienen tegen het omgevingsproject met als referentie OMV_2021037757 , Tuinen Wirix 2.
Reeds jaren ondervinden wij als buren heel wat overlast van deze exploitatie. Dit hebben wij ook meerdere malen gemeld aan de gemeentelijke milieudienst. De overlast die wij ondervinden heeft betrekking op geluidsoverlast en stofhinder. Als buren vinden wij ook dat deze bedrijfsactiviteit niet thuis hoort op het terrein van de ambachtelijke industriezone noord in De Waerde. Dit terrein bevindt zich op ongeveer 100 meter van de woonhuizen in de Pleinstraat en de Waardstraat.
Geluidsoverlast:
Als buren ondervinden wij dagelijks geluidsoverlast in de vroege uren en gespreid over de hele dag bij het laden en lossen van vrachtwagens met bulldozers of andere graafmachines ,het hakselen en zeven van snoeihout. Als ook de aanvoer en het zeven van grond. Ook de algemene werking van het bedrijf laat te wensen over. Een beperking van uren waarin gewerkt mag worden of bijkomende preventieve maatregelen zou hierbij kunnen helpen. De algemene milieuvoorwaarden stellen dat er slechts tussen 7u 's morgens en 19u 's avonds verstoord mag worden.
De geluidsoverlast vertaalt zich ook specifiek in rubriek 2.2.2.f.1 opslag en mechanische behandeling van maximaal 100 ton snoeiafval per dag met een maximum van 1000 kubieke meter per jaar en dit 6 keer per jaar . Als ook opslag en aanvoer van maximum 1000 kubieke meter van grond en verwerking per jaar. Is het mechanisch behandelen van hout of het hakselen en zeven van hout als ook het zeven van grond op deze plaats noodzakelijk ? En indien dit toegestaan wordt, moet dit echt tot een minimum beperkt worden en voorzieningen getroffen worden zoals geluidsschermen of eventueel een bedrijfshal gebouwd worden dat deze activiteit zoals opslag en mechanische behandeling van het snoeihout en grond binnen kunnen uitgevoerd worden, zodat de hinder beperkt blijft. Zo ook 6 keer per jaar hakselen ,moet in de praktijk ook effectief 6 keer per jaar blijven en niet doorgroeien naar een dagelijks verhaal . In de aanvraag van de omgevingsvergunning vindt ik van deze preventieve maatregelen om de geluidshinder te bepreken naar de buren van de Pleinstraat en de Waardstraat niets van terug.
Stofhinder :
Daarnaast brengt dit ook de nodige stofhinder met zich mee. In de praktijk wordt er snoeihout gehakseld en gezeefd, als ook grond aangevoerd en gezeefd die voor stofhinder zorgt . Wij maken ons als buurtbewoners niet alleen zorgen over de stofhinder, maar ook over de toestand van die grond. Is dit vervuilde grond ? Wordt deze grond bemonsterd of niet ? Gelieve dit ook tot een absoluut minimum te beperken of niet toe te staan als er geen bijkomende preventieve maatregelen in de omgevingsvergunning bijkomen.
Gelieve rekening te houden met ons bezwaarschrift tijdens de overweging van dit omgevingsproject.
Ik wil aangeven dat mijn bezwaarschrift op strikt vertrouwelijk wordt ingediend.
Ingevolge een aanpassing van rubriek 3.4.1°a), die niet correct bleek, naar rubriek 4.3.2° werd een wijzigingslus aangevraagd op 06/10/2021 en aanvaard.
Adviezen, relevant aan de wijziging, werden opnieuw opgevraagd, evenals een bijkomend verplicht advies.
Er werd opnieuw een openbaar onderzoek georganiseerd.
Het openbaar onderzoek (2) werd georganiseerd van 16/10/2021 tot en met 14/11/2021.
Er werden 0 bezwaren ingediend.
De gemeentelijke omgevingsambtenaren behandelen de bezwaarschriften, ingediend tijdens het eerste openbaar onderzoek, aangezien de wijzigingen geen betrekking hebben op de ingediende bezwaren en deze dus nog relevant zijn.
De gemeentelijke omgevingsambtenaren nemen het volgende standpunt in:
Bezwaar 1 betreft een advies en geen bezwaarschrift. Het advies is bovendien gunstig.
Het ingediende stuk wordt aldus niet beschouwd als niet gegrond en wordt niet weerhouden.
Het advies wordt verder opgenomen als zijnde een advies onder “Toetsing aan de goede ruimtelijke ordening – bespreking adviezen”.
Gelet op de vereisten die de Raad voor Vergunningsbetwistingen ter zake oplegt aan de vergunningsverlener:
Om te voldoen aan de opgelegde motiveringsverplichting volstaat het dat de vergunningverlener in haar beslissing de redenen vermeldt waarop deze is gesteund.
Zij is er niet toe gehouden alle in de loop van de procedure aangevoerde bezwaren één voor één te beantwoorden (RvVb/A/1516/0884 van 31 maart 2016, in dezelfde zin: RvVb nr. A/2015/0261 van 21 april 2015 en RvVb/A/1516/0239 van 24 november 2015).
De bezwaarschriften 2 tot en met 6 werden onderzocht en kunnen als volgt worden samengevat en beoordeeld:
Bezwaarindieners geven aan dat geluidsoverlast aanwezig is in de vroege uren/ late uren/ zon- en feestdagen door laden en lossen van vrachtwagens (bulldozers, graafmachines), hakselen van snoeihout en algemene luidruchtige bedrijfswerking.
Men vraagt zich af of het hakselen (mechanisch behandelen van max. 100 ton snoeiafval) noodzakelijk is op deze plaats en zo ja, 6x /jaar mag niet uitlopen tot dagelijks.
Een beperking van de werkuren wordt gevraagd.
Het bezwaar wordt als gegrond verklaard.
In het kader van het beperken van mogelijke geluidshinder en het voldoen aan de geldende normen worden bijzondere voorwaarden voorgesteld. De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.
Bezwaarindieners stellen dat er momenteel reeds stofhinder (grond zeven, hakselen)aanwezig is en dat dit door de uitbreiding met hakselen nog zal toenemen.
Het bezwaar wordt deels gegrond verklaard.
De exploitant dient steeds de nodige maatregelen te nemen inzake het voorkomen van stof. Uit de aanvraag blijkt echter dat er zowel praktische als organisatorische maatregelen getroffen worden inzake stofbeperking.
Bezwaarindieners stellen dat de site een stille ambachtelijke industriezone was maar momenteel niet meer; of het bedrijf daar wel thuishoort.
Het bezwaar is ongegrond.
De site is gevestigd binnen de contouren van een industriegebied, zijnde ambachtelijk zone. Er zijn geen verbodsbepalingen opgenomen in Vlarem II.
Bezwaarindieners stellen zich vragen over de aanvoer van gronden. Of deze vervuild is of wordt bemonsterd.
Het bezwaar wordt deels gegrond verklaard.
De exploitant mag enkel gronden aanvaarden die voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.
Rubriek 2.2.2.f)1° valt onder Vlarebo categorie A van de periodieke onderzoeksplicht, wat betekent dat binnen de 12 jaar na aanvang van de exploitatie een eerste oriënterend bodemonderzoek dient te gebeuren, daarna om de 20 jaar.
De ingediende bezwaren tijdens het eerste openbaar onderzoek zijn ontvankelijk en worden deels als gegrond verklaard en weerhouden bij het opleggen van enkele bijzondere voorwaarden.
ADVIEZEN
Brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg
Provinciale dienst Water & Domeinen
Infrabel
NMBS
Fluvius
OVAM – afval & materialenbeheer
POM Limburg
Dienst Patrimonium
Dienst Facilitair Management
Vlaamse MilieuMaatschappij (VMM)
MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE
De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen. Er gelden bijgevolg geen verplichtingen voor het project inzake project-m.e.r.-regelgeving;
STEDENBOUWKUNDIG ADVIES
TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN
OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN
Gewestplan
De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s.
8 JULI 1997. Omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief dd. 25/1/2002 en 25/10/2002
ARTIKEL 7. DE INDUSTRIEGEBIEDEN
7.2. De industriegebieden
7.2.0. Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven.
Ze omvatten een bufferzone.
Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten.
Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten, namelijk : bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop.
1. De industriegebieden zijn bestemd voor industrieën en ambachtelijke bedrijven in het algemeen.
In het bijzonder moeten die industrieën en ambachtelijke bedrijven in het industriegebied worden ondergebracht, die moeten worden afgezonderd van de andere bestemmingen wegens hun aard of wegens economische en sociale redenen, of omdat deze bedrijven niet behoren tot de normale uitrusting van andere gebieden.
Wat onder het begrip « industriële bedrijven » dient te worden verstaan, wordt stedenbouwkundig niet nader bepaald, zodat het begrip in zijn spraakgebruikelijke betekenis dient te worden begrepen, met name bedrijven waar grondstoffen worden verwerkt, of nog, productief-technische bedrijven.
Ook het begrip « ambachtelijk bedrijf » wordt niet nader gedefinieerd. De overheid die uitspraak moet doen over de vergunningsaanvraag dient derhalve te oordelen naar recht en redelijkheid of de betrokken inrichting al dan niet een ambachtelijk bedrijf is en zulks overeenkomstig de gebruikelijke betekenis van het woord, met name een bedrijf waarin het handwerk primeert, wat het gebruik van machines evenwel niet uitsluit.
De louter commerciële activiteiten, zoals winkels en handelszaken, horen niet thuis in industriegebied.
2. De industriële gebieden omvatten een bufferzone.
a) De hier bedoelde bufferzone is onafhankelijk van de bufferzone die op het ontwerpgewestplan is aangeduid in toepassing van artikel 14.4.5.
In het huidig geval gaat het niet om een zelfstandig bestemmingsgebied maar betreft het een strook binnen het industriegebied met een hoofdzakelijk esthetische en stedenbouwkundige functie. Om die reden moet ze aangebracht worden op het industriegebied zelf.
b) De breedte en de aanleg van de bufferzone is afhankelijk van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden.
De bufferzones dienen te worden bepaald in de bouwvergunning, verleend voor de randpercelen van het gebied, of in het indelingsplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van een onteigeningsplan, of in een bijzonder plan van aanleg van het gebied.
Bouwvergunningen voor de oprichting van een industrieel of ambachtelijk bedrijf zijn onwettig indien zij niet voorzien in de aanleg van een bufferzone, of indien de bufferzone waarin zij voorzien ontoereikend is.
Rondom de industriezones en ambachtelijke zones dient (op de aldus aangeduide zone) een bufferstrook aangelegd te worden waarvoor als breedte volgende cijfers als richtinggevend kunnen worden vooropgesteld :
15 m voor ambachtelijke bedrijven;
25 m voor milieubelastende bedrijven;
50 m voor vervuilende industrie.
Wanneer zij palen aan woongebieden moeten deze breedten vergroot en zelfs verdubbeld worden.
De breedte en de aanleg van de bufferstroken tussen de bedrijven zelf betreffen een technisch stedenbouwkundige aangelegenheid.
Zij worden bepaald bij de vaststelling van een plan van aanleg van de industriezone, bij een indelingsplan naar aanleiding van een onteigeningsplan, of bij de goedkeuring van een bouwvergunning.
ARTIKEL 8. NADERE AANWIJZINGEN IN VERBAND MET INDUSTRIEGEBIEDEN
8.2.1.3. de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Deze gebieden zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard.
Er is niet verder bepaald op grond van welke criteria onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende industrieën om ze te kunnen catalogeren als vervuilend, of milieubelastend, dan wel of ze van ambachtelijke aard zijn dan wel of het gaat om kleine of middelgrote ondernemingen.
Bij de beoordeling zal men van feitelijkheden dienen uit te gaan. Talrijke beoordelingscriteria spelen hierbij een rol zoals de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke.
In verband met de hinderlijkheid kan men steunen op de gegevens met betrekking tot de milieuvergunning. Nochtans zijn deze bij de beoordeling van de hinderlijkheid niet noodzakelijkerwijze de enige criteria.
Zo dient de hinderlijkheid van het bedrijf ten opzichte van zijn omgeving uit stedenbouwkundig oogpunt nagegaan te worden. Deze hinderlijkheid kan van allerlei aard zijn en zowel betrekking hebben op de vormgeving als op het gebruik van de materialen, of de hinderlijkheid uit verkeerstechnisch oogpunt (verkeersverwekker).
Het perceel grenst slechts aan andere kavels binnen het bedrijventerrein. De buffering naar deze aangrenzende bedrijven toe wordt behandeld onder “Overige regelgeving - Stedenbouwkundige voorschriften voor bedrijventerrein De Waerde”.
Uitgaande van de aard van de activiteiten, de omvang en tewerkstelling, de ligging binnen een bedrijventerrein, kan het aangevraagde principieel binnen het bestemmingsgebied aanvaard worden. Eventuele specifieke hinderaspecten van de bedrijvigheid naar de omgeving en het leefmilieu, worden behandeld onder de Toetsing goede ruimtelijke ordening en het Milieu-luik.
De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg, noch in een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch in een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.
De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.
Stedenbouwkundige verordeningen
Hemelwater
De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.
De aanstiplijst en plannen geven het volgende aan:
De nieuwe loods heeft een horizontale dakoppervlakte van 792m² , de bestaande nog niet aangesloten loods heeft een horizontale dakoppervlakte van 548m².
De oppervlakte van de nieuw aan te leggen verhardingen die aangesloten dienen te worden op een infiltratievoorziening, bedraagt 815,5m².
Voor de berekening van de verplichte voorzieningen dient principieel een oppervlakte van 2095,50m² (2155,50m² - 60m²) in rekening gebracht te worden.
Afwijking
Er worden 2 hemelwaterputten voorzien met een totale inhoud van 20 000 liter (minimaal 10 000 liter te voorzien) en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en buitenkranen/ dienstkranen voor onderhoud van terrein en voertuigen/ gebouwen en machines, het besproeien van de groenvoorziening, beneveling tijdens hakselactiviteiten om stofhinder te voorkomen.
De overloop van de hemelwaterputten wordt aangesloten op een infiltratievoorziening.
Voor het voorzien van een grotere inhoud van de hemelwaterputten (10000 liter extra), wenst men een bijkomende aftrek van 400m².
De berekening van de infiltratievoorziening is voorzien op basis van een oppervlakte van 1755,50m².
De minimale inhoud van de infiltratievoorziening bedraagt 43 887,50 liter, de minimale infiltratieoppervlakte bedraagt 70,22m².
Er wordt een open infiltratievoorziening voorzien met een inhoud van 45 000 liter ( op plan ca. 49110 liter) en een infiltratieoppervlakte van ca. 87m².
Er wordt verder aangegeven dat men geen afwijking vraagt, dat geen motivering toegevoegd wordt voor het groter hergebruik dan 10 000 liter en dat men geen motivatie toevoegt die aangeeft dat de voorgestelde oplossing afdoende is.
Onder punt 22 van de vragenlijst werd echter een motivatie ingegeven voor een groter hergebruik en een bijkomende aftrek van de oppervlakte.
De afwijking is aanvaardbaar.
De infiltratievoorziening werd tevens beoordeeld in navolging van de Watertoets en er werd advies uitgebracht door de waterbeheerder (voor het volledige advies, zie “Watertoets”).
“Het volume van de open infiltratievoorziening moet minimaal 250 m³/ha verharde oppervlakte bedragen (los van de aanwezige hemelwaterputten), de infiltratieoppervlakte moet minimaal 4 % van de verharde oppervlakte bedragen. Indien een infiltratieproef wordt uitgevoerd kan de dimensionering van de infiltratievoorziening aangepast worden aan de infiltratieoppervlakte en de infiltratiecapaciteit (rekening houdend met een terugkeerperiode van 20 jaar). Richtwaarden in dat verband zijn terug te vinden in onderstaande tabel. De infiltratiegracht/bekken moet minimaal 30 cm dekking behouden boven de hoogste grondwaterstand (aan te tonen), en moet vlak of in tegenhelling worden aangelegd. Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. De infiltratiegracht/bekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet).
Er wordt een open bufferbekken voorzien van 45 m³ voor een aangesloten oppervlakte van 0,1755 ha. Dit is 1,11 m³ meer dan de norm.
De infiltratie-oppervlakte bedraagt 87 m². Dit is 16,78 m² meer dan de norm
Volgende voorwaarden moeten opgenomen worden in de vergunning:
De bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. Het open bufferbekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). “
Mits de uitvoering van de infiltratievoorziening voldoet aan de voorwaarden van de waterbeheerder, kan gesteld worden dat de voorziening binnen de aanvraag qua oppervlakte en volume voldoet aan de verordening.
De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen voor parking personeel (317m² kiezel waterdoorlatend), de oprit links vooraan (121m² in water-doorlatende klinkers) en de toegang en bezoekersparking rechts vooraan (154,63m² klinkers met afwatering in groenzone), omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.
De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.
Riolering
Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”.
Volgens de gekende gegevens is nog een gemengd rioleringssysteem aanwezig.
Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan Fluvius.
Het advies van 21/10/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:
“Naar aanleiding van uw brief/mail van 8-10-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 2, sectie C, nummer(s) 351P, kunnen we een gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.
In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:
Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering
De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).
Algemene voorschriften: Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.
Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.
Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.
1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer
Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager.
Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.
2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject
We raden aan om:
Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34.
Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.”
Met betrekking tot de lozing van (bedrijfs-)afvalwater dient tevens rekening gehouden met de voorwaarden zoals opgenomen in het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij inzake afvalwater en lucht (zie verder “Bespreking adviezen”).
Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager;
Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.
Watertoets
Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.
Het voorliggende bouwproject heeft een verharde oppervlakte van meer dan 1000m² maar ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.
Met betrekking tot de impact op oppervlaktewater werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan de waterbeheerder, de provinciale dienst Water en Domeinen.
Het advies van 14/10/2021 (ongewijzigd tov het advies van 29/07/2021) van de provinciale dienst Water en Domeinen is voorwaardelijk gunstig:
“Hierbij kan ik u meedelen dat het dossier in het kader van de watertoets voorwaardelijk gunstig beoordeeld werd. Ik verzoek u evenwel de voorwaarden in de omgevingsvergunning op te nemen zoals ze geformuleerd werden in het bijgaand advies.
DEEL 1 INLICHTINGENFICHE
Aanvrager:
Ontwerper:
Ligging van het perceel:
Documenten
Waterloop en machtiging
DEEL 2 WATERADVIES I.V.M. DE WATERTOETS
(art. 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018)
1 Beschrijving van het watersysteem
• Het betreft een activiteit binnen het stroomgebied van een onbevaarbare waterloop van 2de categorie.
• Het perceel is volgens het gewestplan gelegen in industriegebied
• Het perceel is daarenboven gelegen in:
o het bekken van de Demer
o het deelbekken van de Midden-Demer
2 Waterplannen
Het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde is van toepassing.
3 Toetsen aan de doelstellingen decreet integraal waterbeheer, gecoördineerd op 15 juni 2018 – artikel 1.2.2
De adviesvraag handelt over de richtlijn gewijzigd afstromingsregime.
Vanaf een verharde oppervlakte van meer dan 1 000 m² moet door de vergunningverlenende instantie advies worden gevraagd aan de waterbeheerder met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater. In het kader daarvan moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
Het volume van de open infiltratievoorziening moet minimaal 250 m³/ha verharde oppervlakte bedragen (los van de aanwezige hemelwaterputten), de infiltratieoppervlakte moet minimaal 4 % van de verharde oppervlakte bedragen. Indien een infiltratieproef wordt uitgevoerd kan de dimensionering van de infiltratievoorziening aangepast worden aan de infiltratieoppervlakte en de infiltratiecapaciteit (rekening houdend met een terugkeerperiode van 20 jaar). Richtwaarden in dat verband zijn terug te vinden in onderstaande tabel. De infiltratiegracht/bekken moet minimaal 30 cm dekking behouden boven de hoogste grondwaterstand (aan te tonen), en moet vlak of in tegenhelling worden aangelegd. Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. De infiltratiegracht/bekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet).
Er wordt een open bufferbekken voorzien van 45 m³ voor een aangesloten oppervlakte van 0,1755 ha. Dit is 1,11 m³ meer dan de norm.
De infiltratie-oppervlakte bedraagt 87 m². Dit is 16,78 m² meer dan de norm
Volgende voorwaarden moeten opgenomen worden in de vergunning:
De bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. Het open bufferbekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet).
DEEL 3 CONCLUSIES ONDERZOEK WATERBEHEERDER
Uit de toepassing van de nadere regels voor de toepassing van de watertoets bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, en latere wijzigingen, is gebleken dat het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, e.a; een verandering van de toestand van watersystemen (of bestanddelen ervan) tot gevolg heeft. Deze verandering heeft geen betekenisvol schadelijk effect op het milieu voor zover de voorwaarden van deel 2.3 worden opgenomen in de vergunning.
Het wateradvies is dan ook voorwaardelijk gunstig.”
Onder deze voorwaarden en mits de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd is het ontwerp verenigbaar met artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.
De gemeente doet de watertoets en legt desgevallend gepaste maatregelen op ter voorkoming van schadelijke effecten op de waterhuishouding van de omgeving. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater met eventueel de daaraan gekoppelde verplichtingen.
De gemeente is niet verantwoordelijk voor de juistheid van de aan haar bezorgde gegevens in het voorliggende dossier op basis waarvan eventueel de nodige maatregelen worden opgelegd. Het aanleveren van de juiste gegevens en het uitvoeren van de door de gemeente opgelegde verplichtingen blijft de verantwoordelijkheid van de architect en/of de aanvrager/ exploitant. Indien hieraan niet is voldaan, kan de gemeente niet verantwoordelijk gesteld worden indien door de geplande bouwwerken toch wateroverlast zou ontstaan in de omgeving.
De aanvraag doorstaat de watertoets.
Archeologienota
Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag.
De perceeloppervlakte is groter dan 3000m², de bodemingreep is groter dan 1000m², het goed is niet gelegen in een woongebied of recreatiegebied, het betreft geen publiekrechtelijke aanvrager en de ingreep is kleiner dan 5000m² (ca. 3650m² nieuw aangevraagde verharding/ bebouwing).
Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).
Overige regelgeving
Slopen
De afbraak van de opslagruimte (96m² - 230,4m³) dient te gebeuren tot in de grond.
Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het Vlarem II, omgevingsvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.
Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.
Grondverzet
Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.
Stedenbouwkundige voorschriften voor bedrijventerrein De Waerde
Bijzondere voorwaarden betrekking hebbende op stedenbouwkundige aspecten, van toepassing binnen ambachtelijke zone De Waerde zoals bepaald in de aankoopakte:
Een groenbeplanting – bufferzone – van tenminste 5m breed langs de zijdelingse en achterste perceelsscheidingen en minstens gelijk aan de normale hoogte van het gebouw is verplicht. De bufferzone dient in een streekeigen beplanting aangelegd.
De niet bebouwbare zones met inbegrip van de niet door gebouwen, toegangswegen en uitgeruste parkeerterreinen ingenomen oppervlakten, dienen beschouwd te worden als groenzone.
Afsluitingen, zowel op de perceelgrenzen als op de rooilijn, moeten uitgevoerd worden in natuurhagen al dan niet versterkt met draad, op beplantingsstroken.
Ter hoogte van de inritten dient de riolering afdoende verstevigd teneinde beschadiging door zwaar transport te vermijden. De aanleg van de oprit over de strook der nutsvoorzieningen mag enkel uitgevoerd worden met uitneembare monolietblokken.
Er dient verplicht parkeerruimte voorzien te worden die ruimte biedt voor al de voertuigen van het bedrijf, het personeel en de bezoekers. Ook het laden en lossen dient op het eigen terrein te gebeuren.
De aanvraag voldoet gedeeltelijk aan de hoger gestelde voorwaarden.
Ter hoogte van de achterste perceelgrens, grenzend aan de fietsenroute (oude spoorwegberm) wordt een groenbuffer van minimaal 5m aangehouden.
Ter hoogte van de zijdelingse perceelgrenzen wordt de breedte van de groenbuffer beperkt tot minimaal 1m. Het perceel grenst hier aan beide zijden aan een andere bedrijfskavel waardoor de functie van de groenbuffer eerder een visueel aspect is, de stroken langs beide perceelgrenzen worden deels gebruikt als brandweg, parkeerruimte en voor de aanleg van een infiltratiegracht.
Volgens het beplantingsplan, gevoegd bij de aanvraag, zal na de werken aan weerzijden een haagbeplanting aanwezig zijn als visuele buffer.
Langsheen de voorste perceelgrens (breedte 50m) is slechts een beplanting voorzien over een strook van 12,70m breed en ca. 1m aan de hoekzijden met de zijdelingse perceelgrenzen. Ter hoogte van de verharding aan de parkeerzones wordt geen groenrand voorzien.
De afwijking is aanvaardbaar op voorwaarde dat een groenstrook over een perceeldiepte van 1m voorzien wordt tussen de rooilijn en de voorste parkeerstroken.
Op de gronden mogen geen vaste of verplaatsbare inrichtingen opgesteld worden die dienstig zijn voor bewoning. Evenwel is het toegestaan 1 in het hoofdgebouw geïntegreerde woning voor bewakings- en/of onderhoudspersoneel op te richten.
De totale vloeroppervlakte van de woning mag niet meer bedragen dan 200m². In geen geval mag de woning meer in beslag nemen dan ¼ van de totale vloeroppervlakte van het gebouwencomplex. De woning moet stedenbouwkundig 1 geheel vormen met het bedrijfsgebouw en moet er materieel en constructief in geïntegreerd zijn.
De bedrijfsgebouwen en de woning vormen 1 geheel en kunnen nooit afzonderlijk voor uitbating of bewoning verkocht, verhuurd of in gebruik gegeven worden.
De aanvraag voldoet aan de hoger gestelde voorwaarde. Er is geen conciërgewoning aanwezig, noch voorzien binnen de aanvraag.
Detailhandel en het met dat doel inrichten van een toonzaal toegankelijk voor het publiek zijn niet toegestaan.
De aanvraag voldoet aan de hoger gestelde voorwaarde. Er is geen detailhandel/ toonzaal voorzien.
Met betrekking tot de bijzondere voorwaarden werd de aanvraag tevens voor advies voorgelegd aan POM Limburg.
Op 09/07/2021 heeft POM Limburg aangegeven geen advies af te leveren:
“Dit dossier handelt over een adviesvraag waarover POM Limburg zich niet wenst uit te spreken.
Uw vraag om advies ter attentie van POM Limburg beoordelen wij immers als onontvankelijk.
Bijgevolg verleent POM Limburg geen advies, zonder dat deze afwezigheid van advies mag worden aanzien of vermoed een gunstig advies te zijn.”
Hiermee wordt bedoeld dat POM Limburg algemeen genomen geen uitspraak meer wenst te doen over omgevingsaanvragen.
De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving en de stedenbouwkundige voorschriften op voorwaarde dat:
Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening
OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG
De aanvraag omvat het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf.
BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING
De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:
1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;
2° het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;
Omschrijving ligging en omgeving
Het perceel van de aanvraag is gelegen aan de Industrieweg, een gemeenteweg ten noordoosten van het centrum van Zonhoven. Het perceel situeert zich binnen bedrijventerrein De Waerde, een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s.
In een zone van 200m rondom het perceel van de aanvraag, wordt de omgeving gekenmerkt door bedrijfskavels aan Industrieweg en Industrieweg-Zuid (ten oosten, westen en zuiden van de aanvraag). Aan noordelijke zijde van de aanvraag (zone 200m) zien we residentiële bebouwing langsheen de Pleinstraat en langsheen de Waardstraat.
In de onmiddellijke omgeving van het perceel van de aanvraag zien we aan de linker- en rechterzijde bedrijfskavels, aan de achterzijde loopt een fietsverbinding langsheen de oude spoorwegberm en aan de overzijde van de Industrieweg is een bebost terrein aanwezig.
Omschrijving van de aanvraag
Het terrein is thans bebouwd met een opslagloods met kantoorruimte met een oppervlakte van 548m² en een volume van 3288m³.
Links van de loods en aan de achterzijde werd een verharding aangelegd voor de bedrijvigheid, links vooraan een parkeerzone voor personeel en rechts vooraan een parkeerzone voor bezoekers. Rechts achter de loods werd een opslagruimte geplaatst van 8m breed op 12m diep.
De kleinere loods en verhardingen in zij- en achtertuin worden verwijderd.
Met de huidige aanvraag wenst men een bijkomende opslagloods te bouwen, een opslagzone in open lucht aan te leggen en het terrein verder aan te leggen met voorzieningen voor parkeren, bedrijfscirculatie, een toegang voor de brandweer, wateropvang en groenvoorzieningen.
Ook de exploitatie van het bedrijf in tuinaanleg en -onderhoud wordt aangevraagd.
Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving
De aanvraag voor het bedrijf, een KMO, is inpasbaar binnen de bestemmingszone en gezien de ligging binnen een bedrijventerrein en de omliggende bedrijfskavels ook inpasbaar binnen de omgeving.
Naar de ruimere omgeving toe worden binnen de regelgeving bufferzones opgelegd voor de randzones van industriegebieden in het algemeen, dit om een effectieve buffer te vormen naar andere bestemmingszones toe zoals woongebieden.
Het perceel van de aanvraag situeert zich niet aan de rand van zijn bestemmingsgebied en valt niet binnen een vooropgestelde bufferstrook.
Uit een recente luchtfoto blijkt dat ten noordoosten van het perceel een groenbuffer ontbreekt tussen het gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en het aangrenzende woongebied met landelijk karakter langsheen de Waardstraat en Pleinstraat. De afstand van het perceel van de aanvraag tot het woongebied is gelegen tussen de 145m à 65m, wat ruim voldoende is.
Huidige aanvrager kan niet verantwoordelijk gesteld worden of benadeeld worden qua bedrijfsontwikkeling indien nagelaten wordt/werd om op de randpercelen van de KMO-zone, die hem niet toebehoren, een groenbuffer te realiseren.
Mobiliteitsimpact
Het stallen van voertuigen dient op eigen terrein georganiseerd te worden. Er dient eenvormigheid nagestreefd te worden, rekening houdend met zo realistisch mogelijke gegevens. Het aantal standplaatsen dient overeen te stemmen met :
1 parkeerplaats per 50m² bedrijfsruimte vermeerderd met 1 parkeerplaats per 200m² magazijn en vermeerderd met 1 parkeerplaats per 20m² kantoorruimte.
Volgens de plannen worden volgende oppervlaktes voorzien:
kantoorruimte 66,50m²
loods 1 (bestaand) 450m² en loods 2 (nieuw) 792m²
overige bedrijfsruimte 122,50m² (kantoorgebouw 2 bouwlagen =189m² - 66,5m² bureauruimte)
Er dienen minstens 12 parkeerplaatsen voorzien te worden.
De aanvraag voorziet in 14 parkeerplaatsen voor personeel/ bedrijfsvoerder en 3 bezoekers-parkeerplaatsen.
Tuinmachines, vrachtwagens, camionnetten (bedrijfsvoertuigen) worden binnen de nieuwe loods gestald.
Het aantal autostaanplaatsen voldoet voor het bedrijf.
De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, Visueel-vormelijke elementen
Het bedrijfsterrein van de aanvraag heeft een totale oppervlakte van zo’n 5089m².
Een vrij hoge verhardingsgraad is niet ongebruikelijk binnen bedrijfszones, evenwel wordt een minimale groenvoorziening verwacht teneinde visuele hinder te beperken. Er dient tevens een oppervlakte infiltratievoorziening aangelegd voor de opvang van hemelwater bij het overschrijden van 1000m² bebouwde oppervlakte.
De inrichting van het terrein wordt afgestemd op de activiteiten en noodzakelijkheden van het bedrijf. Op het perceel van de aanvraag is een bedrijf in tuinaanleg en tuinonderhoud actief.
Naast de overdekte opslagmagazijnen en administratieve voorzieningen, is tevens een nood aan buitenopslag aanwezig naast de algemene voorzieningen voor parkeren en circulatie van voertuigen.
Uitbreiding met opslagloods
De bestaande opslagloods met kantoorgedeelte werd opgericht aan de rechterzijde van het terrein, op 6m afstand tot de rechter perceelgrens, de voorgevel op 14m afstand tot de voorste perceelgrens. De loods heeft een breedte van 15m en een bouwdiepte van 36,32m.
Achter de loods is nog een onbebouwde zone van zo’n 52m diep aanwezig, na het slopen van een kleine opslagruimte, aan de linkerzijde is een onbebouwde zone van zo’n 29m breed aanwezig.
Aansluitend op de bestaande loods wenst men aan de linkerzijde een nieuwe loods aan te bouwen met een totale oppervlakte van 792m² en een volume van 5544m³.
De voorgevel wordt ingeplant op ca. 20m achter de voorste perceelgrens. Aan de voorzijde wenst men voldoende ruimte te behouden voor parkeerruimte. De linker zijgevel wordt ingeplant op 7m afstand tot de linker perceelgrens, de achtergevel sluit aan op deze van de bestaande loods.
Tot op 6m achter de achtergevel wordt nog een luifel/ dakoversteek voorzien over de gevelbreedte van 22m van de nieuwbouwloods. Onder deze luifel wordt een wasstraat voor voertuigen aangelegd van 61m² in een vloeistofdichte beton.
De bouwdiepte bedraagt 30m voor de loods, de bouwdiepte inclusief dakoversteek 36m.
De bouwhoogte van de loods bedraagt 7m, 1m hoger dan het bestaande gebouw.
Het is een stalen draagconstructie en qua gevelmaterialen bestaat het nieuwe gebouw uit een betonnen gevelplint (ca. 2,5m hoog) met daarboven een bekleding in donkergrijze sandwichpanelen. De dakbedekking bestaat uit zelfdragende geprofileerde dakplaten met een lichtstraat in het midden.
De omvang, functie en het uiterlijk sluiten aan bij de industrieel gerelateerde bebouwing binnen de bedrijvenzone.
De nieuwe opslagloods is aanvaardbaar.
Opslagzone in openlucht
Achter de gebouwen worden een ruime opslagruimte in openlucht voorzien met een totale oppervlakte van 693m².
De buiten- en tussenwanden van de verschillende opslagruimtes worden opgetrokken in betonblokken tot een hoogte van 2,40m.
De constructie krijgt een u-vorm met daarbinnen een verharding voor circulatie van voertuigen.
De zone vangt aan op zo’n 5m achter de achtergevel van de loodsen en krijgt een bouwdiepte van 34,80m. Aan weerszijden hebben de opslagvakken/bunkers een breedte van zo’n 6m, achteraan worden deze breder en de achterste wand heeft een totale breedte van 46,80m.
In de 9 verschillende vakken zullen snoeiafval, houtschors, TOP grond, potgrond, zand en compost opgeslagen worden.
De bodem van de opslagzone wordt uitgevoerd in een vloeistofdichte verharding en langsheen de open zijden wordt een acodrain aangelegd die het (mogelijk) vervuilde water (hemelwater, sappen) afvoert naar de opvangput vanwaar dit verder loopt naar de Kws-afscheider, controleput en uiteindelijk naar de openbare DWA.
Naast de opslagbunkers worden tevens een aantal afvalcontainers geplaatst aan de achterzijde van de bestaande loods. De afvalcontainers worden voorzien voor hout, metaal, paletten in hout, bladeren/ gras en restafval en papier/karton.
De bestemming/ het gebruik van de opslagzone is eigen aan de bedrijfsactiviteit.
De zijwanden en achterwand in betonblokken vormen door de hoogte van 2,40m een visuele afscherming van de opgeslagen goederen. De betonblokken zelf worden tevens van het zicht onttrokken door een groenscherm.
De opslagzone in openlucht is aanvaardbaar.
Verhardingen
Op de site worden diverse verharding (her)aangelegd.
De parkeerruimte wordt volledig aan de voorzijde van het terrein voorzien, toegankelijk via 2 inritten.
De inplantingsplannen geven aan dat aan de linkerzijde een personeelsparking in kiezelverharding wordt aangelegd die 14 parkeerplaatsen omvat en een totale oppervlakte heeft van 317m². Rechts van deze parking is een oprit van 6m breed aanwezig, uitgevoerd in waterdoorlatende klinkers. De oprit dient zowel om toegang te verschaffen tot de parking als naar de nieuwe loods (stalling bedrijfsvoertuigen).
Aan de rechterzijde van het terrein wordt vooraan nog een 2de inrit gepland in functie van de brandweg van 5m naar de achterzijde van het terrein en ook als toegang tot 3 bezoekersparkeerplaatsen. De berm, zijnde openbaar domein, werd hier verhard met steenslag. De inplanting van oprit en parkeerplaatsen zorgt voor een overrijdbare breedte van 10m.
Tussen beide parkeerzones is nog een pad voorzien naar het kantoorgedeelte binnen de bestaande loods.
Aan de rechterzijde van de bestaande loods wordt een toegangsweg in eurodals van 5m aangelegd die achteraan aansluit op de circulatieverharding tussen loodsen en openlucht opslagzone. Het inplantingsplan geeft aan dat de toegang enkel voor de brandweer voorbehouden is.
Uit de plannen blijkt dat de verlichtingspaal thans vlak voor de nieuwe oprit staat en dat men deze wenst te verplaatsen naar de rechter perceelgrens.
Betreffende de verhardingen in de voortuinzone en rechter zijtuinstrook werden reeds eerder opmerkingen gemaakt doch zonder enig gevolg.
Omwille van een aantal redenen dienen deze verhardingen aangepast te worden.
De inplanting van de parkeervakken tot tegen de voorste perceelgrens is niet wenselijk en niet aanvaardbaar.
Er dient een groene zone van 1m voorzien te worden over de breedte van het volledige terrein, behoudens de toegelaten inritten. Ook binnen bedrijventerreinen dient men een versteend straatbeeld te vermijden. Een groenstrook van 1m kan reeds voor een veel positiever beeld zorgen. Het reeds aanwezig zijn van verhardingen is geen argument om de negatieve punten aan te houden. De minimale groenbuffering op het terrein vereist een optimale inrichting.
De ingrepen om tot een meer praktische en visueel aantrekkelijkere inrichting te komen zijn niet van die aard dat ze een impact hebben op de overige inrichting op het terrein. Het gaat om een aantal verschuivingen en de materiaalaanwending.
Wat betreft de verlichtingspaal die men tot ca. 1m afstand tot de rechter perceelgrens wenst te verplaatsen, kan gesteld worden dat dit mogelijk de toegang van het rechts aangrenzende terrein bemoeilijkt. De toegang kan evenzeer zo’n 2,5m naar links verplaatst worden OF de verlichtingspaal kan naar links verplaatst worden. Een rechte insteek is niet mogelijk bij de eerste optie maar wel indien de verlichtingspaal naar links verplaatst wordt.
De brandweg zelf verhindert de aanleg van een bredere groenbuffer. Uiteraard is veiligheid belangrijk, doch de 5m brede weg over een perceeldiepte van zo’n 50m kan evenzeer uitgevoerd worden in gefundeerd gras of grasdallen zodat het uiterlijk groener wordt en de waterdoorlatendheid groter wordt. Gezien het uitsluitend om een brandweg gaat, dient er geopteerd te worden voor de meest groene oplossing, en dient deze brandweg aangelegd te worden in gefundeerd gras (‘grindgazon’), dit wordt opgelegd als vergunningsvoorwaarde. Een 2de toegang is niet gebruikelijk, noch wenslijk op zich, waardoor de nodige voorzorgen bij het verlenen van een vergunning voor dergelijke “brandweg” genomen dienen te worden.
Dit kan, naast de uitvoering in gefundeerd gras, door het bezoekersparkeren volledig te laten aansluiten op de hoofdtoegang en ter hoogte van de nood-inrit een overrijdbare haag aan te planten. We zien de noodzaak van een volwaardige 2de toegang niet in en er dient vermeden te worden dat het algemeen vrachtvervoer langs deze inrit zal verlopen.
Zoals oorspronkelijk aangegeven wordt dan ook opgelegd dat deze bezoekersparkeerplaatsen aan de rechterzijde van de hoofdinrit moeten aangelegd worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers Op die manier is er 1 hoofdtoegang aanwezig voor de bedrijvigheid/ personeel/ bezoekers en 1 bijkomende, louter voor de brandweg. Deze bijkomende toegang als brandweg dient aan de voorzijde afgesloten te worden met een overrijdbare (dus lage) haag en volledig uitgevoerd in grindgazon.
Aan de achterzijde van de gebouwen, bereikbaar via de nieuwe loods, wordt een verharding in eurodals aangelegd als circulatieruimte tussen de opslagbunkers en loods. De oppervlakte van deze verharding bedraagt 1453m². Deze verharding kan als noodzakelijk voor de bedrijfsvoering gezien worden en is dan ook aanvaardbaar.
De aanleg van verhardingen op het terrein is aanvaardbaar mits voorwaarden:
Zones voor groen en water
Behoudens de inrit dient langsheen de voorste perceelgrens een groenzone met (lage) haagaanplant voorzien te worden.
Zoals aangegeven op het beplantingsplan dat bij de aanvraag gevoegd werd en onder de voorwaarden van de dienst Facilitair Management, groenbeheer (zie verder “Bespreking adviezen”), dient verder een haagaanplant uitgevoerd langsheen de zijdelingse perceelgrenzen teneinde voldoende visuele afscherming te bekomen. Aan de achterzijde van het terrein, grenzend aan de oude spoorwegberm/ fietsroute, dient een gevarieerde groenbuffer over een perceeldiepte van minstens 5m aangelegd te worden om het bedrijf visueel af te schermen.
Aan de linkerzijde van de nieuwe opslagloods wordt een open infiltratievoorziening aangelegd met een opvangcapaciteit van minstens 45 000 liter. Deze zone voor infiltratie heeft een breedte van 3,63m over een lengte van 25m. De uitvoering dient te gebeuren zoals aangegeven op het plan “detail infiltratiegracht”, rekening houdende met de opmerkingen en voorwaarden van de waterbeheerder (provincie, Water en Domeinen).
De bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. Het open bufferbekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet).
Bodemreliëf
Het niveau van het terrein situeert zich thans 10cm boven het peil van de wegas ter hoogte van de bouwzone en daarachter helt dit licht af naar 5 à 15 cm onder het peil van de wegas.
De aanvraag voorziet geen aanpassing van het maaiveld buiten de verharde en bebouwde zones behoudens de uitgraving voor de infiltratiezone.
Algemeen genomen zal de buitenzone op 10cm boven het wegpeil liggen en de vloerpas van de gebouwen op 20cm boven het wegpeil.
Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen.
Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.
Hinderaspecten met betrekking tot gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen
Uit het (1ste) openbaar blijkt dat zich een aantal problemen kunnen stellen naar de woonomgeving toe. De bezwaren en bezorgdheden hebben betrekking op geluidsoverlast, stofhinder, mogelijke grondvervuiling en mogelijke strijdigheid met de bestemming.
Geluidsoverlast
Hinder door geluidsoverlast kan zich voordoen in de vroege uren/ late uren/ zon- en feestdagen door laden en lossen van vrachtwagens (bulldozers, graafmachines), hakselen van snoeihout en algemene luidruchtige bedrijfswerking.
In het kader van het beperken van mogelijke geluidshinder en het voldoen aan de geldende normen worden bijzondere voorwaarden voorgesteld. De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.
Stofhinder
Er kan stofhinder door het zeven van grond en het hakselen, wat mogelijk nog kan toenemen door de uitbreiding.
De exploitant dient steeds de nodige maatregelen te nemen inzake het voorkomen van stof. Uit de aanvraag blijkt echter dat er zowel praktische als organisatorische maatregelen getroffen worden inzake stofbeperking.
Verenigbaarheid bedrijfsactiviteit met de bestemmingsvoorschriften
De site situeert zich in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. De omvang en activiteiten zijn verenigbaar met de bestemmingszone.
Er zijn geen verbodsbepalingen opgenomen in Vlarem II.
Mogelijke grondvervuiling
Betreffende de aanvoer van gronden is de bezorgdheid aanwezig dat vervuilde grond aangevoerd wordt. De exploitant mag enkel gronden aanvaarden die voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.
Rubriek 2.2.2.f)1° valt onder Vlarebo categorie A van de periodieke onderzoeksplicht, wat betekent dat binnen de 12 jaar na aanvang van de exploitatie een eerste oriënterend bodemonderzoek dient et gebeuren, daarna om de 20 jaar.
Wat betreft geluidshinder en stofhinder kan, naast bovengenoemde maatregelen, ook gesteld worden dat de inplanting van de nieuwe opslagloods bijkomend zal zorgen voor een fysieke buffer naar het noordelijk gelegen woongebied toe.
De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving op voorwaarde dat:
De aanleg van verhardingen op het terrein als volgt aangepast wordt:
BESPREKING ADVIEZEN
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals gevoegd in bijlage, dienen gevolgd te worden.
“Betreft: Gunstig bericht betreffende de aanvraag voor een omgevingsproject voor stedenbouwkundige handelingen te Industrieweg 2073, 3520 Zonhoven.
De NMBS verleent een gunstig advies voor bovengenoemd project.”
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
“De berm tussen de oprit en de opgegeven parking bezoekers moet terug een grasberm worden.
De brandweg langs het bestaande gebouw mag niet in betonverharding aangelegd worden. Deze dient aangelegd te worden met gefundeerd gras of grasdallen, zodat het water maximaal kan infiltreren in de grond.
De klinkers van de bezoekersparking dienen zowel waterdoorlatend als waterpasserend te zijn.
De openbare verlichtingspaal staat in werkelijkheid meer naar links waardoor de brandweertoegang in combinatie met 3 geparkeerde auto's van bezoekers moeilijk wordt. Echter indien deze bezoekersparkeerplaatsen nog meer naar links verplaatst worden, blijft er nog minder 'groen' over.”
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies en wensen bijkomende voorwaarden te formuleren.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.
Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de inplanting en uitvoering van de brandweg en bezoekersparking dienen opgelegd te worden.
De verlichtingspaal dient naar links verplaatst ipv naar rechts zoals voorzien op het inplantingsplan nieuwe toestand. De verplaatsing naar de rechterzijde kan de toegang voor de rechts aanpalende bemoeilijken. Kosten voort verplaatsing zijn ten laste van de aanvrager.
Een rechte insteek voor de brandweer blijft mogelijk bij een verplaatsing naar links.
Naast het feit dat de bezoekersplaatsen gebruik maken van de 2de inrit, die geen effectieve inrit hoort te zijn, zouden deze door de verplaatsing van de inrit naar links eveneens moeten opschuiven, wat weer ten koste gaat van de groenstrook. Zoals oorspronkelijk aangegeven, wordt opgelegd dat deze bezoekersparkeerplaatsen aan de rechterzijde van de hoofdinrit moeten aangelegd worden. Op die manier is er 1 hoofdtoegang aanwezig voor de bedrijvigheid/ personeel/ bezoekers en 1 bijkomende, louter voor de brandweg. Deze bijkomende toegang als brandweg dient aan de voorzijde afgesloten te worden met een overrijdbare (dus lage) haag en volledig uitgevoerd in gefundeerd gras (grindgazon).
“Gunstig wat betreft het voorliggende beplantingsplan, mits nakomen volgende voorwaarden:
- haag rondom het terrein uitvoeren in Acer campestre en niet in Cupressocyparis leylandii,
- de bestaande haag rond de parking dient behouden te blijven en wordt dus niet vervangen door Cupressocyparis leylandii.”
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.
“Wij ontvingen uw adviesvraag op 8 oktober 2021. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) geeft advies over deze omgevingsvergunningsaanvraag op basis van artikelen 37, §4 en 38, §3 van het Omgevingsvergunningsbesluit van 27 november 2015.
Voorwerp van de aanvraag
Deze aanvraag is bijkomende adviesvraag na een aantal aangebrachte verandering in de oorspronkelijk aanvraag van Tuinen Wirix 2. Voor de OVAM zijn er geen veranderingen die ons eerste advies zouden wijzigen. Daarom blijven wij ons oorspronkelijk advies, zie hieronder.
Oorspronkelijk advies OVAM:
Tuinen Wirix is een tuinaannemersbedrijf, dat instaat voor aanleg en onderhoud van tuinen. Tuinen Wirix vraagt een omgevingsvergunning voor het exploiteren van het bedrijf op de eigen terreinen.
De OVAM heeft adviesbevoegdheid voor de volgende voorziene activiteiten:
− Opslag en mechanische behandeling van snoeiafval.
De aangevraagde afvalstoffenrubrieken zijn:
− 2.2.2.f)1°
De exploitant vraagt eveneens een afwijking van de volgende sectorale voorwaarden:
− artikel 5.2.1.2 § 2 (weegbrug)
− artikel 5.2.1.5 § 1 (uithangbord)
− artikel 5.2.1.5 § 2 (ontoegankelijkheid)
− artikel 5.2.1.5 § 5 (groenscherm)
Evaluatie van de aanvraag
Tuinen Wirix is een tuinaannemersbedrijf dat bij zijn klanten (derden) allerlei tuinwerkzaamheden uitvoert. Daarbij komen verschillende afvalstromen vrij, die bij Tuinen Wirix worden opgeslagen in functie van een regelmatige afvoer naar vergunde verwerkers. Volgende afvalstromen worden in 1 container per stroom opgeslagen in kader van regelmatige afvoer:
− Papier/karton (verpakkingsafval, kantoorafval)
− Restafval (verpakkingsafval)
− Gesnipperd hout (A-hout)
− Metaal
− B-hout
− Bladeren/gras (groenafval)
Conform de indelingslijst van VLAREM I is de opslag van afvalstoffen in het kader van een regelmatige georganiseerde afvoer niet vergunningsplichtig.
Er wordt geen afval van derden aanvaard.
In actie 12 van het uitvoeringsplan voor huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval worden de maximum termijn voor opslag groenafval bepaald. De opslagtermijn voor fijn tuinafval bedraagt maximum 1 week in de periode april-oktober en 1 maand in de periode november-maart, voor het grovere tuinafval zoals snoeihout is de termijn beperkt tot 2 maanden.
Snoeiafval wordt buiten opgeslagen in bulk op een vloeistofdichte verharding. Het snoeiafval wordt verhakseld door een externe firma met een mobiele breker en mobiele trommelzeef. Het hakselen gebeurt maximaal 6 keer per jaar. Deze activiteit is wel vergunningsplichtig en hiervoor wordt de rubriek 2.2.2.f.1 aangevraagd.
Het gehakselde materiaal wordt als bodembedekker hergebruikt bij klanten. De OVAM merkt op dat de fijne fractie afkomstig van het afzeven van het verhakselde snoeihout een afvalstof is en moet worden afgevoerd naar een daartoe vergunde verwerker.
Het gebruik van snoeihout als bodembedekker moet voldoen aan de vereisten vermeld in het Actieplan Voedselverlies en Biomassa(rest)stromen Circulair 2021-2025:
− Het gebruik van snoeihout als bodembedekker (om onkruid te weren en verdroging te voorkomen) is enkel toegelaten als de kwaliteit van de biomassareststroom voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
Afwijkingen op sectorale voorwaarden
Het groenscherm en ontoegankelijkheid zijn hinderbeperkende maatregelen die geen impact hebben op het afvalstoffen- en materialenbeleid. De OVAM geeft hierover bijgevolg geen advies maar verwijst naar de lokale overheden als lokale deskundige.
Er worden enkel afvalstoffen afkomstig van de eigen activiteiten opgeslagen of verwerkt, dan is een uithangbord niet verplicht.
Het snoeiafval dat wordt verhakseld en ingezet als mulchmateriaal, is enkel afkomst van de eigen activiteiten Er wordt geen snoeiafval van derden aanvaard. Daarom staat de OVAM een afwijking op het gebruik en plaatsen van een geijkte weegbrug toe.
Conclusies
De OVAM adviseert GUNSTIG voor de omgevingsvergunningsaanvraag van Tuinen Wirix 2 voor:
Activiteit | Max. opslagcapaciteit | (meest aangewezen) Rubriek |
Opslag en mechanische behandeling van snoeiafval | 100 ton | 2.2.2.f)1°
|
De OVAM verleent een GUNSTIG advies voor de gevraagde afwijking van:
− artikel 5.2.1.2 § 2 (weegbrug)
− artikel 5.2.1.5 § 1 (uithangbord)
Vergunningstermijn en voorwaarden
De omgevingsvergunning kan worden toegekend voor onbepaalde duur, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
Algemene milieuvoorwaarden van VLAREM II:
− Hoofdstuk 4.1: algemene voorschriften.
Sectorale milieuvoorwaarden van VLAREM II:
− Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen - algemeen:
− afdeling 5.2.1, artikel 5.2.1.1 tot en met 5.2.1.9;
− Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen:
− subafdeling 5.2.2.4, artikel 5.2.2.4.1 tot 5.2.2.4.3;
Bijzondere exploitatievoorwaarden:
Overeenkomstig artikel 5.2.1.2.§2 van Vlarem II wordt een vrijstelling verleend van de verplichting tot het plaatsen van een geijkte weegbrug met automatische registratie vermits er enkel bedrijfseigen niet-verontreinigd behandeld houtafval verbrand wordt.
De OVAM vindt het noodzakelijk om de volgende aandachtspunten aan de exploitant mee:
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.
“De Vlaamse Milieumaatschappij geeft hierbij haar advies in antwoord op uw vraag, voor het lozen van afvalwater. (Advies in bijlage.)
VMM baseert zich voor dit advies op:
DEELASPECT WATER
Situatieschets
Tuinen Wirix is een tuinaannemersbedrijf. Ze vragen een omgevingsvergunning voor het exploiteren van het bedrijf op de eigen terreinen. Voor deze exploitatie werd reeds in april 2018 een milieuvergunning gevraagd maar deze werd geweigerd. Deze was niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening en zouden beter op elkaar afgestemd moeten zijn (onder andere de lozing van bedrijfsafvalwater moest aangevraagd worden).
Voor het bedrijf dat ingezet wordt voor tuinaanleg en -onderhoud wordt een nieuwe loods met een oppervlakte van 792 m² gebouwd. Deze loods zal gebruikt worden voor opslag van tuingereedschap en tuinbouwmachines en dient als circulatie-route om de bedrijfsvoertuigen tot achteraan op het terrein te laten rijden. Hier bevindt zich een opslagplaats in stapelblokken voor de verschillende grondstoffen en snoeiafval. Het snoeiafval is afkomstig van het onderhoud van de tuinen van de klanten van Tuinen Wirix (particulieren of bedrijven). Het snoeiafval wordt afgevoerd naar de inrichting en opgeslagen in afwachting van mechanische behandeling: hakselen. Op het bedrijf wordt snoeiafval opgeslagen en maximum 6 keer per jaar verhakseld en hergebruikt bij klanten als mulchmateriaal. De opslagbakken voor het stockeren van materialen voor tuinbouw bevinden zich achteraan op een vloeistofdichte verharding (693 m²) en bevatten onder andere houtschors, potgrond, compost, TOP (grond), snoeiafval en zand.
Er wordt een afwijking aangevraagd voor het plaatsen van een groenscherm van 5 meter rondom de inrichting, het plaatsen van een weegbrug, het plaatsen van een uithangbord, een 2 meter hoge afsluiting rondom de inrichting en de installatie van een meetgoot.
Volgende Vlarem-rubriek wordt aangevraagd waarvoor VMM advies dient te verstrekken: 3.4.2°;
Lozingssituatie
Tuinen Wirix vraagt de lozing van 12 m³/u – 29 m³/d – 610 m³/j bedrijfsafvalwater in riolering. De lozing van < 600 m³/j huishoudelijk afvalwater in riolering is niet meer ingedeeld en moet dus niet meer worden aangevraagd.
Er zijn 2 aparte lozingspunten op riolering:
1. hemelwater (overloop wadi)
2. huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater dat apart bemonsterbaar is via controleputten
Het bedrijf loost het afvalwater in de riolering van de Industrieweg; deze weg is gelegen in centraal gebied en de riolering ervan is aangesloten op RWZI Zonhoven. De RWZI heeft een ontwerpcapaciteit van 18.000 IE (op basis van 54 g BZV/IE,dag).
Hemelwater
Het hemelwater dat valt op het dak van de bestaande loods + burelen (548 m²) en de nieuwe opslagloods en parking rollend materiaal (792 m²) wordt opgevangen in 2 hemelwaterputten van elk 10.000 l. Het hemelwater wordt hergebruikt voor het wassen van de voertuigen, voor sanitaire installaties en voor het bevochtigen van het afval. Aan de 1e hemelwaterput is een overloop voorzien naar de infiltratiegracht-wadi (45.000 l en 87 m²), met overloop naar de riolering vooraan via een controleput.
VMM merkt op dat dit apart lozingspunt van hemelwater (overloop wadi), na aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel op de Industrieweg, onmiddellijk kan aangesloten worden op het RWA gedeelte van het gescheiden stelsel. Dit wordt eveneens als bijzondere voorwaarde opgelegd.
Huishoudelijk afvalwater
Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire installaties en wordt geloosd via 2 septische putten en 2 controleputten.
Bedrijfsafvalwater
Bedrijfsafvalwaterstromen |
| m³/u | m³/d | m³/j |
Potentieel verontreinigd hemelwater van de opslagplaatsen van afvalstoffen |
| 11,0187 | 28,2744 | 589,05 |
Waswater |
| 0,4 | 0,4 | 20,8 |
Totaal |
| 11,4187 | 28,6744 | 609,85 |
Deze totale debieten worden afgerond tot de lozing van 12 m³/u – 29 m³/d – 610 m³/j bedrijfsafvalwater in riolering.
Het bedrijfsafvalwater is afkomstig van:
1. potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaatsen van de afvalstoffen, via een acodrain
2. waswater van de wasplaats voor het wassen van maximum 5 voertuigen per week, op een vloeistofdichte betonverharding, via een acodrain
Beide bedrijfsafvalwaterstromen komen tesamen in een opvangput en worden geloosd via een KWS-afscheider met slibopvang en controleput naar de riolering vooraan.
1. Lozen bedrijfsafvalwater (potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaatsen van de afvalstoffen) in riolering
Voor de berekening van het potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaats van 693 m² wordt rekening gehouden met de berekeningsmethode van de VMM (2-jaarlijks terugkerende composietbui).
2. Lozen bedrijfsafvalwater van de wasplaats van de voertuigen in riolering
Het afvalwater afkomstig van het wassen van de voertuigen bedraagt 80 l per wasbeurt, 5 wasbeurten per week en 52 weken. Aangezien het moeilijk in te schatten is over welke tijdspanne de voertuigen gewassen worden, wordt er rekening gehouden met worst case: alle voertuigen na elkaar. Het weekdebiet is bijgevolg gelijkgesteld aan het dagdebiet en het uurdebiet. In werkelijkheid zal dit waarschijnlijk iets minder zijn. De wasplaats creëert geen potentieel verontreinigd hemelwater, aangezien deze zich onder een luifel bevindt.
Aanvraag bijstelling voorwaarden
Aanvraag tot afwijking van artikel 4.2.5.1.1,§1
De exploitant vraagt een afwijking van bovenstaand artikel van titel II van het VLAREM, waarin de verplichting wordt opgelegd om een meetgoot te plaatsen bij debieten vanaf 2 m³/u.
Gevraagde afwijking
Er wordt een afwijking van artikel 4.2.5.1.1§1 betreffende de installatie van een meetgoot gevraagd. Hierbij wenst Tuinen Wirix niet te moeten voldoen aan de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij VLAREM II gevoegde omschrijving en gestelde eisen.
Motivering bijstelling
Het overgrote deel van het bedrijfsafvalwater is namelijk potentieel verontreinigd hemelwater dat zeer moeilijk debietsproportioneel kan gemeten worden. Hierdoor zal de meetgoot tijdens het merendeel van de dagen leeg staan.
Beoordeling VMM
Het aangevraagde en ook het te vergunnen debiet ligt hoger dan de drempels voor het plaatsen van een meetgoot, conform artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II. Een meetgoot voorzien voor deze vloeistofdichte verharding lijkt evenwel niet nuttig, daarom adviseert VMM conform de afwijkingsmogelijkheid bepaald in dit artikel dat de meetgoot vervangen mag worden door een monsternameput waaruit op eenvoudige wijze schepstalen genomen kunnen worden.
ADVIES WATER
De Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig voor:
Volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing:
Namens de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer.”
De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.
De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.
In navolging van het advies werden op 22/11/2021 aangepaste plannen overgemaakt zijnde een aangepast inplantingsplan en aangepast rioleringsplan.
Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving, dat de ruimtelijke draagkracht van het perceel niet wordt overschreden en dat aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang gebracht, noch verstoord worden mits het opleggen van voorwaarden.
De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening mits volgende aanpassingen door te voeren en voorwaarden na te leven:
MILIEUTECHNISCH ADVIES
De aanvraag betreft een nieuwe inrichting.
De aanvraag houdt in: tuinaanleg en -onderhoud.
Met volgende aangevraagde rubrieken:
Volgende bijstellingen worden aangevraagd:
De wetgeving omschrijft een groenscherm langsheen de randen van minstens 5 meter breed. De bijstelling behelst een groenscherm van 0,5 meter aan de zijkanten en geen aan de voorkant. Aan de achterzijde zal 5 meter voorzien worden.
De wetgeving verplicht een geijkte weegbrug met automatische registratie. De aanvrager wenst niet te voldoen aan deze voorwaarde.
Een uithangbord met gegevens van het bedrijf van minstens 1 m² grootte moet aan de voorzijde van het bedrijf geplaatst worden.
De aanvrager wenst geen uithangbord te plaatsen.
De inrichting wordt omheind met een stevige en 2 meter hoge afsluiting waarbij de toegangswegen met een poort worden afgesloten.
Het bedrijf wenst aan de achterzijde geen 2 meter hoge afsluiting te plaatsen.
De aanvrager wenst geen debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur te moeten voorzien;
Volgende onderdelen zijn niet-vergunningsplichtig en aldus niet opgenomen:
OMGEVINGSVEILIGHEIDSRAPPORT
Het voorwerp van de aanvraag heeft geen betrekking op het hogedrempelinrichting. Het opstellen van een omgevingsveiligheidsrapport is dan ook niet van toepassing.
MILIEU-ASPECTEN
De productie wordt opgesplitst als volgt :
Het merendeel van de activiteiten vindt plaats bij de klanten, op het terrein vindt de opslag plaats van diverse materialen alsook van snoeiafval en het hakselen hiervan. Tevens wordt voorzien in het stallen, wassen en bevoorraden van de bedrijfseigen voertuigen.
Ligging ten opzichte van de buurt
De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in KMO-zone.
In een straal van 100 meter zijn 3 woningen gelegen.
Op ca. 75 meter van de perceelsgrenzen en op ca. 90 meter van de bedrijfsgebouwen staat een woning.
Dit maakt dat de inrichting wel voor hinder kan zorgen voor de buurt.
AFWIJKING OP DE MILIEUVOORWAARDEN
Het bedrijf vraagt volgende afwijkingen aan algemene en/of sectorale milieuvoorwaarden:
In afwijking op dit artikel wenst de exploitant aan de linker- en rechterzijde een beperkt groenscherm van 0,5 meter te voorzien, een groenscherm van 5 meter aan de achterzijde en geen groenscherm aan de voorzijde.
De motivatie voor deze afwijking is als volgt:
Het doel van het groenscherm, met name om afvalstoffen aan het zicht te onttrekken, is vooral nodig aan de achterzijde van het terrein (fietspad). Dit zal bereikt worden. De afvalstoffen zullen gestockeerd worden in bunkers (betonnen stapelblokken). Langs de zijkanten zal 0,5 meter groenscherm voorzien worden.
Er kan akkoord gegaan worden met deze motivatie en deze afwijking, behoudens de afwijking op de voorzijde. Aan de voorzijde dient eveneens een groenstrook voorzien van minstens 1 meter, opgebouwd uit een beplanting voorzien van hagen, struiken of andere streekeigen lage beplanting, mogelijk aangevuld met kleinere bomen.
Tuinen Wirix wenst een afwijking te bekomen voor het wegen en registreren van de aangevoerde afvalstoffen.
De motivatie voor deze afwijking is als volgt:
De aangevoerde afvalstoffen (snoeiafval) is afkomstig van particulieren. De meeste afvalstoffen worden beschouwd als eigen bedrijfsafval en zijn niet indelingsplichtig. Het betreft snoeihout, haagscheersel, maaisel en boomstronken. Het is niet de bedoeling om afval te composteren. Fijn tuinafval wordt bijgevolg kort opgeslagen en regelmatig afgevoerd. Dit is niet indelingsplichtig. De afvoer gebeurt conform de algemene voorschriften van de OVAM: 1 week van april tot oktober en 1 maand van november tot maart.
Enkel de opslag van snoeiafval is indelingsplichtig. Het snoeiafval wordt opgeslagen en minstens 6 x per jaar verhakseld (mechanische behandeling) om dan te hergebruiken als bodembedekker bij klanten. De opslagtermijn bedraagt max. 2 maanden. Het is praktisch niet mogelijk om een weegbrug op het terrein te voorzien. Er is hiervoor niet voldoende plaats en het zou enkel nodig zijn voor het snoeiafval. Het snoeiafval wordt na verhakselen hergebruikt als mulchmateriaal. Het tonnage van het afgevoerde snoeiafval kan wel bekomen worden via de externe verwerker Geerkens (zie in extra bijlage de afvoerbewijzen). Op basis hiervan kan een afvalstoffenregister worden samengesteld.
Gelet op het gunstig advies van Ovam.
Er kan akkoord gegaan worden met deze motivatie en deze afwijking.
Tuinen Wirix wenst geen uithangbord te plaatsen.
De motivatie voor deze afwijking is als volgt:
De enige ingedeelde afvalstof betreft snoeiafval. Er wordt maximaal 100 ton opgeslagen. Het is niet mogelijk voor derden om snoeiafval aan te leveren. Het verhakselen gebeurt ongeveer 5 keer per jaar, telkens tijdens de normale openingsuren. De exploitant of zijn afgevaardigde is dan steeds aanwezig in de inrichting.
Gelet op gunstig advies van Ovam.
Er kan akkoord gegaan worden met deze motivatie en deze afwijking.
Tuinen Wirix wenst geen 2 meter hoge afsluiting te plaatsen aan de achterkant van het terrein.
Achteraan het terrein is een groenscherm van 5 meter voorzien. Langs de zijkanten is een draadafsluiting van 2 meter voorzien. Aan de voorkant van het gebouw bevindt zich een gesloten poort van 2 meter hoogte.
Deze afwijking kan niet worden toegestaan aangezien de achterzijde van het terrein door het voorzien van enkel een groenscherm niet afgesloten is en dit niet conform de voorwaarden is.
BODEM
Het bedrijf valt met volgende rubrieknummers uit de Vlaremindelingslijst onder de categorie van risico-inrichting: 2.2.2.f)1° ; waarbij categorie A - oriënterend bodemonderzoek verplicht bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de 20 jaar.
De uitgevoerde activiteit vormt een risico voor bodemverontreiniging omwille van de opslag van afvalstoffen, diesel, benzine en rode mazout, alsook de verdeling van diesel en wassen van voertuigen.
Volgende maatregelen neemt het bedrijf: De opslag van afvalstoffen, evenals het wassen en het bevoorraden van voertuigen gebeurt op en boven vloeistofdichte zones. De opslaghouders betreffen bovengrondse en ondergrondse dubbelwandige houders dewelke periodiek gekeurd worden. Tenslotte gebeurt de opslag van verplaatsbare recipiënten boven lekbakken en is voorzien in absorberende materialen om eventuele calamiteiten op te ruimen.
GELUIDSHINDER
Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kan geluidshinder waar te nemen zijn buiten het bedrijf:
De aan- en afvoer van materialen, het hakselen van snoeihout en het vroege vertrekuur van de werknemers aan de loods met eventueel gepaarde handelingen (zoals materiaal opladen) kunnen aanleiding geven tot hinder door geluid.
Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen: Volgens de aanvraag zullen de normale activiteiten enkel plaatsvinden tussen 7u en 19u. Tevens worden organisatorische maatregelen getroffen inzake het laden van vrachtwagens, alsook het vertrekken hiervan en de transportbewegingen op de site. Met betrekking tot het hakselen van het snoeiafval zijn er geen specifieke maatregelen voorzien. De exploitant stelt dat dit slechts 6 keer per jaar zal gebeuren tijdens de normale werkuren.
Het geluid kan in dergelijke mate storend zijn dat dit een probleem vormt en volgende maatregelen getroffen moeten worden:
Met betrekking tot de mogelijke hinder inzake geluid worden enkele bijzondere voorwaarden voorgesteld, zie verder.
Indien de exploitatie laad- en losverrichtingen behelst, dan neemt de exploitant alle nodige maatregelen (BBT) om dit geluid te beperken en te verhinderen dat het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving (Vl II; afd. 4.5.7).
GEURHINDER
Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kunnen volgende geuren waargenomen worden:
Geur van compostering van groenafval.
Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen:
Het groenafval dat kan composteren, wordt slechts beperkt en kortstondig op het terrein opgeslagen in afwachting van afvoer ervan.
LUCHTVERONTREINIGING
De verwarming van de gebouwen gebeurt met : mazout.
Hiervoor zijn afvoerkanalen voorzien waarbij de emissie als hinderlijk beschouwd kan worden.
De verwarmingsinstallatie dient periodiek aan een controle en onderhoud onderworpen te worden conform de voorschriften. Er kan aangenomen worden dat deze installatie geen negatieve effecten inzake lucht veroorzaakt.
STOFHINDER
In het bedrijf wordt stof geproduceerd en dit is afkomstig van het hakselen van snoeihout en de opslag en het zeven van gronden.
Het bedrijf neemt volgende maatregelen om het stof op te vangen:
Bevochtigen van de materialen door middel van sproei-installaties en gebruik van een vernevelaar.
Op welke manier kan de stofhinder verhinderd worden?
Door het consequent inzetten van de vernevelaar en sproei-installaties kan stofhinder voorkomen worden. Door het vochtig houden van de te ver- en bewerken materialen zal de vorming van stof beperkt worden.
LICHTBEHEERSING
Het bedrijf gebruikt verlichting voor de veiligheid/uitbating en zorgt voor lichthinder.
Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.
Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.
LOZING VAN AFVALWATER
Volgende waterstromen komen vrij:
en worden geloosd in de gemengde riolering.
De inrichting ligt overeenkomstig het gemeentelijk zoneringsplan in een centraal gebied.
HEMELWATER
Er is een gescheiden hemelwaterafvoer aanwezig waarbij het hemelwater wordt opgevangen in hemelwaterputten met een totale inhoud van 20 000 liter.
De overloop van de hemelwaterputten loopt naar een infiltratiegracht met noodoverloop naar de riolering. Het water wordt hergebruikt voor het wassen van de voertuigen, voor sanitaire installaties en voor het bevochtigen van het afval.
Het bedrijf voldoet aan artikel 4.2.1.3.§5 onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of milieuvergunningsvoorwaarden, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld:
1° opvang voor hergebruik;
2° infiltratie op eigen terrein;
3° buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;
4° lozing in de regenwaterafvoerleiding in de straat.
Volgende voorwaarden worden opgelegd inzake hergebruik van hemelwater, met doeleinden: geen.
HUISHOUDELIJK AFVALWATER
Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van sanitaire installaties.
De inrichting ligt in een centraal gebied wat maakt dat een septische put niet geplaatst moet worden.
BEDRIJFSAFVALWATER DAT GEEN GEVAARLIJKE STOFFEN BEVAT
Dit bedrijfsafvalwater bestaat enerzijds uit het potentieel verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte zone voor onder meer de opslag van afvalstoffen en anderzijds uit het afvalwater afkomstig van het wassen van de bedrijfseigen voertuigen. Het beschouwde afvalwater wordt geloosd via een kws-afscheider met slibvangput. Tevens is voorzien in een controleput voor het nemen van stalen. Dit is in overeenstemming met de vigerende wetgeving.
KOELWATER
Er wordt geen koelwater aangevraagd.
MEETINRICHTING
Gelet op de gevraagde afwijking van art. 4.2.5.1.1.§1 om geen meetgoot te plaatsen wordt het advies van de VMM gevolgd. Er wordt namelijk akkoord gegaan met de gevraagde afwijking mits er een goed toegankelijke controleput aanwezig is waar een schepstaal genomen kan worden.
AFVALSTOFFEN
Er worden volgende afvalstoffen geproduceerd en gescheiden opgehaald:
Volgens de aanvraag worden volgende afvalstromen selectief ingezameld en afgevoerd naar hiertoe vergunde verwerkers:
De exploitant dient de afvalstromen selectief in te zamelen conform de bepalingen van artikel 4.3.2 van het Vlarema.
EXTERNE ADVIEZEN
Voor rubriek 2.2.2.f)1° werd advies gevraagd aan OVAM en bekomen op 06/08/2021.
Het advies luidt als volgt:
Gunstig mits voorwaarden – zie eerder.
Voor het lozen van bedrijfsafvalwater en de afwijking tot het plaatsen van een meetgoot werd advies gevraagd aan de VMM en bekomen op 22/11/2021.
Gunstig mits voorwaarden – zie eerder.
LIGGING IN KWETSBAAR GEBIED
De uitbating is niet gelegen in speciale beschermingszone, een VEN gebied of waterwingebied.
Volgende voorwaarden worden opgenomen als bijzondere voorwaarden in het besluit:
AANGEVRAAGDE RUBRIEKEN
Volgende onderdelen uit het bedrijf dienen nog voorzien van een omgevingsvergunning :
vergunningstermijnen
Het omgevingsproject vraagt een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.
Gelet op bovenstaande, kan dit gevolgd worden.
ADVIES –VOORWAARDEN – DUUR:
Advies – voorwaarden:
Gelet op het onderzoek dat ingesteld werd door de gemeentelijke omgevingsambtenaar, gebaseerd op de gegevens die beschikbaar werden gesteld door de bedrijfsleiding binnen het omgevingsproject wordt volgende geadviseerd:
Volledig gunstig voor de aanvraag mits volgende voorwaarden worden opgelegd en nageleefd:
Bijzondere voorwaarden:
Aandachtspunten:
Duur:
De vergunningsduur kan verleend worden voor onbepaalde duur.
GECOÖRDINEERD EINDADVIES
Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving mits het opleggen van voorwaarden.
De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf
Voor volgende rubrieken:
Voor volgende bijstellingen:
mits voldaan wordt aan de opgelegde voorwaarden.
Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:
Voor volgende rubrieken:
Voor volgende bijstellingen:
Opgelegde voorwaarden:
Alvorens een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen dient bewezen te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de reeds afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen / omgevingsvergunningen.
Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.
De bezwaarindieners worden op de hoogte gebracht van de beslissing van het schepencollege.
Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaren van 07/12/2021 omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.
Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.
De omgevingsvergunning omvat het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.
Voor volgende rubrieken:
Voor volgende bijstellingen:
De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:
Opgelegde voorwaarden:
Alvorens een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen dient bewezen te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de reeds afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen / omgevingsvergunningen.
Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.
De bezwaarindieners worden op de hoogte gebracht van de beslissing van het schepencollege.