Terug
Gepubliceerd op 22/12/2021

Notulen  College van burgemeester en schepenen

di 14/12/2021 - 13:30 schepenzaal

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur

Agendapunten

1.

2021_CBS_01324 - Notulen vorige zitting - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
1.

2021_CBS_01324 - Notulen vorige zitting - Goedkeuring

2021_CBS_01324 - Notulen vorige zitting - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

De gemeenteraadsleden beschikken over de mogelijkheid om de goedgekeurde notulen via eBesluit te raadplegen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen heeft geen opmerkingen over het verslag. Bijgevolg is het verslag van de zitting van 7 december 2021 goedgekeurd.

2.

2021_CBS_01325 - Afsprakennota uitwisseling personeelsleden i.k.v. Interlokale Vereniging deelplatform MIDWEST-LIM - Data Protection Officer (DPO) - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
2.

2021_CBS_01325 - Afsprakennota uitwisseling personeelsleden i.k.v. Interlokale Vereniging deelplatform MIDWEST-LIM - Data Protection Officer (DPO) - Goedkeuring

2021_CBS_01325 - Afsprakennota uitwisseling personeelsleden i.k.v. Interlokale Vereniging deelplatform MIDWEST-LIM - Data Protection Officer (DPO) - Goedkeuring

Motivering

Verwijzingsdocumenten

Samenwerkingsovereenkomst Deelplatform MIDWEST-LIM dd. 1 februari 2021.
Huishoudelijk reglement Deelplatform MIDWEST-LIM dd. 15 februari 2021.
Afsprakennota.

Feiten context en argumentatie

In het kader van de Interlokale Vereniging Deelplatform MIDWEST-LIM wordt een personeelslid in dienst van de stad Hasselt uitgeleend aan de gemeente Zonhoven conform de bepalingen uit de samenwerkingsovereenkomst dd. 1 februari 2021, het huishoudelijk reglement dd. 15 februari 2021 en de bijgevoegde afsprakennota.

De functie waarop de uitwisseling betrekking heeft is die van Data Protection Officer (DPO).

Het uitvoeren van de taken die verbonden zijn aan de positie van Data Protection Officer, waaronder maar niet beperkt tot de volgende taken in het kader van de GDPR:
- samen opstellen en beheren van basisdocumenten, met in het bijzonder het verwerkingsregister;
- het beantwoorden van vragen in tweede lijn;
- aanspreekpunt voor betrokkenen en diverse toezichthouders en/of instellingen;
- bijstand GDPR bij concrete projecten;
- GDPR adviesverlening;
- deelname aan interne overlegorganen;
- toegang- en rechtenbeheer;
- waar mogelijk en wenselijk GDPR-awareness creëren.
Ondersteuning op gebied van informatieveiligheid, waar mogelijk en wenselijk.

De uitwisseling start op 1 april 2021 en wordt voor onbepaalde tijd aangegaan.  Er worden geen vaste werktijden gehanteerd in het kader van deze samenwerking.  Er kan op ieder moment gewerkt worden voor de ontlenende gemeenten binnen het werkregime van toepassing op het uitgeleende personeelslid.

Enkel de voor de ontlenende gemeente gepresteerde uren zullen worden aangerekend.

Conform het huishoudelijk reglement is de kost voor deze uitwisseling 32,90 euro/uur, exclusief dienstverplaatsingen. De te factureren bruto uurloonkost wordt jaarlijks, op 1 januari van elk jaar, herberekend op basis van de werkelijke bruto jaarloonkost conform art. 19 huishoudelijk reglement.

De afsprakennota werd reeds goedgekeurd door het college van burgemeester en schepenen dd. 23 maart 2021.  Op vraag van stad Hasselt moet die afsprakennota licht aangepast worden, namelijk het takenpakket werd licht uitgebreid en er werd verduidelijkt dat de kosten voor de gemeente Zonhoven aangepast worden aan het gewijzigde jaarloon (door indexering en meer anciënniteit) van het uitgeleende personeelslid door Hasselt, zoals voorzien in het huishoudelijk reglement.  

Dit nieuwe besluit vervangt integraal het besluit van het college van burgemeester en schepenen dd. 23 maart  2021.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen keurt de afsprakennota, zoals toegevoegd in bijlage, goed voor de uitwisseling van een Data Protection Officer, uitgeleend door de stad Hasselt, ingaande op 1 april 2021 voor onbepaalde duur.

Artikel 2

Het besluit van het college van burgemeester en schepenen dd. 23 maart 2021 houdende goedkeuring "Afsprakennota uitwisseling personeelsleden i.k.v. Interlokale Vereniging deelplatform MIDWEST-LIM - Data Protection Officer" wordt integraal vervangen door dit nieuwe besluit.

3.

2021_CBS_01326 - Afvoering van ambtswege - Goedkeuring

Goedgekeurd
3.

2021_CBS_01326 - Afvoering van ambtswege - Goedkeuring

2021_CBS_01326 - Afvoering van ambtswege - Goedkeuring
4.

2021_CBS_01327 - Goedkeuring bestelbons - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
4.

2021_CBS_01327 - Goedkeuring bestelbons - Goedkeuring

2021_CBS_01327 - Goedkeuring bestelbons - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Het college van burgemeester en schepenen keurt de lijst van bestelbons goed.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen keurt de lijst van bestelbons goed voor een bedrag van € 19.954,02.

5.

2021_CBS_01328 - Erkenning van de samenvoeging van de parochie Sint-Eligius (Ter Donk) met de te behouden parochie Sint-Jozef (Halveweg) - Kennisneming

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
5.

2021_CBS_01328 - Erkenning van de samenvoeging van de parochie Sint-Eligius (Ter Donk) met de te behouden parochie Sint-Jozef (Halveweg) - Kennisneming

2021_CBS_01328 - Erkenning van de samenvoeging van de parochie Sint-Eligius (Ter Donk) met de te behouden parochie Sint-Jozef (Halveweg) - Kennisneming

Motivering

Feiten context en argumentatie

De kerkraden van de parochie Sint-Jozef (Zonhoven-Halveweg) en Sint-Eligius (Zonhoven-Ter Donk) brachten op 12 april 2021 een gunstig advies uit over deze samenvoeging.
De gemeenteraad van Zonhoven bracht op 13 september 2021 een gunstig advies uit over deze samenvoeging.
De minister van Justitie bracht op 15 oktober 2021 een gunstig advies uit over deze samenvoeging.
De bovenvermelde adviezen zijn gunstig. De samenvoeging van twee geloofsgemeenschappen betreft de interne organisatie van de eredienst. De scheiding tussen Kerk en Staat, en meer in het bijzonder artikel 21 van de Grondwet, garandeert de organisatorische autonomie van de erediensten. De territoriale en bestuurlijke organisatie behoren tot de organisatorische autonomie van de eredienst. Het samenvoegen van twee geloofsgemeenschappen is dus een exclusieve bevoegdheid van het erkend representatief orgaan van de eredienst, met toepassing van en met respect voor alle interne regels van de eredienst. De Vlaamse Regering hoeft enkel na te gaan of die beslissing genomen is door het binnen die eredienst bevoegde orgaan, maar kan noch de pastorale overwegingen, noch het respecteren van alle nadere interne vormvoorschriften in vraag stellen. Alle kerkrechtelijke bezwaren kunnen via de geëigende canonieke procedures worden aangevoerd, maar ze kunnen niet het voorwerp uitmaken van een beoordeling door de Vlaamse Regering. Bijgevolg werd een positief gevolg gegeven aan het verzoek tot samenvoeging van de parochie Sint-Eligius (Zonhoven-Ter Donk) met de te behouden parochie Sint-Jozef (Zonhoven-Halveweg) te Zonhoven.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het ministerieel besluit van 18 november 2021 waarbij de samenvoeging van de parochie Sint-Eligius (Ter Donk) met de te behouden parochie Sint-Jozef (Halveweg)  wordt erkend. De huidige mandaten van beide kerkraden vervallen en een nieuwe kerkraad wordt op voordracht van de pastoor geïnstalleerd.

6.

2021_CBS_01329 - Retributiereglement dienst vrije tijd met aangepaste tarieven : 1ste semester 2022 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
6.

2021_CBS_01329 - Retributiereglement dienst vrije tijd met aangepaste tarieven : 1ste semester 2022 - Goedkeuring

2021_CBS_01329 - Retributiereglement dienst vrije tijd met aangepaste tarieven : 1ste semester 2022 - Goedkeuring

Motivering

Verwijzingsdocumenten

De conceptnota voor deze Kerstmarkt is reeds besproken in het college van burgemeester en schepenen van 21/09/2021.
In de zitting werd beslist dit evenement, onder de naam "Kerstdorp 2021" verder uit te werken volgens de richtlijnen en voorwaarden vermeld in de conceptnota.

Feiten context en argumentatie

De wijzigingen en nieuwe tarieven werden via mail bij elke dienst opgevraagd en verwerkt in dit besluit.

Vooral de sportdienst en cultuurdienst zitten met een programmatie van activiteiten voor de burgers.  CC tentakel biedt steeds een jaarprogramma aan waarvan de tarieven worden vastgelegd bij aanvang van het 2de semester.  De sportdienst daarentegen werkt met een sportkampenaanbod dat evenwel per semester wordt herzien.  Mogelijke aanpassingen staan vermeld in dit nieuw besluit.  

Verder is de invoering van het Kerstdorp toegevoegd, waarvan de krijtlijnen in het college van burgemeester en schepenen van 21 september 2021 werden besproken

De tarieven van "Zonhoven trapt door" blijven in het reglement staan voor het geval de organisatie opnieuw mogelijk is binnen de corona-maatregelen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen beslist :

  • het collegebesluit van 6 juli 2021 betreffende de vaststelling van de tarieven voor de verkoop van toeristisch promotiemateriaal en/of aanbieden van producten en dienstverlening, geleverd door "Vrije tijd" op te heffen vanaf 15/12/2021
  • en met ingang vanaf 15/12/2021 de nieuwe tarieven goed te keuren voor het 1ste semester 2022, die als bijlage zijn toegevoegd.

Artikel 2

Deze beslissing wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikels 286, 287 en 288 van het Decreet  Lokaal Bestuur.  Er wordt melding gemaakt bij de toezichthoudende overheid overeenkomstig artikel 330 van het Decreet Lokaal Bestuur.  Een afschrift van dit besluit wordt overgemaakt aan elke gemeentelijke dienst binnen "Vrije tijd".

7.

2021_CBS_01330 - Gemeentelijke dienstenbelasting voor bedrijven 2021 - Definitief kohier - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
7.

2021_CBS_01330 - Gemeentelijke dienstenbelasting voor bedrijven 2021 - Definitief kohier - Goedkeuring

2021_CBS_01330 - Gemeentelijke dienstenbelasting voor bedrijven 2021 - Definitief kohier - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

In uitvoering van het gemeentelijk belastingreglement op de dienstenbelasting (dienstjaren 2019 tot en met 2024), gestemd in de gemeenteraad van 24 juni 2019, worden elk dienstjaar 2 kohieren opgemaakt. 

Het basisbelastingbedrag werd in 2019 bij reglement vastgesteld op € 59,87. Het gemeentelijke belastingreglement voorziet in een jaarlijkse indexering van het tarief, wat neerkomt voor 2021 op € 60,87.   Berekening (basistarief 2019 x index jan 2021 / index jan 2019 of € 59,87 x 109,97 / 108,17)

Het eerste kohier betreft alle gezinshoofden en alleenstaanden, die op 1 januari van een dienstjaar ingeschreven zijn in het bevolkingsbestand met uitzondering van de inwoners, die via een OCMW-lijst (collectieve schuldenregeling) of de gemeentelijst (Schuldenregeling via deurwaarder of schuldbemiddelaars) geschrapt zijn. De belastingrol werd al in het college van burgemeester en schepenen op datum van 19/10/2021 uitvoerbaar verklaard ten bedrage van € 529.477,26 (8698 aanslagen aan € 60,87)

Het tweede kohier met name de dienstenbelasting voor bedrijven en vennootschappen staat hier op de agenda voor uitvoerbaarverklaring ten bedrage van € 33.904,59.   Het betreft 557 aanslagen aan € 60,87.  Ter info : in dienstjaar 2020 waren er 532 aanslagen aan een belastingbedrag van € 60,71 wat neerkwam op € 32.297,72

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen stelt het kohier van de gemeentelijke dienstenbelasting voor bedrijven en ondernemingen vast ten bedrage van € 33.904,59

Samen met het bedrag voorzien in het kohier voor gezinnen (€ 529.477,26) komt dit neer op een totaalopbrengst van € 563.381,85

In het meerjarenplan is onder MJP000235 een bedrag van € 544.000,00 ingeschreven voor deze dienstenbelasting.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist deze rol uitvoerbaar te verklaren en over te maken aan de financieel directeur.

8.

2021_CBS_01331 - Impact van de Tax shift voor de periode 2016-2021 - Kennisneming

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
8.

2021_CBS_01331 - Impact van de Tax shift voor de periode 2016-2021 - Kennisneming

2021_CBS_01331 - Impact van de Tax shift voor de periode 2016-2021 - Kennisneming

Motivering

Feiten context en argumentatie

Bij schrijven van de heer D'Haeseleer van de studiedienst van FOD Financiën van 6 december 2021 deelt hij een geactualiseerd meerjarenoverzicht mede van de bruto budgettaire
impact uitgaande van de Tax shift voor de periode 2016-2021.
Deze impact betreft de effecten voortvloeiend uit de maatregelen genomen op vlak van de Tax shift I, voor wat betreft aanslagjaar 2016, en deze genomen op het vlak van Tax shift II, aangaande de aanslagjaren 2017, 2019 en 2020. Aangezien elk aanslagjaar ingekohierd wordt over twee begrotingsjaren, hebben deze effecten betrekking op de begrotingsjaren 2016 tot en met 2021. De bovenvermelde bruto effecten van de maatregelen met betrekking tot de Tax shift voor de gemeente Zonhoven zijn schematisch gebundeld in het onderstaande overzicht

 

Tax ShiftjaarlijkseGecumuleerde

bruto-impactbruto-impact



201622 533,3722 533,37
2017126 338,83148 872,20
2018162 544,18311 416,38
201966 160,73377 577,11
2020200 930,66578 507,77
2021137 218,38715 726,15

In dit kader vestigt hij vooral de aandacht op het feit dat de bovenvermelde impact dus slechts de bruto-effecten ter zake betreft. Deze bedragen houden geen rekening met de “terugverdieneffecten” voortvloeiend uit de diverse maatregelen genomen op vlak van de Tax shift I en II. Deze maatregelen hadden vooral tot doel de competitiviteit van de Belgische economie aan te zwengelen en dus de arbeidsmarkt te doen herleven. Het spreekt voor zich dat een verhoging van de werkgelegenheid positieve effecten zal sorteren op de loonmassa en dus ook op het niveau van de ontvangsten zowel op vlak van de personenbelasting als voor de PB/GEM. Intussen zijn de effecten volgens de heer D4Haeseleer op de arbeidsmarkt al vastgesteld door zowel het Federaal Planbureau als de Nationale Bank van België. Op basis van de laatste beschikbare gegevens zijn er meer dan 200.000 nieuwe banen gecreëerd gedurende de periode 2015-2019. Vervolgens merkt hij op dat de federale overheid ook maatregelen heeft genomen die, zij het indirect, positieve effecten zullen hebben op de financiën van de lokale besturen. Het is dus duidelijk dat de Tax shift moet geïnterpreteerd worden binnen een globale context.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het schrijven van de studiedienst van FOD Financiën van 6 december 2021 met een geactualiseerd meerjarenoverzicht van de bruto budgettaire impact uitgaande van de Tax shift voor de periode 2016-2021.

9.

2021_CBS_01332 - Subsidies kadervorming jeugd 2021 - Goedkeuring

Goedgekeurd
9.

2021_CBS_01332 - Subsidies kadervorming jeugd 2021 - Goedkeuring

2021_CBS_01332 - Subsidies kadervorming jeugd 2021 - Goedkeuring
10.

2021_CBS_01334 - Formeel advies voorontwerp Beleidsplan Ruimte Limburg - Advies

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
10.

2021_CBS_01334 - Formeel advies voorontwerp Beleidsplan Ruimte Limburg - Advies

2021_CBS_01334 - Formeel advies voorontwerp Beleidsplan Ruimte Limburg - Advies

Motivering

Feiten context en argumentatie

Op 23 september 2021 stelde de deputatie het voorontwerp van Beleidsplan Ruimte Limburg vast. Dit kreeg de titel “Ruimtepact 2040, ambitie voor Limburg”. Het voorontwerp van het beleidsplan bestaat uit een strategische visie en drie beleidskaders. De strategische visie schetst een toekomstperspectief voor Limburg in 2040 en bevat zeven strategische doelstellingen die de krachtlijnen en de richting uitzetten voor het ruimtelijk beleid. Drie beleidskaders werden uitgewerkt voor thema’s die voor Limburg belangrijk zijn: wonen, economie en open ruimte. Ieder beleidskader diept een thema verder uit en bevat operationele doelstellingen en een set van acties om het ruimtelijk beleid waar te maken.

Beleidskader wonen in stads- en dorpskernen

De provincie Limburg wordt ingedeeld in 10 regionale woningmarkten. Het onderzoek naar en de afbakening van de regionale woningmarkten werd uitgewerkt binnen de studie ‘Regionale Woningmarkten in Limburg’. De gemeente Zonhoven werd opgenomen binnen de woningmarkt Midden-Limburg West. De woningmarkt Midden-Limburg west wordt gevormd door de gemeenten Halen, Lummen, Zonhoven, Herk-de-Stad, Diepenbeek, Alken, Kortessem (gedeeltelijk), Houthalen-Helchteren (gedeeltelijk) en Heusden-Zolder (gedeeltelijk) en de provinciehoofdstad Hasselt. De woningmarkt situeert zich centraal (westelijk) in de provincie Limburg en grenst in het westen aan de provincie Vlaams-Brabant.

Binnen elke woningmarkt worden de kernen afgebakend en verder verfijnd in kerntyperingen op basis van gebiedsprofielen.

De provincie stelt volgende kerntypering voor:

  • Bovenlokale kernen zijn kernen die het lokale niveau overschrijden. De bovenlokale kernen worden opgedeeld in:
    • Regionaalstedelijke kernen (Hasselt-centrum, Kuringen, Banneux-wijk, Kiewit & Godsheide):
      • Regionaal stedelijke kernen zijn kernen die binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk liggen.
      • De afbakening van het regionaal stedelijk gebied laat toe om binnen de contour een stedelijk gebiedbeleid te voeren dat gericht is op het creëren van een aanbod aan bijkomende ruimte voor kwalitatief wonen, werken en andere stedelijke voorzieningen, in relatie tot een goed functionerend openbaar vervoersnetwerk en rekening houdend met de aanwezige open ruimte.
      • Het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk beslaat een grote oppervlakte. De kernfunctie van Hasselt-centrum of Genk-centrum kan niet worden doorgetrokken voor alle kernen die binnen deze afbakening liggen. Daarom wordt er een nuancering toegevoegd die tegemoet komt aan de vraag van beide steden om een kader te bieden waarbinnen nieuwe afwegingen kunnen gebeuren. De kernen die aansluiten bij het centrum van deze steden worden als regionaal stedelijk getypeerd. Woonontwikkelingen moeten voornamelijk hier plaatsvinden.
      • Naast Hasselt-centrum worden de kernen die nauw aansluiten bij het centrum van Hasselt en goed scoren qua kernfunctie, getypeerd als regionaal stedelijke kernen. 
      • Ze liggen allen binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk.
      • De kernen Godsheide en Banneux-wijk zijn specifiek omwille van hun sterke connectie met de Corda-campus.
    • Ondersteunende regionaalstedelijke kernen (Rapertingen, Kermt, Tuilt):
      • Ondersteunende regionaal stedelijke kernen zijn de kernen die morfologisch gericht zijn naar een grote centrumkern maar omgeven zijn door voornamelijk landelijk gebied.
      • Het zijn op zichzelf functionerende kernen binnen het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk. Deze kernen zijn morfologisch gericht naar een grote centrumkern.
      • Dit onderscheid in kerntypering is nodig als instrument om te kunnen sturen en een ander woonbeleid te voeren dan bij de regionaal stedelijke kernen. Bij de ondersteunende regionaal stedelijke kernen moet een ander woonbeleid gevoerd worden dan bij de regionaal stedelijke kernen.
    • Provinciaal stedelijke kernen (deze komen niet voor binnen de woningmarkt Midden-Limburg West):
      • Provinciaal stedelijke kernen zijn kernen die binnen de afbakening van een kleinstedelijk gebied liggen, zoals vastgelegd in de provinciale RUP’s.
      • De afbakening van de kleinstedelijke gebieden is compacter en meer afgestemd op de omvang van de toekomstige woonbehoeften dan het regionaal stedelijk gebied.
      • Een verdere opdeling van de kernen die binnen deze afbakening vallen, is in die optiek niet nodig.
    • Strategische kernen op woningmarktniveau (Houthalen): 
      • Strategische kernen op woningmarktniveau zijn kernen met een specifieke dynamiek op bovenlokaal niveau.
      • Ze zijn belangrijk voor de woningmarkt door hun positionering en om de huishoudensgroei op te vangen.
      • Houthalen is een strategische kern op woningmarktniveau omwille van haar ligging in het kader van de Noord-Zuid, haar voorzieningenniveau, het toekomstig hoogwaardig openbaar vervoersysteem en het groeipotentieel van het bedrijventerrein Centrum-Zuid.
      • Randvoorwaarden Houthalen: De realisatie van het hoogwaardig openbaar vervoersysteem met Houthalen als belangrijke schakel. Dit aspect wordt verder uitgewerkt in het complex project Noord-Zuid Limburg (NZL). Tot zolang de randvoorwaarden niet gerealiseerd zijn, zal Houthalen over 50% van haar contingent kunnen beschikken. Als de randvoorwaarden gerealiseerd zijn, zal de gemeente dit motiveren en duiden in een beleidsbeslissing. Vanaf dan gelden de bovenvermelde woningobjectieven.

  • Lokale kernen zijn kernen op gemeentelijk niveau. De lokale kernen worden opgedeeld in:
    • Hoofdkernen (Halen, Lummen, Herk-de-Stad, Alken, Kortessem)
      • Hoofdkernen zijn de best uitgeruste kernen in gemeenten zonder bovenlokale kern.
      • Bijkomende woonontwikkelingen op vlak van wonen en voorzieningen worden bij voorkeur en ‘op maat’ gestuurd naar de hoofdkernen.
    • Specifieke kernen (Zonhoven-centrum, Diepenbeek-centrum)
      • Specifieke kernen zijn kernen op gemeentelijk niveau waar er vandaag al een combinatie aan kernfuncties aanwezig is, zoals een goed voorzieningenniveau, duurzame bereikbaarheid en/of werkgelegenheid. Hierdoor heeft de kern bijkomende ontwikkelingsmogelijkheden ten opzichte van woonkernen.
      • De kernen Zonhoven-centrum en Diepenbeek-centrum liggen binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk.
      • Ze hebben beiden een specifieke dynamiek en functie binnen de woningmarkt en liggen langsheen een fietssnelweg.
      • Zonhoven-Centrum heeft een goed voorzieningenniveau en een gematigde duurzame bereikbaarheid.
      • Diepenbeek-Centrum heeft een goede duurzame bereikbaarheid en een gemiddeld voorzieningen- en tewerkstellingsniveau.
      • Er is een Spartacushalte voorzien aan Diepenbeek station.
    • Specifieke kernen met randvoorwaarden (Rooierheide, Ter Donk, Helchteren)
      • Specifieke kernen met randvoorwaarden zijn kernen op gemeentelijk niveau waar er vandaag nog geen combinatie aan verzorgingsfuncties aanwezig is, maar die wel de potentie daartoe hebben als de opgenomen randvoorwaarden vervuld zijn. Zodra de randvoorwaarden vervuld zijn, bezit de kern extra ontwikkelingskansen.
      • Ter Donk ligt buiten de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk.
      • Ter Donk heeft een goede duurzame bereikbaarheid en een goed voorzieningenniveau. Het scoort lager op tewerkstellingsniveau.
      • Ter Donk heeft vanuit ruimtelijk oogpunt morfologisch geen typisch uitgebouwde kern, maar deze kern heeft wel potentieel voor ontwikkelingen omwille van zijn ligging ten opzichte van Hasselt en de nabijheid van de Cordacampus (+/- 10 min. fietsafstand).
      • Randvoorwaarden Ter Donk: Ter Donk vervult een rol in zijn strategische ligging ten opzichte van Hasselt en de Cordacampus. Ontwikkelingen moeten in functie van deze rol ingevuld worden en een duurzame fietsverbinding moet gegarandeerd blijven. Deze ontwikkelingen moeten geduid worden in een beleidsbeslissing. Tot zolang zal Ter Donk over 50 % van haar contingent beschikken.
    • Woonkernen
      • Woonkernen zijn alle andere geselecteerde kernen. Voor Zonhoven zijn dit Halveweg en Termolen.
      • De gemeente heeft de mogelijkheid om zelf een keuze te maken voor de verdeling van hun wooncontingent, maar moet hierbij wel selectief zijn en dient de ontwikkelingsmogelijkheden af te stemmen op maat van de kern.

Buiten deze kernen worden verdere verlinting en woonontwikkelingen ontmoedigd.

Beleidskader economische ruimte

De focus binnen het beleidskader ligt op (ruimte voor) bedrijvigheid, vrijetijdseconomie, landbouw en kleinhandel.

Het beleidskader economische ruimte beoogt de economische groei te faciliteren door vooral in te zetten op een ruimteshift. Het bewustzijn dat we zuinig moeten omspringen met de beschikbare ruimte is de basis voor de ruimteshift. We moeten meer doen met minder ruimte en dit op de juiste plaats in de provincie. De provincie streeft naar een open ruimtepositieve planologische ruimtebalans met aandacht voor zuinig ruimtebeslag tegen 2040.

De provincie past een ruimteshift toe. Hiermee beoogt ze een structurele omslag in het ruimtelijk beleid, gericht op het intensiveren van het ruimtegebruik en het verschuiven van het juridisch aanbod. Met een ruimteshift wordt de balans of hoeveelheid aan bestaande planologisch bestemde ruimte voor bedrijvigheid behouden om het groeipotentieel op te vangen.

Om de ruimteshift te realiseren, is een inzet op 3 sporen nodig:

  • De bestaande ruimte efficiënter benutten houdt in dat door verdichting en verweving het ruimtelijk en economisch rendement op dezelfde oppervlakte wordt verhoogd. Meer functievermenging en een kleiner gemiddeld ruimtegebruik per bedrijfsvestiging doet de totale ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen aanzienlijk afnemen.
  • Niet-belastende bedrijven verweven binnen stads- en dorpscentra houdt in dat door meer nietbelastende bedrijven te verweven in het woonweefsel er meer ruimte op de industrieterreinen gevrijwaard wordt voor de belastende activiteiten. De tendens naar minder verweving van werklocaties in stedelijke milieus zet ruimtelijke druk op bedrijventerreinen.
  • Het juridisch aanbod verschuiven houdt in dat nieuwe bedrijventerreinen nog ontwikkeld kunnen worden, hetzij binnen daartoe reeds bestemde gebieden, hetzij op een andere en betere locatie, via een ruimteruil. Door dergelijke planologische ruiloperaties blijft de ruimtebalans voor bedrijventerreinen status-quo.

Gemeenten kunnen afwijken van de 0-ruimtebalans voor lokale bedrijventerreinen. Indien een gemeente een bijkomend planologisch ruimte-aanbod voor lokale bedrijvigheid wil realiseren, los van het provinciaal beheerde contingent, kan het daarvoor een schrapping doen van een bestaand (gedeelte van een) industrie- of KMO-zone op haar grondgebied met een ruil van 1 ha tegen 1 ha. Indien er geen industrie- of KMO-zone beschikbaar is om te schrappen, kan de gemeente ook gebied met een woonbestemming schrappen met een factor 1,5. Dit betekent dat in ruil voor het schrappen van 1,5 ha woonbestemming er 1 ha lokaal bedrijventerreinen kan bestemd worden. Voor de ontwikkeling van een intergemeentelijk bedrijventerrein volstaat een planologische compensatie van 1 ha woonbestemming (op grondgebied van de deelnemende gemeenten) tegen 1 ha nieuw intergemeentelijk bedrijventerrein. De provincie stimuleert zo de ontwikkeling van intergemeentelijke bedrijventerreinen en zet de gemeenten aan om de ruimteshift ook op lokaal niveau te realiseren en bij te dragen aan een open ruimtepositief planologisch beleid.

Beleidskader open ruimteschakels

Een sterk samenhangend open ruimtesysteem waarborgt de ecosysteemdiensten die van cruciaal belang zijn voor de leefkwaliteit in Limburg. Goede verbindingen zijn essentieel voor die samenhang. Verdere versnippering en verharding hebben een negatieve en verstorende invloed op het open ruimtesysteem en moeten vermeden worden.

De provincie wil meer ecologische, landschappelijke en fysieke samenhang van de open ruimte realiseren door actief in te zetten op twee soorten open ruimteschakels: enerzijds de groenblauwe aders en anderzijds de open ruimtecorridors; en dit zowel in de open ruimte als in meer verstedelijkte gebieden. Groenblauwe aders hebben vooral een natuur-, ecologische en/of hydrologische waarde en insteek. Open ruimtecorridors vrijwaren specifieke open ruimten onder bebouwingsdruk. Met het geheel van deze schakels verbeteren we diverse functies van de open ruimte.

De open ruimte vervult een essentiële rol binnen de verscherpte Europese klimaatdoelstellingen en het Europese beleidsprogramma van de Green Deal. Limburg moet daar, waar mogelijk, aan bijdragen en dus ook in het ruimtelijk beleid. Een ruimtelijk beleidskader draagt bij om deze doelstellingen te realiseren.


ADVIES VAN DE DIENST

1/ Beleidskader wonen in stads- en dorpskernen

1.1/ Kerntypering:

De kerntypering heeft voornamelijk belang bij het toewijzen van het woningobjectief. De verdeling van het percentage van de woonbehoeften wordt per woningmarkt opgemaakt waarbij een hiërarchische indeling vooropstaat.

Zonhoven gaat niet akkoord met de voorgestelde kerntypering voor Zonhoven omwille van volgende redenen:

  • De kernen van Zonhoven en Diepenbeek zijn gelegen binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk, maar worden ondanks hun gunstige locatie gedegradeerd tot lokale kernen op woningmarktniveau. 
    • Dit is in strijd met het gewestelijk RUP afbakening regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk dat stelt dat "Zonhoven dient bij te dragen aan een kwalitatieve woonomgeving die het regionaal stedelijk gebied bijkomende kritische massa verschaft" en dat "de stadsregio van Hasselt en Genk samen met Zonhoven en Diepenbeek het stedelijke centrum van Limburg moet vormen". 
    • Eveneens is dit in strijd met de bepalingen volgens het Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan (GRS) dat de potenties van Zonhoven benoemt als een goed gelegen residentiële woongemeente, waar binnen de afbakening van het stedelijk gebied een stedelijk beleid moet gevoerd worden en waar de na te streven woondichtheid minimaal 25 woningen/ha moet bedragen. We stellen vast dat de typering als lokale woonkern een woondichtheid van 15 woningen/ha vooropstelt. 

  • Argumenten die worden aangehaald om enkele kernen op te waarderen, gelden niet voor Zonhoven: 
    • De kernen van Godsheide en Banneux-wijk worden als regionaal stedelijk getypeerd, omwille van hun sterke connectie met de Corda-campus. Zonhoven-centrum en Ter Donk zijn minstens even sterk geconnecteerd met de Corda-campus.
    • De kern van Houthalen, gelegen buiten de afbakening van het regionaal stedelijk gebied en verder verwijderd van Hasselt en Genk, wordt getypeerd als een bovenlokale strategische kern op woningmarktniveau omwille van haar ligging in het kader van de Noord-Zuid, haar voorzieningenniveau, het toekomstig hoogwaardig openbaar vervoersysteem en het groeipotentieel van het bedrijventerrein Centrum-Zuid. Zonhoven-centrum is gelegen binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied, strategisch gelegen aan de Noord-Zuid en grenzend aan zowel Hasselt als Genk. Maar die strategische ligging vertaalt zich niet in een gunstige kerntypering voor Zonhoven.
    • De kern van bv. Rapertingen wordt opgewaardeerd tot ondersteunende regionaal stedelijke kern, ondanks het landelijk karakter, het ontbrekende van een vlotte verbinding met Hasselt-centrum en een gemiddelde duurzame bereikbaarheid en tewerkstelling. De kernen van Zonhoven-centrum en Ter Donk scoren op alle vlakken beter. Zonhoven-Centrum heeft een goed voorzieningenniveau en een gematigde duurzame bereikbaarheid. Ter Donk heeft een goede duurzame bereikbaarheid en een goed voorzieningenniveau. Deze troeven vertalen zich niet in de voorgestelde kerntypering.

Conclusie: Zonhoven is niet akkoord met de typering van Zonhoven als lokale woonkern. De Link met 'knooppuntwaarden' en 'voorzieningenniveau' is niet consequent doorvertaald in de beleidskeuzes inzake kerntypering. De gemeenten Diepenbeek en Zonhoven werden opgenomen binnen het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk, maar de centrumfuncties worden hiërarchisch afgebouwd tot het niveau van een lokale woonkern. Dit is in strijd met het gewestelijk RUP en het GRS. We stellen ons vragen bij de gebruikte criteria bij de kerntyperingen. De kernen van Zonhoven en Diepenbeek hebben een bijzondere taakstelling op het vlak van wonen binnen de afbakening van het regionaal stedelijk gebied, gezien ze reeds over een goede combinatie van kernfuncties beschikken. Dit komt niet tot uiting op basis van de door de provincie voorgestelde kerntypering.

1.2/ Aansluiting met doelstellingen Beleidsplan Ruimte Vlaanderen (BRV):

In het BRV staat als strategische doelstelling tegen 2050 het terugdringen van het bijkomend ruimtebeslag vermeld:  "Het doel is harde ruimtefuncties zo veel mogelijk een plaats te geven binnen het bestaand ruimtebeslag, voor zover dat goed gelegen is, bekeken vanuit het voorzieningenniveau en de (toekomstige) knooppuntwaarde, (beide al dan niet in min of meerdere mate aanwezig) op het relevante schaalniveau. …  Het beleid zet in op de ontwikkeling van een meer robuuste ruimtelijke organisatie door bewuste keuzes te maken over locaties voor het verhogen van het rendement en wegnemen van ruimtebeslag."

  • De vraag kan gesteld worden of het beleidskader "wonen in stads- en dorpskernen" hieraan tegemoet komt. Wanneer men de overzichtskaart met kerntypering bekijkt, waarop de verder te verdichten kernen binnen Limburg worden ingetekend, is zichtbaar dat deze kernen (meer dan 250 (!!)) verdeeld zijn over de volledige oppervlakte van Limburg.
    • Alle geselecteerde lokale woonkernen krijgen nagenoeg dezelfde groeikansen toebedeeld. Een aantal van deze woonkernen lijken nauwelijks bebouwing te bevatten.
    • Het lijkt onwaarschijnlijk dat al deze woonkernen voldoen aan een goede ligging, bekeken vanuit voorzieningenniveau en (toekomstige) knooppuntwaarde.

Het beleidskader stelt: "Aanvullend onderzoek naar de regionale woningmarkten geeft aan dat 57% van de kernen eerder beperkt tot slecht uitgerust is. Deze minder goed uitgeruste kernen zijn vooral aanwezig in Haspengouw en in bepaalde gebieden in het noorden van Limburg. Landelijke gemeenten staan voor een uitdaging om een toegankelijk aanbod van voorzieningen aan te bieden."

  • Men wenst m.a.w. slecht gelegen en slecht uitgeruste gemeenten te stimuleren een groter aanbod van voorzieningen aan te bieden.
    • Het is duidelijk dat deze kernen niet voldoen aan bovenvermelde strategische doelstelling uit het BRV.
    • Het lijkt opportuun niet langer te investeren in een aantal van deze kernen en op die manier op lange termijn verder te knippen in het bestaande ruimtebeslag.

Het BRV stelt "Het voorzieningenniveau bepaalt ook mee de ontwikkelingsmogelijkheden van een plek. De ontwikkeling van nieuwe woongelegenheden gebeurt in de nabijheid, op aanvaardbare wandel- of fietsafstand, van een voldoende pakket basisvoorzieningen om zoveel mogelijk mensen de mogelijkheid te geven hiervan eenvoudig gebruik te laten maken. Het waarborgen van de toegang tot regionale voorzieningen, die een ruimer verzorgingsgebied hebben, gebeurt door die te ontwikkelen in kernen die vlot bereikbaar zijn met de fiets of via collectieve vervoerssystemen en ondersteunt zo de realisatie van basisbereikbaarheid, binnen een regionale context. Het voorzieningenniveau en de knooppuntwaarde (beide al dan niet in min of meerdere mate aanwezig) zijn bepalend voor het na te streven ruimtelijk rendementsniveau en het gewenste activiteitenpakket voor die locatie:" en "De ontwikkeling van (bijkomende) woongelegenheden gebeurt op een aanvaardbare wandel- en fietsafstand van een voldoende pakket van basisvoorzieningen".

  • Het verder investeren in dergelijk slecht gelegen en slecht uitgeruste kernen druist in tegen de doelstellingen van het BRV.

De studie "Regionale Woningmarkten" geeft volgende beleidsaanbeveling mee: "Wanneer we de huishoudensprognoses doortrekken in een ‘business-as-usual-scenario’, vangen slecht uitgeruste kernen en het buitengebied een groot deel van de huishoudensgroei op. We kunnen ons hierbij de vraag stellen hoe we de draagkracht van de dorpen kunnen opkrikken. Daarenboven moeten we ons afvragen of deze inspanningen zelf wenselijk zijn in de eerste plaats? Moeten beleidsmakers bijdragen leveren om slecht bereikbare kernen verder te laten uitbreiden? Moeten de dorpsscholen ondersteund worden in een kern waar geen bakker of supermarkt aanwezig is? Kleine dorpjes kennen bovendien al te vaak een sterk verouderde bevolking. Deze ouderen hebben niet de toegang tot de voorzieningen die ze nodig hebben en zijn vaak zorgbehoevend en minder mobiel. … Wellicht verdient het aanbeveling om vooral de sterkere kernen te ondersteunen in de regio’s waar ze goed vertegenwoordigd zijn, en in gebieden waar geen enkele beter uitgeruste kern aanwezig is, toch een heel beperkt aantal slecht of beperkt uitgeruste kernen te ondersteunen om het niveau op te krikken en een zeker voorzieningenaanbod voor de omgeving te blijven aanbieden."

  • Gezien het aantal geselecteerde kernen en de hieraan toebedeelde groeikansen kan men zich afvragen of er rekening werd gehouden met deze aanbeveling.

Een andere strategische doelstelling uit het BRV is de volgende: "Vlaanderen heeft in 2050 meer woon- en werkplekken nabij collectieve vervoersknopen of fietsinfrastructuur en concentraties van voorzieningen, zodat mensen hun dagdagelijkse verplaatsingen kunnen organiseren.  …  Het streefdoel is dat in 2050 meer mensen te voet of met de fiets of in de toekomst eventueel andere duurzame vervoersmodi naar hun werk of school kunnen gaan en basisvoorzieningen vinden in hun directe leefomgeving."

  • Uit bovenstaande stelregel uit het beleidskader valt af te leiden dat diverse van de geselecteerde kernen slecht uitgerust zijn, waardoor er grootschalige investeringen nodig zijn om deze kernen uit te rusten met voldoende voorzieningen zodat de inwoners te voet of met de fiets hun dagdagelijkse verplaatsingen kunnen organiseren.
  • De geselecteerde kernen zijn verspreid over de volledige oppervlakte van Limburg waardoor duurzame verplaatsingen binnen de provincie en over de provinciegrenzen heen gehypothekeerd worden.

Nog een laatste strategische doelstelling uit het BRV: " Wonen en werken nabij huidige en toekomstige collectieve vervoersknopen en voorzieningen: de woondichtheid en het bedrijfsvloeroppervlak zullen op het geheel van plaatsen met een (zeer) goede knooppuntwaarde en een (zeer) goed voorzieningenniveau (beide al dan niet in min of meerdere mate aanwezig) tegen 2050 met minstens 30% gestegen zijn t.o.v. 2015.  …  Er wordt naar gestreefd om tegen 2050 geen substantieel aantal bijkomende woongelenheden en werkplekken meer te realiseren op te lange verplaatsingstijd van een collectieve vervoersknoop of groep voorzieningen, tenzij dit om duidelijk ruimtelijk rendementsoverwegingen aangewezen is."

  • Het is duidelijk dat hier niet aan voldaan zal kunnen worden d.m.v. de geselecteerde kernen en de verspreiding hiervan.

Conclusie: het beleidskader wonen in stads- en dorpskernen komt onvoldoende tegemoet aan bovenvermelde strategische doelstellingen uit het BRV. De gemeente Zonhoven werkte recent zelf een ruimtelijke visie verdichten uit voor haar grondgebied en daaraan gekoppeld een kwaliteitskader wonen. Deze visie gaat uit van de strategische doelstellingen volgens het BRV, de afbakening van het regionaal stedelijk gebied Hasselt-Genk volgens het gewestelijk RUP en de bepalingen uit het GRS. Uitgangspunt is een gemiddelde woondichtheid van minimaal 25 woningen/ha binnen de regionaal stedelijke kern zoals vooropgesteld in het gewestelijk RUP, waarbij nu wordt vastgesteld dat Zonhoven wordt getypeerd als lokale woonkern met een woondichtheid van 15 woningen/ha.

1.3/ Wegname van ruimtebeslag:

Het beleidskader zet in op het herontwikkelen van bestaande bebouwde ruimte en het verdichten op goedgelegen plaatsen: "Zuinig ruimtegebruik is het uitgangspunt: de behoefte wordt zoveel mogelijk opgevangen binnen het bestaande ruimtebeslag."

  • Het beleidskader zet nergens actief in op het wegnemen van ruimtebeslag.  

Enkel volgende wordt vermeld: "Ook buiten de geselecteerde kernen zijn woninggroepen aanwezig, zoals linten, kleine gehuchten en geïsoleerde woninggroepjes. Maar deze blijven buiten de kerntypering en krijgen geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden."

  • De bebouwde gebieden buiten de geselecteerde kernen krijgen geen woonobjectief toegewezen, wat overeenkomt met 0% groei.
  • Door de bebouwing buiten de geselecteerde kernen geen nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden te geven, zou men kunnen stellen dat er bestaand ruimtebeslag wordt weggenomen.  De vraag is of dit voldoende is om tot een kwalitatieve ruimtelijke structuur te komen, niet alleen binnen Limburg, maar binnen heel Vlaanderen.
  • De huidige versnippering van de bebouwing leidt immers tot veel onnodige kosten (riolering, nutsmaatschappijen, …), verhardingen, etc.
  • Door de geselecteerde kernen te benoemen wordt de bestaande versnipperde bebouwing binnen Limburg bestendigd.
  • Bovendien wordt er geen voorstel tot oplossing geopperd om verdere bebouwing buiten de geselecteerde kernen tegen te gaan.
  • Wanneer gronden gelegen binnen woongebied, buiten de geselecteerde kernen, benut worden voor het bouwen van nieuwe woningen, is er geen enkele wettelijke basis om deze vergunningen te weigeren.  Wanneer gronden binnen woongebied niet meer bebouwbaar zijn, dient er bovendien planschade te worden betaald.  Wie neemt dit voor zijn rekening?

Men stelt "We kiezen resoluut voor de dubbele doelstelling: kwalitatieve kernversterking én de vrijwaring van onze open ruimte. In plaats van bijkomend ruimte aan te snijden bij een woningbehoefte, wordt in eerste instantie ingezet op kernversterking.".

  • Mogelijk bevinden er zich nog niet aangesneden woon- en woonuitbreidingsgebieden binnen of grenzend aan open ruimte. Harde maatregelen zijn noodzakelijk om het verder aansnijden van de open ruimte volledig tegen te gaan.

2/ Beleidskader economische ruimte

2.1/ Landbouw

Met betrekking tot de landbouw wordt rechtszekerheid geboden met mogelijkheid tot planologische ruil tussen zonevreemde landbouw en zonevreemde natuur.

Het BRV geeft aan dat "Landbouwbedrijfszetels die vrijkomen, krijgen bij voorkeur een nieuwe agrarische functie door herstructurering of herontwikkeling. Pas in tweede orde kan een niet-agrarisch hergebruik op voorwaarde dat de functiewijziging (1) de draagkracht van de open ruimte niet overschrijdt, (2) geen onaanvaardbare mobiliteitsdruk genereert en (3) geen noemenswaardige bijkomende verharding of ruimtebeslag tot gevolg heeft.".

Het beleidsplan spreekt zich echter niet uit over de zonevreemde regelgeving en de mogelijkheden die deze bestaande wetgeving biedt om nieuwe woningen te creëren in open ruimte gebieden. Ook fenomenen zoals 'vertuining' en 'verpaarding' worden niet aangehaald, terwijl deze in alle waarschijnlijkheid binnen Limburg, met een grote oppervlakte aan agrarisch gebied, bijdragen aan een grotere zonevreemde bebouwings- en verhardingsgraad en een niet ecologische inrichting van open ruimte gebieden.  In het beleidskader 'economische ruimte' wordt de problematiek zonevreemde regelgeving kort vermeld, maar verder wordt hier niet op ingegaan/worden er geen oplossingen geboden.

2.2/ Kleinhandel en bedrijven

Voor de kerngerichte kleinhandel wordt vooral aandacht geschonken aan het bestrijden van de leegstand en het voorkomen van excentrische ontwikkelingen buiten de kernen.

Als provinciale economische dragers worden de afgebakende stedelijke gebieden geselecteerd, alsook de regionale bedrijventerreinen >50ha en de incubatoren en de bedrijfscampussen. 

Met betrekking tot de lokale bedrijvigheid worden de ontwikkelingsmodaliteiten zoals in het voormalig provinciaal structuurplan herhaald met een nuance voor bedrijventerreinen bij een lokale specifieke kern of lokale woonkern. De criteria voor lokale bedrijvigheid worden opnieuw hiërarchisch opgedeeld tussen enerzijds een bovenlokale kern of een lokale hoofdkern en anderzijds lokale specifieke kern of lokale woonkern. In dat opzicht zou Kortessem eerder een bedrijventerrein kunnen ontwikkelen dan Zonhoven of Diepenbeek. 

Het beleidskader economische ruimte geeft aan in te zetten op een ruimteshift, waarbij niet-belastende bedrijven dienen te worden verweven in bestaande dorps- en stadskernen.  Dit is ruimtelijk gezien absoluut een meerwaarde, waar ook de gemeente Zonhoven naar wenst te streven. Volgende aandachtspunten dienen hierbij verder bekeken te worden.  Binnen de kernen zijn de nodige parkeerplaatsen vaak moeilijk te realiseren op eigen terrein, ofwel leidt dit tot ongewenste/overdreven verhardingen.  Het parkeren volledig afschuiven op het openbaar domein is niet wenselijk.  Uiteraard is het streefdoel niet alleen ruimte te besparen, maar ook om werkgelegenheid te creëren op goed gelegen plaatsen. Dergelijke bedrijven dienen dan ook in te zetten op een duurzame mobiliteit van hun werknemers. Voor de gemeenten zal het geen gemakkelijke oefening zijn te beoordelen hoeveel en waar men parkeergelegenheid dient te voorzien. Daarnaast dient er over gewaakt te worden dat de stads- en dorpskernen levendig blijven. De bedrijvigheid mag geen gesloten gevelwanden creëren ter hoogte van de gelijkvloerse plint.  Door deze bedrijven te combineren met wonen, wordt een lege kern buiten de werkuren voorkomen.

2.3/ Toerisme

De provinciale toeristisch-recreatieve dragers zijn de specifieke vrijetijdsdomeinen zoals Bokrijk en Terhills.

Camping Heidestrand Zonhoven wordt vermeld als recreatiedomein met een combinatie van verblijfsrecreatie en dagrecreatieve faciliteiten zoals (indoor) zwem- en speelvoorzieningen, met oppervlakte groter dan 20 ha, een capaciteit van meer dan 500 verhuureenheden en meer dan 2.000 slaapplaatsen.

Als toeristische entiteit binnen de vrijetijdseconomie wenst Zonhoven het project van het "Rendierjagerspad, een natuurlijk cultureel belevingspad op de heide" te vermelden. Dit project is rechtstreeks gelinkt aan het Kolenspoor.

2.4/ Schrappen van slecht gelegen juridisch aanbod aan bedrijventerreinen en recreatiegebieden

Centraal in de ruimteshift staat een actief beleid om (delen van) slecht gelegen bedrijventerreinen en recreatiegebieden te schrappen en te herbestemmen naar een open ruimtefunctie en dit (gedeeltelijk) ter compensatie van ontwikkelingen op goed gelegen plekken. Om de ruimtebalans te kunnen monitoren, neemt de provincie het moment van goedkeuring van het Beleidsplan Ruimte Limburg als het startpunt voor het registreren van het te schrappen aanbod en het nieuw te creëren aanbod (nulmeting voor het contigent).

De provincie maakt provinciale RUP’s op om bedrijventerreinen en recreatiegebieden te schrappen. Hiermee bouwt ze een contingent op voor Limburg om op gewenste locaties een strategisch aanbod te bestemmen indien de economische vraag zich opdringt. De schrapping doet ze proactief of in hetzelfde planningsproces als het bestemmen van bijkomend strategisch aanbod.

In Zonhoven zijn er geen (delen van) terreinen die in aanmerking komen voor neutralisatie (zowel schrapping bedrijventerreinen als recreatiegebied).

3/ Beleidskader open ruimteschakels

Er wordt meer samenhang van de open ruimte vooropgesteld door in te zetten op sterke schakels.

3.1/ Groenblauwe aders

Categorie 1 zijn de blauwe aders. De blauwe aders zijn Limburgse beekvalleien die een belangrijke functie hebben om waterschaarste en droogte te counteren, in het bijzonder om de sterke achteruitgang van de droogtegevoelige natuur tegen te gaan. De provincie selecteert 16 beekvalleien als provinciale blauwe ader. Voor Zonhoven wordt de Laambeek geselecteerd, met als doel het conserveren van water, herstellen van de beekstructuur en sponswerking in het valleigebied. De beekvallei is een belangrijk ruimtelijk kenmerk binnen de landschapseenheid De Wijers. Zonhoven kan zich hierin vinden.

Categorie 2 zijn de groene aders. De groene aders hebben een functie als hoogwaardige, belangrijk ecologische migratieassen. De provincie selecteert 24 groene aders van provinciaal niveau. 5 van deze groene aders vallen samen met de geselecteerde blauwe aders. Voor Zonhoven worden de Laambeek en de Roosterbeek geselecteerd. De Laambeek met dezelfde doelstelling zoals hierboven reeds aangegeven, de Roosterbeek met als doel het behouden en verbeteren van de mozaïek van alle open, natte natuurtypes. De beekvallei van de Roosterbeek is een belangrijk ruimtelijk kenmerk binnen de landschapseenheid De Wijers. Zonhoven kan zich hierin vinden en merkt op dat in samenwerking met de VLM daartoe reeds het Landinrichtingsproject Roosterbeek werd opgestart.

Er wordt nog opgemerkt dat gemeente Zonhoven samen met provincie Limburg een project is opgestart om een toekomstbeeld uit te werken voor het dorpshart van Zonhoven, waarbij het verborgen water van de Roosterbeek als een groenblauw netwerk opnieuw zichtbaar door het centrum zal stromen. Zo beschermen we niet alleen de bewoners in het centrum tegen wateroverlast, maar over het hele traject van de Roosterbeek. Als alles volgens planning verloopt, zijn de voorziene werken voor het openleggen van de Roosterbeek afgerond in het najaar van 2024.

Categorie 3 zijn de lijninfrastructuren. Lijninfrastructuren zijn lineaire gebieden die de basis vormen voor een ecologische infrastructuur of de potentie hebben omwille van de uitgestrektheid en continuïteit van de lijnvorming in het bebouwd en open landschap. De provincie selecteert 5 van deze lijninfrastructuren als provinciale groenblauwe ader, namelijk de fietssnelwegen met de hoogste verbindingspotentie in het groenblauw netwerk en omdat de provincie bevoegd is voor de realisatie van het fietssnelwegennetwerk. Voor Zonhoven werden volgende lijninfrastructuren geselecteerd:

  • Fietssnelwegtracés F73 + F74 van Hamont-Achel tot Sint-Truiden (voormalige spoorlijn 18 Pelt-Hasselt + N80 Hasselt-St-Truiden)
  • Fietssnelwegtracés F754 + F75 + F751 van Leopoldsburg tot Maaseik (deels voormalig Kolenspoor: spoortracé Leopoldsburg-Beringen-Zonhoven-As-Maaseik)

Zonhoven kan zich hierin vinden.

3.2/ Open ruimtecorridors

Een open ruimtecorridor is een gebied dat moet voldoen aan specifieke criteria om geselecteerd te worden op provinciaal niveau. Voor Zonhoven werd er geen open ruimtecorridor geselecteerd. In het Ruimtelijk structuurplan Limburg 2012 staat het gebied Kolveren-Ten Eikenen echter ingetekend als corridor voor de Teut en de Wijers.  Temeer omdat dit gebied een cruciale schakel vormt om de twee natuurgebieden met elkaar te verbinden om migratie te kunnen garanderen. De achteruitgang van de natuurwaarden in dit gebied is echter opvallend. De groene lijnelementen zoals de houtkanten worden systematisch verwijderd en maken plaats voor aaneengesloten monotone graslanden of verpaarding.  Een bestendiging van dit gebied als open ruimteschakel tussen Europees beschermde natuur in het oosten en westen van de gemeente is noodzakelijk om enerzijds verdere achteruitgang tegen te gaan en anderzijds om rechtszekerheid te bekomen van het belang van dit gebied. Gelet op bovenstaande is het advies om dit gebied op te nemen als groene ader/open ruimtecorridor. De provincie doet in die zin zelf reeds een suggestie door 12 lijninfrastructuren te suggereren als groenblauwe aders op Vlaams en/of federaal niveau, waaronder de E314 autosnelweg, onmiddellijk grenzend aan het open ruimtegebied Kolveren-Ten Eikenen.

3.3/ Kleine landschapselementen

Het beleidskader haalt het belang aan van de kleine landschapselementen zoals houtkanten en wenst deze te bewaren en versterken.  Om dit te kunnen realiseren moet een bewustwording gecreëerd worden bij de eigenaars of gebruikers van de gronden waar deze elementen op aanwezig zijn.  Een kentering waarbij men de meerwaarde van deze elementen inziet ipv de hinder en de last is hierbij noodzakelijk als eerste stap, daarna volgt versterken en uitbreiden van de elementen.

3.4/ Open ruimte

Uitgangspunt van het beleidskader is dat een verdere aantasting van de open ruimte niet te verwachten is gelet op het aanwezige, wettelijke kader, waarbinnen dit niet mogelijk zou zijn. In realiteit zijn er bepalingen binnen de wetgeving ruimtelijke ordening waar aansnijdingen in uitzonderlijke gevallen alsnog mogelijk is. Dit zorgt niet enkel voor bebouwing maar ook voor vertuining. Het betreft hier een beperkt percentage, doch zijn het net deze situaties, gelegen in kritische open ruimte gebieden of corridors, die voor een grote impact zorgen.

3.5/ ACTIES ORS-2.1. – ACTIVEREN VAN DE ANDERE OVERHEDEN (VLAANDEREN EN GEMEENTEN) OM DE GROENBLAUWE ADERS OP HUN NIVEAU AAN TE PAKKEN

Om een aaneengesloten lint van groenblauwe aders te bekomen, is het wegwerken van knelpunten prioritair.  Dit vraagt ondersteuning van partners zoals Agentschap Wegen en verkeer, maar ook de nodige financiële ondersteuning.  Medewerking van deze partners is hierin noodzakelijk om migratieknelpunten te kunnen wegwerken. 

Vertuining en verpaarding zorgen o.a. voor een inname van ruimte met frequent een achteruitgang van de aanwezige groene aders. Terwijl vertuining of verpaarding hand in hand kan gaan met een versterking van de groene elementen in het landschap. Hier moet op ingespeeld worden en indien nodig zou het afdwingbaar moeten worden gemaakt.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het voorontwerp Beleidsplan Ruimte Limburg en sluit zich integraal aan bij het advies van de dienst.

Het college wenst te benadrukken:

  • Niet akkoord te gaan met de voorgestelde kerntypering voor Zonhoven als lokale woonkern. Het voorontwerp Beleidsplan Ruimte Limburg is, wat betreft het beleidskader wonen in stads- en dorpskernen, in strijd met het regionaalstedelijk gebied Hasselt-Genk waarbij de opname van de kernen van Diepenbeek en Zonhoven binnen dit gebied miskend wordt. Door de kerntyperingen wordt een hiërarchische indeling voorgesteld waarvan de criteria onduidelijk of onvolledig zijn.
  • Het beleidskader wonen in stads- en dorpskernen komt onvoldoende tegemoet aan de strategische doelstellingen uit het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Het Beleidsplan Ruimte Limburg wijkt af van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Enkel deze laatste heeft een juridische basis.
    • Vlaanderen vraagt enkel te ontwikkelen op goed gelegen locaties. Zonhoven en Diepenbeek vallen hier volledig onder en dienen vergeleken te worden met andere locaties in Limburg. Het BRL splitst onze provincie echter op in woningmarkten en vergelijkt kernen binnen deze woningmarkten. Hierdoor wordt het centrum van Zonhoven vergeleken met het centrum van Hasselt en krijgt de gemeente Zonhoven minder ontwikkelingskansen toebedeeld. In een "woningmarkt Limburg" zou het centrum van Zonhoven echter als één van de best gelegen kernen worden omschreven. In de "woningmarkt Hasselt" worden we enkel vergeleken met stedelijke gebieden. Dit is niet aanvaardbaar. De voorziene groei voor woningmarkt Hasselt is dan ook niet correct. Dit is enkel een politiek compromis voor onze provincie om meer groeikansen te geven aan historische kerkdorpen. Op zich is er niets mis met het verhogen van de groeikansen van deze historische kerkdorpen, maar in het huidige BRL gaat dit ten koste van goed gelegen kernen, en dat is onaanvaardbaar. De ontwikkelingskansen van het centrum van Zonhoven moeten altijd correct worden afgewogen t.o.v. deze minder goed gelegen kerkdorpen.
    • Het verder investeren in slecht gelegen en slecht uitgeruste kernen druist in tegen de doelstellingen van het BRV.
    • De link met 'knooppuntwaarden' en 'voorzieningenniveau' is niet consequent doorvertaald in de beleidskeuzes inzake kerntypering.
  • Het beleidskader wonen in stads- en dorpskernen vermeldt onvoldoende harde maatregelen die noodzakelijk zijn om het verder aansnijden van de open ruimte volledig tegen te gaan.
  • In het beleidskader open ruimteschakels wordt het gebied Kolveren-Ten Eikenen best opgenomen als open ruimtecorridor.
  • De gemeente Zonhoven is samen met provincie Limburg een project opgestart om een toekomstbeeld uit te werken voor het dorpshart van Zonhoven, waarbij het verborgen water van de Roosterbeek als een groenblauw netwerk opnieuw zichtbaar door het centrum zal stromen. Zo beschermen we niet alleen de bewoners in het centrum tegen wateroverlast, maar over het hele traject van de Roosterbeek. Als alles volgens planning verloopt, zijn de voorziene werken voor het openleggen van de Roosterbeek afgerond in het najaar van 2024.
  • Als toeristische entiteit binnen de vrijetijdseconomie wenst Zonhoven bijkomend het project van het "Rendierjagerspad, een natuurlijk cultureel belevingspad op de heide" te vermelden. Dit project is rechtstreeks gelinkt aan het Kolenspoor.
11.

2021_CBS_01335 - Dorpshart Zonhoven - terugkoppeling online bevraging en openstaande beslispunten - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
11.

2021_CBS_01335 - Dorpshart Zonhoven - terugkoppeling online bevraging en openstaande beslispunten - Goedkeuring

2021_CBS_01335 - Dorpshart Zonhoven - terugkoppeling online bevraging en openstaande beslispunten - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Situering van de opdracht

De ontwerpopdracht herontwikkeling dorpshart Zonhoven omvat de opmaak van een masterplan voor het centrale dorpshart. Het masterplan wordt gezien als een globale ontwerpschets voor het centrale dorpshart van de gemeente, waarbij dit projectgebied kan worden opgedeeld in afzonderlijk uitvoerbare deelprojecten.

Eén van de deelprojecten is het openleggen van de Roosterbeek in de zone tussen kerk en gemeentehuis en gelijktijdig het ontharden en vergroenen van deze zone. De beekvallei van de Roosterbeek loopt dwars door het centrum, maar is sinds jaar en dag overwelfd en dus niet zichtbaar. Het gemeentebestuur wil het verborgen water van de Roosterbeek als een groenblauw netwerk opnieuw zichtbaar door het centrum zien stromen, waardoor er unieke kansen ontstaan voor meer verblijfskwaliteit in het dorp.

Online bevraging

De eerste resultaten van de online bevraging zijn te vinden in bijlage van dit agendapunt. De reacties zijn ronduit positief. Enkele aandachtspunten worden vermeld, zie geel gearceerde tekstdelen in bestand in bijlage.

Aanvullende aandachtspunten n.a.v. de participatie- en infomomenten zijn:

  • Kan er fietspad voorzien worden op het ‘Kerkplein’ (de straat) ten noorden van de kerk richting kleuterschool.
  • Het verdwijnen van parkeerplaatsen (de parkeerzone) ten noorden van de kerk (aangebracht door individuele handelaar).
  • Aandacht voor onderhoudsgemak: het oogt allemaal zeer mooi, maar wees aandachtig dat het geheel makkelijk te onderhouden is, via materiaalkeuze, etc...
  • Aandacht voor gebruiksgemak, veel en aangename zitplekken: graag veel zitbanken en zitplaatsen voorzien. Beton is koud om op te zitten (zeker in winter), dus best delen van de betonnen zitelementen bekleden met hout: brengt kleur en is veel aangenamer om op te zitten.
  • Geringe reductie aantal parkeerplaatsen is geen probleem: toch wel een opmerkelijke vaststelling: het aantal parkeerplaatsen mag gerust verminderen, want er is voldoende ruimte om te parkeren.
  • Ongerustheid over het voortbestaan van de wekelijkse markt. Deze moet absoluut in het centrum behouden blijven.
  • Ongerustheid over zuiver water.
  • Toegankelijkheid voor oudere mensen: voldoende brede paden voorzien (om ook kruisende beweging van mensen in rolstoel mogelijk te maken).

Verdere bespreekpunten

  • Afbakening van de projectscope (projectzone): Sweco zal daartoe een geüpdatete raming bezorgen. Deze is op het moment van agendering van dit punt nog niet beschikbaar. De afbakening van de projectzone zal gebeuren i.f.v. de raming.
  • In de zone ten noorden van de kerk worden enkel aanliggende parkeerplaatsen voorzien ter hoogte van de handelszaken. Geen bijkomende parkeerpocket tegenover Carpe Diem of aan de overzijde van de handelszaken in het projectgebied. Het wegvallen van het zicht zou nefast zijn voor de kwaliteit van het project. Dit is dé locatie waar de Roosterbeek opnieuw aan de oppervlakte verschijnt, dus aub geen auto hier in het parkbeeld.
  • Uitbreiding zone 30 rondom dorpshart: zone 30 potentieel bekijken.
  • Proefproject linkse afslagstroken afronden: evaluatie voorzien.
  • Infrastructuur voorzien om minder valide mensen veilig tot aan waterlijn zachte oeverkant te laten komen via vlonder.
  • Brug wél overrijdbaar voorzien (houdt in latere fase alle opties qua toegankelijkheid gebied open).
  • Sweco enkele varianten laten uitwerken voor toekomstige opstelling markt/kermis (om ongerustheid zo snel mogelijk weg te nemen).
  • Juiste materiaalkeuze ifv comfort (ook voor minder mobiele mensen) en onderhoud, maar mag geen slipgevaar veroorzaken (bv. verharding op plein).

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van de eerste resultaten van de online bevraging en de participatie- en infomomenten en de verdere bespreekpunten i.f.v. finaliseren masterplan en start opmaak detailplannen.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen is akkoord met de voorgestelde projectscope die de uitvoering omvat van deelprojecten 'Openleggen Roosterbeek', 'Heraanleg kioskplein' en 'Tijdelijk inrichting speelweide' op voorwaarde dat dit budgettair haalbaar blijft (volgens de huidige raming wel) en op voorwaarde dat dit juridisch mogelijk is.

Bijkomende opmerkingen/vragen werden vanuit het college geformuleerd:

  • Er wordt aan het studiebureau gevraagd de oefening van het aantal beschikbare parkeerplaatsen in het dorpshart te herhalen, rekening houdend met:
    • Een beperkte uitbreiding van het bestaande parkeerterrein aan OCMW-gebouw, richting gevel OCMW-gebouw. Een heraanleg van het bestaande parkeerterrein mag zoals voorgesteld uit de scope worden gehaald, maar een beperkte uitbreiding valt te overwegen. Hoeveel extra parkeerplaatsen levert dit op (voldoende ruim en comfortabel ingetekend)? Het huidige masterplan gaat uit van een volledige herinrichting van het terrein, met smallere parkeerplaatsen. In geval de huidige parkeerplaatsen behouden blijven, moeten deze eveneens realistisch (d.w.z. met bestaande afmetingen) worden ingetekend op het masterplan.
    • De parkeerpocket met haaks parkeren vóór het gemeentehuis kan mogelijk met een tweetal parkeerplaatsen worden uitgebreid (uitlijnen i.f.v. zijgevel gemeentehuis).
    • De zone voor Carpe Diem wenst mens groen te behouden (dus geen extra parkeerplaatsen op deze locatie).
    • Wat is de uiteindelijke parkeerbalans (bestaand versus toekomstig) procentueel uitgedrukt?
  • De aspecten gunning van de bijkomende deelprojecten en opdrachtwaarde dienen eerst juridisch afgetoetst te worden.
  • De (tijdelijke) herlokalisatie van het zondagse marktgebeuren dient verder uitgewerkt te worden. Een integrale verhuis naar de evenementenhal kent geen bijval, gezien de connectie met kerk en centrum verloren gaat. Mogelijk kunnen Dorpsstraat/Genkerbaan betrokken worden. De fasering der werken moet worden afgestemd op het marktgebeuren. Door ontwerpbureau Sweco worden best enkele alternatieven uitgewerkt, die ter bespreking op het college worden voorgelegd.
  • De keuze voor een aangepaste verharding van het kioskplein, d.w.z. vervangen van de huidige kasseien, mag verder in de detailplannen worden meegenomen. Materiaalgebruik dient te worden afgestemd met project site Kwint.
12.

2021_CBS_01336 - Stopzetten lopende bankgarantie - verkaveling 1195.E.874.2 - Grote Eggestraat (thans Eduard Eeversstraat) - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
12.

2021_CBS_01336 - Stopzetten lopende bankgarantie - verkaveling 1195.E.874.2 - Grote Eggestraat (thans Eduard Eeversstraat) - Goedkeuring

2021_CBS_01336 - Stopzetten lopende bankgarantie - verkaveling 1195.E.874.2 - Grote Eggestraat (thans Eduard Eeversstraat) - Goedkeuring

Motivering

Verwijzingsdocumenten

- Artikel 4.2.1 van het decreet van 27/03/2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.

- Artikel 4.2.5, 4.2.6, 4.2.7 en 4.2.8 van het decreet van 27/03/2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.

Artikel 4.2.6.  (23/02/2017- ...) omschrijft:

§ 1. Indien de verkavelaar of de bouwheer ervoor opteert om de last in natura uit te voeren, verwezenlijkt hij het vooropgestelde bescheiden woonaanbod binnen een termijn van acht jaar na de afgifte van de vergunning in laatste administratieve aanleg of, indien de vergunning uitdrukkelijk melding maakt van verschillende fasen van het verkavelingsproject of het bouwproject, binnen de acht jaar na de aanvang van de vergunningsfase waarin het bescheiden woonaanbod moet worden verwezenlijkt.
§ 2. De verkavelaar of de bouwheer waarborgt de uitvoering van de last door middel van het verlenen van een aankoopoptie ten bate van een sociale woonorganisatie of een openbaar bestuur, vermeld in artikel 33, §1,eerste lid, van de Vlaamse Wooncode. In afwijking van de gemeenrechtelijke regelen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, mag van de vergunning eerst gebruik worden gemaakt vanaf het verlijden van de onderhandse akte waarin de aankoopoptie wordt verleend.
§ 2/1. In afwijking van paragraaf 2 kan de verkavelaar of bouwheer de uitvoering van de last waarborgen door de storting van een afdoende financiële waarborg of door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg.

Feiten context en argumentatie

Op 23/06/2015 werd aan de Vereniging eigenaars verkaveling Grote Eggestraat een verkavelingsvergunning met ref. nr.: 1195.E.874.2 verleend voor het verkavelen van gronden in 18 loten voor verschillende bouwtypologieën, alsook percelen bestemd voor wegenis, plein, peststroken en overschot, gelegen  aan de Grote Eggestraat op kadastrale percelen afd. 3 sectie E nr(s) 135K, 130S, 131G, 131H, 136D en 136C.
Aan de verkavelingsvergunning werd onder andere volgende lasten gekoppeld:
17) De bescheiden last dient in natura uitgevoerd te worden.
De verkoop van de 6 grondgebonden woningen op de loten 2 t.e.m. 4 en de loten 7 t.e.m. 9 en het appartement op lot 6, die voldoen aan de opgelegde norm van bescheiden woningen, moet in orde zijn binnen de 8 jaar na het afleveren van de verkavelingsvergunning. Zoniet dient het bescheiden woonaanbod afgekocht te worden via een storting van een bijdrage.
Het is noodzakelijk dat de verkavelaar / bouwheer voorafgaandelijk aan het vrijgeven van de verkaveling conform artikel 4.2.16 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in overleg gaat met een sociale woonorganisatie.
Het bekomen akkoord tussen de verkavelaar / bouwheer en de sociale woonorganisatie dient aan de gemeente overgemaakt te worden voorafgaand aan de vrijgave van het attest 4.2.16.
18) Per bescheiden entiteit dient een waarborg gestort te worden dat overeenstemt met de afkoopwaarde van het bescheiden woonaanbod. Dit omvat het bedrag van 35.400€ te verhogen door indexatie sedert 01/01/2012. De vrijgave ervan kan pas na realisatie en oplevering constructies waarbinnen het bescheiden woonaanbod gerealiseerd werd.
Een gefaseerde vrijgave is mogelijk.

Bank Degroof Petercam NV, met als adres Nijverheidsstraat 44 te 1040 Brussel, BTW BE 0403.212.172, RPR Brussel, FSMA 040460 A, maakte op 14 juni 2018 een bankwaarborg, garantie op eerste verzoek, op ten bedrage van 247.800,00 euro ten gunste van de gemeente Zonhoven.
Deze garantie op eerste verzoek is geldig tot en met 23 juni 2023. Na deze datum vervalt de garantie automatisch.

Op 19 september 2018 werd door de deputatie een vergunning verleend (dossiernr. 2017/00315) aan de heer Willy Klaps voor het bouwen van 6 eengezinswoningen en 2 meergezinswoningen met in totaal 19 appartementen en een ondergrondse parkeergarage.
De bouwwerken werden beëindigd op 13 oktober 2021 en de 25 wooneenheden werden opgeleverd.

De dienst Vergunningen & Handhaving ontving op 3 december 2021 een verzoek van dhr. Klaps Willy om de lopende bankgarantie van 247.800,00 euro stop te zetten en om de origineel afgeleverde bankgarantie terug te bezorgen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen gaat akkoord met de vraag van Dhr. Klaps Willy om de bankwaarborg, garantie op eerste verzoek, met betrekking tot het bescheiden woonaanbod, voor een bedrag van 247.800,00 euro vervroegd stop te laten zetten. 

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tevens een schrijven te richten aan Bank Degroof Petercam nv met de opdracht om de bankgarantie stop te zetten.

13.

2021_CBS_01337 - Attest conform artikel 4.2.16 - verkaveling 1325.E.874.2 - Oppelsenweg 96 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
13.

2021_CBS_01337 - Attest conform artikel 4.2.16 - verkaveling 1325.E.874.2 - Oppelsenweg 96 - Goedkeuring

2021_CBS_01337 - Attest conform artikel 4.2.16 - verkaveling 1325.E.874.2 - Oppelsenweg 96 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Artikel 4.2.16§1 en §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening omschrijft: 

§ 1. Een kavel uit een vergunde verkaveling of verkavelingsfase kan enkel verkocht worden, verhuurd worden voor méér dan negen jaar, of bezwaard worden met een recht van erfpacht of opstal, nadat de verkavelingsakte door de instrumenterende ambtenaar is verleden.
§ 2. De verkavelingsakte wordt eerst verleden na overlegging van een attest van het college van burgemeester en schepenen, waaruit blijkt dat, voor de volledige verkaveling of voor de betrokken verkavelingsfase, het geheel van de lasten uitgevoerd is of gewaarborgd is door:
1° de storting van een afdoende financiële waarborg;
2° een door een bankinstelling op onherroepelijke wijze verleende afdoende financiële waarborg.
Het attest, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeleverd indien de vergunninghouder deels zelf de lasten heeft uitgevoerd, deels de nodige waarborgen heeft gegeven.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen beslist het attest conform artikel 4.2.16§2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening af te leveren aan Gierts Jimmy  met volgende opmerkingen:

Er werd voldaan aan de volgende voorwaarden:
1) Te voldoen aan de voorwaarden en opmerkingen gesteld door De Watergroep.
2) Te voldoen aan de voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies van Fluvius.
3) Te voldoen aan de voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies van het Agentschap Natuur en Bos:
- De vergunning wordt verleend op grond van artikel 90bis, §5, derde lid, van het Bosdecreet en onder de voorwaarden zoals opgenomen in het hierbij gevoegde compensatieformulier met kenmerk: 21- 209226.
- De te ontbossen oppervlakte bedraagt 912 m². Deze oppervlakte valt niet meer onder het toepassingsgebied van het Bosdecreet.
- De bosbehoudsbijdrage van € 5006.88 dient binnen de 4 maanden, vanaf de datum waarop gebruik mag gemaakt worden van deze vergunning, gestort te worden. Het overschrijvingsformulier voor het vereffenen van de bosbehoudsbijdrage zal rechtstreeks door ons Agentschap worden overgemaakt aan de aanvrager van zodra de vergunning van kracht wordt.
4) Te voldoen aan de voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies van de dienst Contractmanagement.
10) De paalstenen aan de rooilijn dienen geplaatst te worden.
12) Vervreemding van een lot uit de verkaveling kan pas geschieden, nadat het attest conform artikel 4.2.16 §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werd afgeleverd, waaruit blijkt dat aan alle voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden werd voldaan.
13) Alle bebouwing dient afgebroken te worden alvorens er een verkavelingsattest wordt verleend.
14) Een omgevingsvergunning voor het bebouwen van een lot kan pas verkregen worden, nadat het attest conform artikel 4.2.16 §2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werd afgeleverd, waaruit blijkt dat aan alle voorwaarden van de omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden werd voldaan.

Wel dient opgemerkt te worden dat de volgende verplichtingen geldig blijven:
3) Te voldoen aan de voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies van het Agentschap Natuur en Bos:
- De resterende bosoppervlakte 304 m² moet ALS BOS behouden blijven. Bijkomende kappingen in deze zone kunnen maar uitgevoerd worden mits machtiging door het Agentschap voor Natuur en Bos. Het is evenmin toegelaten in deze zone constructies op te richten of ingrijpende wijzigingen van de bodem, de strooisel-, kruid- of boomlaag uit te voeren.
- De ontbossing kan enkel worden uitgevoerd conform het plan toegevoegd als bijlage, waarop ook de als bos te behouden zones zijn aangeduid.
- De op het verkavelingsplan aangeduide openbare/niet-openbare beboste groene ruimtes over een oppervlakte van 304 m² worden integraal opgenomen in de verkavelingsvoorschriften. Deze beboste groene ruimtes moeten ALS BOS behouden blijven. Bijkomende kappingen in deze zone kunnen maar uitgevoerd worden mits machtiging door het Agentschap voor Natuur en Bos. Het is evenmin toegelaten in deze zone constructies op te richten of ingrijpende wijzigingen van de bodem, de strooisel-, kruid- of boomlaag uit te voeren. Bijkomende ontbossing in de op het verkavelingsplan aangeduide groene ruimtes is slechts mogelijk na het wijzigen van de verkavelingsvergunning.
5) Te voldoen aan volgende voorwaarden met betrekking tot de watertoets:
- De toekomstige aanvragen tot omgevingsvergunning dienen te voorzien in maatregelen voor opvang en lozing van hemelwater. De bepalingen van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (Besluit Vlaamse Regering dd. 5 juli 2013) moeten alleszins nageleefd worden.
- Indien er ondergrondse constructies worden opgericht, de bemaling voldoet aan de voorwaarden zoals opgelegd in Vlarem II.
- Een permanente drainage, ook al is dit in functie van een aanleg van een ondergrondse constructie, mag niet voorzien worden aangezien permanente drainage een continue verlaging van de grondwaterstand tot gevolg heeft.
6) De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementeringen van de nutsmaatschappijen.
7) Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de verkavelaar;
8) Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van de omgevingsaanvraag of de toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting op het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag voor het verkavelen van gronden of een omgevingsaanvraag van een particulier, blijft ten laste van de aanvrager.
9) Volgens de gekende gegevens bevindt zich een bomenrij op het terrein (op het uit te sluiten lot), opgenomen als KLE nr. 305. Deze boomrij dient behouden te blijven.
11) De verkavelingsvoorschriften in bijlage, opgesteld door het college van burgemeester en schepenen zijn van toepassing op voorliggende aanvraag.
15) Na het afleveren van het attest conform artikel 4.2.16§2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening dient de verkaveling in een officiële akte gegoten de worden.  De gemeente dient in kennis te worden gebracht van de akte van neerlegging van de verkaveling.

Het college van burgemeester en schepenen beslist tevens een afschrift van dit attest te versturen naar:

  • Departement Omgeving
  • De Watergroep
  • Fluvius System Operator cvba
  • Agentschap Natuur en Bos
14.

2021_CBS_01338 - Aktename melding voor droogzuiging - 2021/00329MM - Engstegenseweg 3 - Kennisneming

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
14.

2021_CBS_01338 - Aktename melding voor droogzuiging - 2021/00329MM - Engstegenseweg 3 - Kennisneming

2021_CBS_01338 - Aktename melding voor droogzuiging - 2021/00329MM - Engstegenseweg 3 - Kennisneming

Motivering

Feiten context en argumentatie

Het betreft een droogzuiging voor de plaatsing van een sorteerstraat te Engstegenseweg 3, 1ste afd, sectie B, nr. 591F.
Voor de realisatie van de bouw moet een grondwatertafelverlaging van 4 bekomen worden.
Het gevraagde debiet bedraagt 10 m³/dag, gedurende 10 dagen. Dit komt neer op een jaardebiet van 100 m³.
Volgens de aanvraag zou het grondwater terug geïnfiltreerd worden.
De aanvraag is onderschat qua debiet maar te verwachten is dat dit debiet van beperkte aard is gezien de aard van het werk. 

Gunstig voor een bronbemaling te Engstegenseweg 3, voor de realisatie van een sorteerstraat, voor een totaaldebiet van 100 m³, mits volgende voorwaarden:

  • Infiltratie van het grondwater wordt toegepast op het perceel, geen lozing op de riolering.
  • Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.   
  • De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  • Indien een volume van meer dan 10 m³/uur wordt geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, moet de aanvrager op voorhand een toelating bekomen van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.  
  • De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum. 
  • De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  • Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp). 

Besluit:

Artikel 1

De gemeentelijke omgevingsambtenaar heeft op 07/12/2021 akte genomen van de melding ingediend door Swartenbroekx Ménaud, Troisdorflaan 13 te 3600 Genk voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, zijnde een tijdelijke bemaling voor de plaatsing van een sorteerstraat voor een totaaldebiet van 100 m³, gelegen aan Engstegenseweg 3 te 3520 Zonhoven, kadastraal bekend: 1ste afd, sectie B, nr. 591F met rubriek: 53.2.2°a).n, kadastraal bekend: 1ste afd, sectie B, nr. 1221B met rubriek: 53.2.2°a).

Artikel 2

Volgende voorwaarden moeten worden nageleefd:

  • Infiltratie van het grondwater wordt toegepast op het perceel, geen lozing op de riolering.
  • Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.   
  • De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  • Indien een volume van meer dan 10 m³/uur wordt geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, moet de aanvrager op voorhand een toelating bekomen van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.  
  • De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum. 
  • De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  • Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp). 

Deze aktename stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het besluit van de gemeentelijk omgevingsambtenaar.

15.

2021_CBS_01339 - Aktename melding voor droogzuiging - 2021/00330MM - Leeuwerikstraat, Eksterstraat, Heivinkstraat en voor de woning te Vlasbergweg 16 - Kennisneming

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
15.

2021_CBS_01339 - Aktename melding voor droogzuiging - 2021/00330MM - Leeuwerikstraat, Eksterstraat, Heivinkstraat en voor de woning te Vlasbergweg 16 - Kennisneming

2021_CBS_01339 - Aktename melding voor droogzuiging - 2021/00330MM - Leeuwerikstraat, Eksterstraat, Heivinkstraat en voor de woning te Vlasbergweg 16 - Kennisneming

Motivering

Feiten context en argumentatie

Het betreft een droogzuiging voor de realisatie van aansluitputten op de openbare riolering voor de straten Eksterstraat, Heivinkstraat, Leeuwerikstraat en de rioolaansluiting voor de woning te Vlasbergweg 16, 2de afd, sectie D.
De werken vinden plaats op openbaar domein.
De werken zullen gefaseerd plaatsvinden. Van zodra een huisaansluitput vernieuwd is, zal de bemaling opgeschoven worden. Er zullen 18 fases plaatsvinden, waarbij telkens 4 huisaansluitputjes worden bemaald.
Een beperkte grondwatertafelverlaging is noodzakelijk, tot gemiddeld 1,8 m-mv, max. 2,7 m-mv.
In totaal worden er 295 aanzuigpunten geplaatst voor in totaal 73 locaties. Per huisaansluitputje zal er 4 dagen bemaald worden, voor een oppervlakte van 6 m², met 4 aanzuigpunten.
Het totaal op te pompen debiet komt uit op 22443 m³. Dit zal geïnfiltreerd worden op het grasveld achter de woningen te Kapelbergweg.
De bemalingsstudie haalt aan dat de natuurlijke arseenaanrijking te Kapelbergweg buiten de invloedstraal van de bemaling ligt.
Het lozingspunt bevindt zich op het gemeentelijk perceel achter de woningen Kapelbergweg.
Een infiltratieoppervlakte van 1500 m² is noodzakelijk. De beschikbare ruimte is ruw geschat 12000 m².
De aanvraag is realistisch en kan gunstig beoordeeld worden.

Gunstig voor een bronbemaling in de straten Eksterstraat, Heivinkstraat, Leeuwerikstraat voor de huisaansluitputjes en de rioolaansluiting thv Vlasbergweg 16, voor een totaal debiet van 22443 m³ mits volgende voorwaarden:

  • De nodige afspraken worden gemaakt met de dienst patrimonium omtrent de infiltratiezone op het perceel 124D24. De aannemer neemt dit mee op in zijn communicatie naar de buurtbewoners en zet een affiche op de locatie van infiltratie.
  • Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.   
  • De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  • Indien een volume van meer dan 10 m³/uur wordt geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, moet de aanvrager op voorhand een toelating bekomen van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.  
  • De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum. 
  • De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  • Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp).

Besluit:

Artikel 1

De gemeentelijke omgevingsambtenaar heeft op 07/12/2021 akte genomen van de melding ingediend door Buys Jurgen, Gierlebaan 91 te 2275 Lille voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, zijnde een tijdelijke bemaling voor de realisatie van 73 huisaansluitputjes en 1 rioolaansluiting voor de straten Leeuwerikstraat, Eksterstraat, Heivinkstraat en voor de woning te Vlasbergweg 16, 2de afd, sectie D, voor een totaaldebiet van 22443m³, met rubriek: 53.2.2°a).

Artikel 2

Volgende voorwaarden moeten worden nageleefd:

  • De nodige afspraken worden gemaakt met de dienst patrimonium omtrent de infiltratiezone op het perceel 124D24. De aannemer neemt dit mee op in zijn communicatie naar de buurtbewoners en zet een affiche op de locatie van infiltratie.
  • Een goed functionerende debietsteller moet aanwezig zijn op elke pomp.   
  • De sectorale voorwaarden van Vlarem II, hoofdstuk 5.53, moeten nageleefd worden.
  • Indien een volume van meer dan 10 m³/uur wordt geloosd op een gemengd rioleringsstelsel, moet de aanvrager op voorhand een toelating bekomen van Aquafin (art. 5.53.6.1.1 van Vlarem II) op www.aquafin.be. Het startvolume van de bronbemaling wordt ook in rekening gebracht bij het bepalen van het uurdebiet.  
  • De droogzuiging wordt onmiddellijk verwijderd zodra dit bouwtechnisch mogelijk is en wordt beperkt in tijd en debiet tot het absolute, noodzakelijke, minimum. 
  • De lozing van het grondwater mag geen wateroverlast voor derden veroorzaken.
  • Indien de stroomgroep geluidshinder vormt voor de omwonenden, moeten onmiddellijk gepaste maatregelen genomen worden om de hinder tot een absoluut minimum te beperken (eventueel overschakelen op een elektrische pomp).

 Deze aktename stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het besluit van de gemeentelijk omgevingsambtenaar.

16.

2021_CBS_01340 - OMV - Vergunning - Vaartstraat 2B - 2021/00246 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
16.

2021_CBS_01340 - OMV - Vergunning - Vaartstraat 2B - 2021/00246 - Goedkeuring

2021_CBS_01340 - OMV - Vergunning - Vaartstraat 2B - 2021/00246 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een tuinberging.

De aanvraag werd op 10/08/2021 ontvangen en op 07/09/2021 ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 17/09/2021 tot en met 16/10/2021, gesloten met 0 bezwaarschriften.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 1963/00054: bouwvergunning op 27/03/1963 voor het bouwen van een woonhuis/ bungalow;
  • 1998/07959: bouwvergunning op 02/02/1999 voor de regularisatie van het bouwen van een tuinhuisje, serre, terras en zwembad (garage/ berging ongunstig);
  • 2018/00015/SPLITSING: vergunning op 05/06/2018 voor het afsplitsen van een deel van perceel 969W om te worden verkocht als bouwgrond;
  • 2019/00055: weigering stedenbouwkundige aanvraag op 14/05/2019 voor het ontbossen van het perceel;
  • 1289.C.874.2: omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden op 03/03/2020 voor 2 loten open bebouwing waarbij lot 1 uitgesloten wordt wegens bebouwd. Lot 5 wordt toegevoegd aan lot 2 en loten 3 en 4 worden gratis afgestaan aan de gemeente om te voegen bij het openbaar domein.

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie tussen 07/06/2021 en 11/06/2021 (VB_2014_150, 21M14335).

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk advies. 

Voor het bijgebouw wordt een afwijking gevraagd voor de materiaalkeuze en een aanbouw in de zijtuinstrook is niet meer van toepassing.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt dat een PV werd opgesteld op 06/03/1986 - ref. BO/1986/0005 voor het goed Vaartstraat 2, perceel 3/C/696W (destijds als 1 onroerend goed met het perceel van de aanvraag te beschouwen) voor het oprichten van een garage/ bergplaats langs de zijgevel van de bestaande woning. Hiervoor werd een regularisatie aangevraagd, doch geweigerd voor wat betreft de garage/ berging links van de woning. Het bouwmisdrijf heeft geen rechtstreekse betrekking/ invloed op de aanvraag.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 17/09/2021 tot en met 16/10/2021.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Dienst Patrimonium

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

Het perceel van de aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, grotendeels gelegen in woongebied en deels gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. 

De voorgestelde werken bevinden zich volledig in het woongebied.

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen en latere wijzigingen).

De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg.

Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

Het goed is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaal stedelijk gebied Hasselt - Genk” dat op 20 juni 2014 definitief werd vastgesteld door de Vlaamse Regering.  

Er is geen bestemmingswijziging ten opzichte van het gewestplan voorzien voor dit perceel. 

Verkaveling

Het goed is gekend als lot 2 + lot 5 binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde verkaveling, waarvan de vergunning is afgeleverd op 03/03/2020 door het college van burgemeester en schepenen en gekend is onder nummer 1289.C.874.2. De verkavelingsvergunning is voor dit perceel niet vervallen. 

De kavel kreeg als bestemming eengezinswoning met inbegrip van zorgwonen.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften maar niet aan de verkavelingsvoorschriften. Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de afwijkingsbepalingen zoals voorgeschreven in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de gehanteerde richtlijnen en omzendbrieven. 

AFWIJKINGEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Beperkte afwijkingen

Art. 4.4.1.

§1. In een vergunning kunnen, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelafmetingen, de afmetingen en de inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen.

Afwijkingen kunnen niet worden toegestaan voor wat betreft:

1° de bestemming;

2° de maximaal mogelijke vloerterreinindex;

3° het aantal bouwlagen.

De aanvraag wijkt af van de geldende verkavelingsvoorschriften voor wat betreft:

  • Artikel 2.2.C. Verschijningsvorm vrijstaand bijgebouw

De voorschriften bepalen dat bijgebouwen in dezelfde materialen als het hoofdgebouw voorzien moeten worden; dat kleinere constructies tot 21m² in andere materialen mogen uitgevoerd worden mits ze een duurzaam en afgewerkt geheel vormen.

De aanvraag voorziet een gevelafwerking in hout voor het vrijstaande bijgebouw van 30m²  in plaats van een afwerking met grijze gevelsteen zoals voor het hoofdgebouw voorzien is.

De aanvraag voldoet aan de afwijkingsbepalingen.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw opgerichte woning en tuinberging met een totale horizontale dakoppervlakte van 140,28m² (woning 110,28m² en tuinberging 30m²) een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 7 500 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik, wasmachine en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening met een inhoud van 2500 liter en een infiltratieoppervlakte van 3,22m².

De oppervlakte en het volume van de voorzieningen voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen voor oprit, parkeerplaats en pad naar de inkom (53m²) daar deze in een waterdoorlatende verharding uitgevoerd worden. Het terras (30m²) achteraan de woning watert af naar de eigen tuinzone.

Het hemelwater dat op de verharding valt wordt niet opgevangen en afgevoerd, maar kan op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. 

Met betrekking tot de riolering dienen volgende voorwaarden en opmerkingen gevolgd te worden:

  • het hemelwater en afvalwater moeten afzonderlijk afgevoerd worden tot vlak voor het openbaar domein om apart aan te sluiten op het gescheiden rioleringsstelsel in de straat.
  • Er dient rekening gehouden te worden met “het reglement voor verkavelingen, bedrijventerreinen, appartementsgebouwen en andere bouwprojecten” van de netbedrijven.
  • Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager;
  • Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
  • Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.

Standaardbepalingen rioleringsbeheerder Fluvius omgevingsvergunningen

Algemene bepalingen betreffende riolering en waterafvoer:

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van de rioolbeheerder Fluvius na te leven. Daarnaast dient de aanvrager de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II na te leven voor de afvoer van hemel- en afvalwater. 
  • Indien voor het bouwproject een aansluiting op de openbare riolering noodzakelijk is dan dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning zijn aanvraag tot aansluiting op het openbaar saneringsnetwerk online aan te vragen via de website van Fluvius: www.fluvius.be. Fluvius bepaalt de locatie en diepte van de huisaansluitingen. Alleen Fluvius of een door haar aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting dat in het openbaar domein ligt tot aan de perceelsgrens van de eigendom
  • De klant dient zelf in te staan voor het plaatsen van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake, ondermeer dient voldaan te zijn aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater van 5/07/2013 (GSV “hemelwater”).
  • Indien de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs indien dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning opgelegd is, behoudt Fluvius het recht om de woning niet aan te sluiten op het rioleringsnet.
  • Indien de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften hebben deze voorschriften voorrang.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op vuilwaterafvoerleidingen aangezien in deze putjes vaak verstopping optreedt en alle toestellen in de woning in principe reeds over een waterslot/sifon beschikken.
  • In het kader van herbruik van hemelwater, het water van de hemelwaterput voor de spoeling van alle WC’s, kranen voor kuiswater en wasmachines in deze werken te gebruiken.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • De noodzakelijke ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel (bvb: ontluchtingspijp door dak).

Keuring privéwaterafvoer

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van privéwaterafvoer verplicht vanaf 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar saneringsnet dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement en dit bij de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.  Enkel de door Fluvius erkende keurders komen hiervoor in aanmerking (een lijst kan u terugvinden op de website van Fluvius: www.fluvius.be).

Specifieke bepalingen betreffende riolering en waterafvoer voor dit bouwproject:

Niet overdekte terrassen of opritten 

Volgens de GSV “hemelwater” dient een gescheiden stelsel voorzien te worden: de afvoer van het buitenterras/oprit dient aangesloten te worden op de overloop van de hemelwaterput, op een infiltratievoorziening of dient in de naastliggende groenzones af te wateren.

Infiltratievoorziening

Volgens de GSV hemelwater, dient voor de verharding en dakoppervlakte een infiltratievoorziening toegepast te worden.

Het buffervolume van de infiltratievoorziening dient minimum 25 liter per vierkante meter referentieoppervlakte te bedragen. De grondwaterstand dient nagegaan te worden. Het buffervolume dient zich volledig tussen de gemiddelde grondwaterstand en het peil van de noodoverlaat te bevinden. De oppervlakte van de infiltratievoorziening dient minimaal 4 vierkante meter per begonnen 100 vierkante meter referentieoppervlakte te bedragen.

De eventuele noodoverloop dient voldoende hoog voorzien te worden, en niet dieper dan 30 cm onder het laagste deksel of aangesloten kolk, zodat de noodoverlaat zich boven de hoogste grondwaterstand bevindt. Deze noodoverlaat dient te allen tijde inspecteerbaar en bereikbaar te zijn (bv. onder een deksel). Er wordt enkel een aansluiting met max. diam. 160 mm als overloop van de infiltratievoorziening toegestaan. We raden tevens aan om op de overloop van de infiltratievoorziening een terugslagklep te plaatsen.

Indien een hemelwaterput gebouwd wordt dient de overloop van de hemelwaterput aangesloten te worden op de toevoer naar de infiltratievoorziening.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Artikel 4.3.8. Rooilijnplan

§ 1. Onverminderd andersluidende wettelijke, decretale of reglementaire bepalingen, kan geen vergunning verleend worden voor het bouwen, verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een constructie op een stuk grond dat door een rooilijn is getroffen, met uitzondering van de gevallen waarin voldaan is aan een van volgende voorwaarden:

1° de aanvraag heeft louter betrekking op onderhouds- of stabiliteitswerken aan een vergunde of vergund geachte constructie;
2° de aanvraag heeft louter betrekking op sloop- of aanpassingswerken die tot gevolg hebben dat de constructie aan de rooilijn of achteruitbouwstrook wordt aangepast;
3° de aanvraag heeft betrekking op de verbouwing van een monument dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is, of een constructie die deel uitmaakt van een stads- of dorpsgezicht of een cultuurhistorisch landschap dat bij een decreet definitief of voorlopig beschermd is;
 4° de aanvraag heeft louter betrekking op het aanbrengen van gevelisolatie aan een bestaande vergunde of vergund geachte constructie, met een overschrijding van ten hoogste veertien centimeter.

Het perceel is gelegen aan een gemeenteweg.

Op de voorliggende weg is het door de Minister op 18/08/1969 goedgekeurde rooilijn- en onteigeningsplan van kracht. 

De aanvraag is niet in strijd met dit rooilijnplan.

Met het afleveren van de vergunning voor de realisatie van de verkaveling 1289.C.874.2 dd. 03/03/2020 werd een grondafstand van de loten 3 en 4 opgenomen voor inlijving bij het openbaar domein, en uitgevoerd op 25/06/2020. Hierdoor werd de rooilijn gerealiseerd.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceeloppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de gelijkvloerse inkomhal, bureauruimte en berging/wasplaats en op de verdieping in de nachthal, technische ruimte en de 3 slaapkamers.

Opmerking: de plaatsing van rookmelders in ruimtes waar dampen en rookgassen gebruikelijk kunnen voorkomen (garages, keukens, badkamers en ook wasplaats en technische ruimte) kan aanleiding geven tot valse meldingen. Hier is het meer aangewezen een hittemelder te plaatsen.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. 

Er wordt evenwel vastgesteld op basis van de foto’s, gevoegd bij de aanvraag, dat ter hoogte van de nieuwe perceelgrens tussen lot 2 van de aanvraag en het links gelegen (uitgesloten) lot 1 een afgraving werd doorgevoerd. Tussen beide loten is een hoogteverschil van meer dan 1m aanwezig. Ter hoogte van de perceelscheiding zal een keerwand voorzien worden om dit hoogteverschil op te vangen. Aangezien het over een afstand van zo’n 35m gaat, is het mogelijk dat reeds een grondverzet  (met afvoer) van meer dan 250m³ werd doorgevoerd.

De regelgeving omtrent grondverzet is in dat geval van toepassing.

Erfdienstbaarheden / gemene muren / erfscheidingen

Vergunningen hebben een zakelijk karakter. Zij worden verleend onder voorbehoud van de op het onroerend goed betrokken burgerlijke rechten.

Het is niet de taak van de administratieve overheid zich uit te spreken over het bestaan, de interpretatie en de omvang van subjectieve rechten, zoals bijvoorbeeld het bestaan van een erfdienstbaarheid, het overnemen van een gemene muur of gemeenschappelijke erfscheidingen.

De aanvrager wordt erop gewezen dat omtrent de erfscheidingen geen afbreuk wordt gedaan aan de burgerlijke rechten van de betrokken aanpalende eigenaars   door het afleveren van een omgevingsvergunning.

Dat het aangewezen is hieromtrent een (schriftelijke) overeenkomst/ akkoordverklaring te bekomen alvorens aan te vatten met de werken.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een tuinberging. 

De woning met 2 bouwlagen en plat dak wordt ingeplant op 6m à 6,62m uit de voorste perceelgrens en op minimaal 3m afstand tot de zijdelingse perceelgrenzen.

De bouwdiepte op gelijkvloers en verdieping bedraagt 8,20m tot maximaal 10m gemeten vanaf de voorgevellijn. De bouwhoogte ten opzichte van het maaiveld bedraagt 6,30m.

De gevels worden afgewerkt met een grijze gevelsteen en het buitenschrijnwerk is voorzien in aluminium/ pvc met grijze kleur.

Aan de linkerzijde van het perceel wordt een oprit en parkeerplaats met een breedte van 3m aangelegd alsook een pad naar de voordeur die zich halfweg de voorgevel situeert. Er kunnen 2 wagens op eigen terrein geparkeerd worden.

Achteraan de woning zal een terras met een oppervlakte van 30m² aangelegd worden.

Helemaal links achteraan op het perceel, wordt een tuinberging in hout opgericht, afgewerkt met een plat dak. De inplanting is voorzien op minimaal 1m afstand tot de perceelgrenzen en op ca. 20m achter de woning. De bouwhoogte ten opzichte van het maaiveld bedraagt 2,60m volgens de gevelplannen van het bijgebouw; volgens het terreinprofiel nieuwe toestand bedraagt de hoogte 3,10m. De hoogte zoals aangegeven op de gevelplannen dient aangehouden te worden, zijnde 2,60m.  Dit wordt opgelegd als vergunningsvoorwaarde.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De aanvraag is gelegen in een gebied dat geordend wordt door een verkavelingsvergunning waarvan op geldige wijze afgeweken wordt. Die vergunning bevat voorschriften die de aandachtspunten, vermeld in art. 4.3.1 §2 1° van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening, behandelen en regelen. Deze voorschriften worden geacht de criteria van de goede ruimtelijke ordening weer te geven.

De aanvraag integreert zich hierin volledig qua architectuur, materiaalgebruik en volume behoudens de gevraagde afwijking voor het gevelmateriaal van het bijgebouw in de achtertuin.

De aanvraag wijkt af van de geldende verkavelingsvoorschriften voor wat betreft:

  • Artikel 2.2.C. Verschijningsvorm vrijstaand bijgebouw

De voorschriften bepalen dat bijgebouwen in dezelfde materialen als het hoofdgebouw voorzien moeten worden; dat kleinere constructies tot 21m² in andere materialen mogen uitgevoerd worden mits ze een duurzaam en afgewerkt geheel vormen.

De aanvraag voorziet een gevelafwerking in hout voor het vrijstaande bijgebouw van 30m²  in plaats van een afwerking met grijze gevelsteen zoals voor het hoofdgebouw voorzien is.

Het gebruik van hout voor tuinbergingen is vrij gangbaar en algemeen genomen aanvaardbaar. Aangezien de tuinberging niet of nauwelijks zichtbaar is vanaf de woning en de straat, is eenzelfde gevelsteen als de woning niet noodzakelijk. 

Als bemerking wordt meegegeven dat er voor de gevelafwerking in hout bij voorkeur geopteerd wordt voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).  Tropisch houtsoort wordt best vermeden gezien dit op vlak van ecologie zeer slecht scoort.

De gevraagde afwijking is niet van die aard dat de basisvisie van de verkaveling erdoor wordt aangetast, evenmin doet het gevraagde afbreuk aan de rechten en het woongenot van de aanpalenden. De gevraagde afwijkingen zullen niet leiden tot onverenigbare situaties in deze omgeving.

Bodemreliëf

Een ophoging van het bodemreliëf is slechts toegelaten zoals aangegeven in de verkavelingsvoorschriften; tot op maximaal 30cm boven het straatniveau. 

De aanvraag voorziet geen relevante ophoging, slechts een nivellering van het terrein. 

Het maaiveld binnen de 1ste 30m perceeldiepte blijft aangehouden op 15cm boven het wegpeil. De vloerpas gelijkvloers is voorzien op 30cm boven het wegpeil.

Het achterste gedeelte van het perceel bevindt zich op ca. 25cm boven het wegpeil en blijft aangehouden.

Een strook van  langsheen de perceelsgrens links werd afgegraven afgaande op de ingediende foto’s. Om het hoogteverschil met het links gelegen perceel op te vangen (0,85m à 1,35m) wordt een keerwand geplaats ter hoogte van de perceelgrens. Hierdoor kan het niveau van het perceel van de aanvraag voldoen aan de geldende voorschriften.

Indien meer dan 250m³ grond werd/ wordt afgevoerd, dient voldaan aan de regelgeving omtrent grondverzet.

Alle overtollige grond die vrijkomt bij het (af)graven van het terrein langsheen de linker perceelgrens en de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

Als bemerking wordt meegegeven dat er voor de gevelafwerking in hout bij voorkeur geopteerd wordt voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).  Tropisch houtsoort wordt best vermeden gezien dit op vlak van ecologie zeer slecht scoort.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 14/09/2021 van de dienst Patrimonium is gunstig. Er werden geen opmerkingen geformuleerd.

De gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij dit advies.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.

Als bemerking wordt meegegeven dat er voor de gevelafwerking in hout bij voorkeur geopteerd wordt voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).  Tropisch houtsoort wordt best vermeden gezien dit op vlak van ecologie zeer slecht scoort.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een tuinberging.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een tuinberging, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. Voor het bijgebouw dient de bouwhoogte zoals aangegeven op de gevelplannen aangehouden te worden, zijnde 2,60m tov het plaatselijke maaiveld;
    Riolering:
  2. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be );
  3. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be); 
  4. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  5. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  6. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  7. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  8. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  9. Er zijn geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien in de aanvraag. Het maaiveld van tot ca. 30m achter de rooilijn bevindt zich op 15cm boven het peil van de wegas, daarachter is een lichte helling tot op 25cm boven het peil van de wegas aanwezig. Ter hoogte van de scheiding met het links aanpalende perceel, dat veel hoger gelegen is, wordt een keerwand geplaatst. Het bestaande terreinniveau dient behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  10. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  11. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
    Andere voorwaarden:
  12. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  13. Met betrekking tot de uitvoering van de gemene muren / erfscheidingen / aanplantingen op de scheiding, dient principieel met de buren een overeenkomst afgesloten te worden alvorens aan te vatten met de werken conform het Burgerlijk Wetboek;
  14. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m; 
  15. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  16. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  17. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Als bemerking wordt meegegeven dat er voor de gevelafwerking in hout bij voorkeur geopteerd wordt voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label). Tropisch houtsoort wordt best vermeden gezien dit op vlak van ecologie zeer slecht scoort.

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 07/12/2021 omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek, het afwijken van de verkavelingvoorschriften en tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en een tuinberging, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. Voor het bijgebouw dient de bouwhoogte zoals aangegeven op de gevelplannen aangehouden te worden, zijnde 2,60m tov het plaatselijke maaiveld;
    Riolering:
  2. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be );
  3. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be); 
  4. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  5. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  6. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  7. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  8. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  9. Er zijn geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien in de aanvraag. Het maaiveld van tot ca. 30m achter de rooilijn bevindt zich op 15cm boven het peil van de wegas, daarachter is een lichte helling tot op 25cm boven het peil van de wegas aanwezig. Ter hoogte van de scheiding met het links aanpalende perceel, dat veel hoger gelegen is, wordt een keerwand geplaatst. Het bestaande terreinniveau dient behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  10. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  11. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
    Andere voorwaarden:
  12. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  13. Met betrekking tot de uitvoering van de gemene muren / erfscheidingen / aanplantingen op de scheiding, dient principieel met de buren een overeenkomst afgesloten te worden alvorens aan te vatten met de werken conform het Burgerlijk Wetboek;
  14. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m; 
  15. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  16. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  17. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Als bemerking wordt meegegeven dat er voor de gevelafwerking in hout bij voorkeur geopteerd wordt voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).  Tropisch houtsoort wordt best vermeden gezien dit op vlak van ecologie zeer slecht scoort.

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

17.

2021_CBS_01341 - OMV - Vergunning - Schutenseweg 45A - 2021/00279 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
17.

2021_CBS_01341 - OMV - Vergunning - Schutenseweg 45A - 2021/00279 - Goedkeuring

2021_CBS_01341 - OMV - Vergunning - Schutenseweg 45A - 2021/00279 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en terreinaanleg met kappen van 5 bomen.

De aanvraag werd op 23/09/2021 ontvangen.

Op 21/10/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 22/10/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 28/10/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd geen openbaar onderzoek gehouden.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 2007/10783: stedenbouwkundige vergunning op 03/09/2007 voor het ophogen van het terrein met ca. 50cm tot het niveau van de voorliggende weg;
  • 7204.V.98/09: verkavelingsvergunning op 26/03/2001 voor een nieuwe verkaveling met wegenis en 56 kavels.

Een aantal vragen/ voorstellen mbt de aanvraag werden voorafgaandelijk aan het indienen van de aanvraag in overleg gebracht (VB_2020_015) met de gemeentelijke administratie (tussen 01/2021 en 09/2021). De vragen hadden betrekking op het rooien van bomen, een eventuele inplanting van een carport buiten de bouwzone in een voortuinstrook, de plaatsing van een zeecontainer op het onbebouwde terrein.

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg. 

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt dat in het verleden een PV werd opgesteld , zijnde BI/2007/0001 op 25/03/2007 door de lokale politie, voor het uitvoeren van werken op percelen gelegen te Zonhoven, Mommersbosweg, kadastraal gekend als 3de afdeling, sectie F, perceelnummer(s) 619b,c,f,g,h, k; 621f,g,h,k .

De voornoemde percelen werden opgehoogd met zwarte grond. 

Op 03/09/2007 werd een regularisatievergunning afgeleverd voor het ophogen van de percelen – dossiernummer 2007/10783.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de vereenvoudigde procedure behandeld.

Er werd bijgevolg geen openbaar onderzoek gehouden.

ADVIEZEN

Agentschap Natuur en Bos

Fluvius

Dienst Patrimonium

Dienst Facilitair Management

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, gelegen in woongebied.

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen en latere wijzigingen).

De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg, noch in een ruimtelijk uitvoeringsplan.

Verkaveling

Het goed is gekend als lot 35 binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde verkaveling, waarvan de vergunning is afgeleverd op 26/03/2001 door het college van burgemeester en schepenen en gekend is onder nummer 7204.V.98/09. De verkavelingsvergunning is voor dit perceel niet vervallen. 

De kavel kreeg als bestemming eengezinswoning.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften en de verkavelingsvoorschriften.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen en aanstiplijst geven aan dat voor de nieuw opgerichte woning met een horizontale dakoppervlakte van 139,67m² een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 10 000 liter (minimaal 5000 liter verplicht) en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik, een dienstkraan en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratieput met een inhoud van 2000 liter en een infiltratieoppervlakte van 7m² (minimaal 3,19m²).

De oppervlakte en het volume van de voorzieningen voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren. Zowel de oprit en parkeerplaats (64,94m²) als het terras achteraan de woning (22,57m²) worden uitgevoerd in een waterdoorlatende verharding en eventueel afstromend hemelwater kan in de aangrenzende groenzones op eigen terrein infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. 

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan Fluvius.

Het advies van 22/11/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

Naar aanleiding van uw brief/mail van 28-10-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 3, sectie F, nummer(s) 618C/deel - 621A/deel, kunnen we een voorwaardelijk gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:

Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering.

De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).

Algemene voorschriften: Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.

Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven.
  • De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven.
  • De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013.
  • Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be. Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager. Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.
  • Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel.
  • Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang.

2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject

Voor dit perceel is het aansluitingsputje voor de afvoer van afvalwater (DWA) op het openbaar rioleringsstelsel reeds geplaatst. Het RWA-putje (regenwater) dient nog geplaatst te worden door FLuvius. Hierop dient de aanvrager de privéwaterafvoer aan te koppelen. De diameter van de afvoerbuis voor vuilwater (DWA) is 125 mm, voor regenwater (RWA) is dit 160 mm. Alvorens de riolering in gebruik te nemen (te mogen lozen) dient een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel bij Fluvius te gebeuren. De aanvraag kan gebeuren via www.fluvius.be.

Volgens de GSV “hemelwater” dient een gescheiden stelsel voorzien te worden: de afvoer van het buitenterras/oprit dient aangesloten te worden op de overloop van de hemelwaterput, op een infiltratievoorziening of dient in de naastliggende groenzones af te wateren.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben.
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak.
  • Het is niet toegestaan om drainageleidingen aan te sluiten op de openbare riolering. Overeenkomstig de milieuwetgeving dient dit op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.

3. Keuring privéwaterafvoer

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van de privéwaterafvoer verplicht sinds 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12/1, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement. De keuring dient uitgevoerd te worden vóór de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.

Enkel de door Fluvius erkende keurders komen voor deze keuring in aanmerking (zie Keuring riolering | Fluvius).

Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34.

Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.”

Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager;

Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceeloppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de gelijkvloerse berging (wasplaats/ CV-ruimte), de nachthal op de verdieping en in de kelderberging.

Opmerking: de plaatsing van rookmelders in ruimtes waar dampen en rookgassen gebruikelijk kunnen voorkomen (garages, keukens, badkamers, wasplaats…) kan aanleiding geven tot valse meldingen. Hier is het meer aangewezen een hittemelder te plaatsen.

Het is aangewezen om rookmelders te plaatsen in elke ruimte waar u doorheen moet op weg naar buiten (zoals inkomhal, doorgang, nachthal, traphal…).

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Boscompensatie

De aanvraag bevat een boscompensatieformulier.

De aanvraag werd voor advies voorgelegd aan het agentschap Natuur en Bos.

Door het agentschap Natuur en Bos werd aangegeven dat het Bosdecreet niet van toepassing is. Er wordt door het agentschap dan ook geen advies verleend.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden (kelderverdieping, uitgraving putten hemelwater). De regelgeving omtrent grondverzet is van toepassing.

Erfdienstbaarheden

Vergunningen hebben een zakelijk karakter. Zij worden verleend onder voorbehoud van de op het onroerend goed betrokken burgerlijke rechten.

Er dient rekening gehouden te worden met de erfdienstbaarheid ten aanzien van de riolering, vastgesteld bij gemeenteraadsbeslissing van 19 april 2004.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving en de verkavelingsvoorschriften.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en de aanleg van het terrein waarbij 5 bomen gerooid worden.

Het terrein is een hoekperceel van ca. 843m². De inplanting van de woning is voorzien op 6m afstand tot de voorste perceelgrens, op 3,03m tot de rechter perceelgrens en op minimaal 6,50m afstand tot de linker perceelgrens (langsheen Mommersbosweg).

De woning wordt voorzien van een kelderverdieping en heeft bovengronds 2 bouwlagen, afgewerkt met een plat dak.

Het gelijkvloers, tot een bouwdiepte van 12,75m, omvat een inkomhal met toilet, privaat bureau, leefruimte en open keuken met aansluitend een overdekt terras, berging/ wasplaats/ fietsengarage.

Op de verdieping, met een bouwdiepte van 9,40m (vanaf de bouwlijn gemeten),  situeren zich de nachthal, dressing, toilet, badkamer en 3 slaapkamers.

De bouwhoogte bedraagt 3,25m tot maximaal 6,15m ten opzichte van het maaiveld.

De gevelafwerking is voorzien met een grijsbruin genuanceerde gevelsteen en accenten in zwart gemoffelde aluminium panelen, het buitenschrijnwerk wordt uitgevoerd  in aluminium met zwarte kleur.

Het terrein wordt verder ingericht met een oprit naar de open autostaanplaats langs de linker zijgevel en een verharding naar de inkomzone toe. De oppervlakte van deze verharding bedraagt zo’n 65m².

Aan de achterzijde van de woning wordt, aansluitend aan de keuken, een terrasverharding aangelegd met een oppervlakte van zo’n 23m².

Voor het overige wordt de huiskavel als tuin/ groenzone aangelegd.

Voor het bouwen van de woning en de toegang tot het terrein dienen 5 bomen gerooid te worden, zijnde 1 wilg en 4 beuken. De overige (4) bomen blijven behouden. Langsheen de perceelgrenzen wenst met een draadafsluiting met haag te voorzien tot 1,70m hoog. Voor de voortuinstrook van 6m diep aan de Schutenseweg, dient de hoogte beperkt te blijven tot 1m voor gesloten afsluitingen, dit in functie van de zichtbaarheid/ verkeersveiligheid.

Het terreinniveau van de bouwzone ligt onder het wegpeil, de tuinzone ligt zo’n 10cm boven het wegpeil. Het maaiveld wordt ter hoogte van de bouwzone tot op 10cm boven het peil van de wegas gebracht (ophoging van ca. 30cm). De tuinzone achter de woning bevindt zich reeds op ongeveer dezelfde hoogte en blijft ongewijzigd. De vloerpas gelijkvloers is voorzien op 30cm boven het peil van de wegas.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De aanvraag is gelegen in een gebied dat geordend wordt door een ruimtelijk uitvoeringsplan, een gemeentelijk plan van aanleg of een verkavelingsvergunning waarvan niet afgeweken wordt. Dit plan of die vergunning bevat voorschriften die de aandachtspunten, vermeld in art. 4.3.1 §2 1° van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening, behandelen en regelen. Deze voorschriften worden geacht de criteria van de goede ruimtelijke ordening weer te geven.

De aanvraag integreert zich hierin volledig qua architectuur, materiaalgebruik en volume.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 22/11/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig zoals reeds hoger aangehaald (zie “Stedenbouwkundige verordening, riolering”). 

De voorwaarden gesteld in het advies dienen gevolgd te worden.

De gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij dit advies.

De voorwaarden gesteld in het advies dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 29/10/2021 van de dienst Facilitair Managementgroenbeheer is voorwaardelijk gunstig:

Gunstig voor de voorgestelde werken mits volgende voorwaarden worden gerespecteerd:

  • onder de kruinprojectie van de te behouden bomen mogen er geen materialen gestapeld worden,
  • er mogen geen werken uitgevoerd worden binnen de kruinprojectie van de te behouden bomen,
  • Indien er toch werken binnen de kruinprojectie van de bomen moet uitgevoerd worden, moeten de wortels recht afgezet worden en moet schade aan de wortels tot het absolute minimum beperkt worden.
  • Bij eventuele snoeiwerken aan de te behouden bomen, mag er niet meer dan 1/3 van het kruinvolume worden verwijderd en mogen er geen wonden groter dan 10 cm in diameter gemaakt worden.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij dit advies.

De voorwaarden gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Het agentschap Natuur en Bos heeft aangegeven dat de aanvraag niet valt onder het Bosdecreet en er bijgevolg geen advies verleend wordt.

Het advies van de dienst Patrimonium werd niet (tijdig) verleend en wordt bijgevolg geacht gunstig te zijn. 

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en terreinaanleg met kappen van 5 bomen.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en terreinaanleg met kappen van 5 bomen, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. De voorwaarden gesteld in het advies van de dienst Facilitair Managementgroenbeheer dienen gevolgd te worden:
    - onder de kruinprojectie van de te behouden bomen mogen er geen materialen gestapeld worden,
    - er mogen geen werken uitgevoerd worden binnen de kruinprojectie van de te behouden bomen,
    - Indien er toch werken binnen de kruinprojectie van de bomen moet uitgevoerd worden, moeten de wortels recht afgezet worden en moet schade aan de wortels tot het absolute minimum beperkt worden.
    - Bij eventuele snoeiwerken aan de te behouden bomen, mag er niet meer dan 1/3 van het kruinvolume worden verwijderd en mogen er geen wonden groter dan 10 cm in diameter gemaakt worden.
  2. Enkel de op plan aangegeven 5 bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
    Riolering:
  3. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  4. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  5. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  6. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  7. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  8. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  9. Ophogingen van het bodemreliëf is toegelaten zoals voorzien binnen de aanvraag. Het maaiveld wordt ter hoogte van de bouwzone tot op 10cm boven het peil van de wegas gebracht (ophoging van ca. 30cm). De tuinzone achter de woning bevindt zich reeds op ongeveer dezelfde hoogte en blijft ongewijzigd. De vloerpas gelijkvloers is voorzien op 30cm boven het peil van de wegas.
    Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen.
    Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  10. De dienst ruimtelijke ordening van het gemeentebestuur van Zonhoven dient, voor de aanvang van de grondwerken, schriftelijk op de hoogte gesteld te worden over hoe het grondverzet zal georganiseerd worden en welke vergunningen u hiervoor bekomen hebt (terreinophogingen / tijdelijke opslag gronden);
  11. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  12. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein, dient het perceel ter hoogte van de voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  13. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  14. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingsplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  15. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  16. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  17. In de voortuinstroken mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m. Langsheen de Mommersbosweg mag de voorgestelde haagaanplanting tot 1,70m hoogte voorzien worden tot aan de voorgevelbouwlijn (op 6m afstand tot de voorste perceelgrens); 
  18. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  19. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  20. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
  21. De erfdienstbaarheid, vastgelegd in de gemeenteraadsbeslissing van 19 april 2004, inzonderheid artikel 1, punt e. en f., strikt nageleefd wordt;

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 08/12/2021 tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het bouwen van een vrijstaande eengezinswoning en terreinaanleg met kappen van 5 bomen, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. De voorwaarden gesteld in het advies van de dienst Facilitair Managementgroenbeheer dienen gevolgd te worden:
    - onder de kruinprojectie van de te behouden bomen mogen er geen materialen gestapeld worden,
    - er mogen geen werken uitgevoerd worden binnen de kruinprojectie van de te behouden bomen,
    - Indien er toch werken binnen de kruinprojectie van de bomen moet uitgevoerd worden, moeten de wortels recht afgezet worden en moet schade aan de wortels tot het absolute minimum beperkt worden.
    - Bij eventuele snoeiwerken aan de te behouden bomen, mag er niet meer dan 1/3 van het kruinvolume worden verwijderd en mogen er geen wonden groter dan 10 cm in diameter gemaakt worden.
  2. Enkel de op plan aangegeven 5 bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
    Riolering:
  3. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  4. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  5. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  6. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  7. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  8. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  9. Ophogingen van het bodemreliëf is toegelaten zoals voorzien binnen de aanvraag. Het maaiveld wordt ter hoogte van de bouwzone tot op 10cm boven het peil van de wegas gebracht (ophoging van ca. 30cm). De tuinzone achter de woning bevindt zich reeds op ongeveer dezelfde hoogte en blijft ongewijzigd. De vloerpas gelijkvloers is voorzien op 30cm boven het peil van de wegas.
    Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen.
    Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  10. De dienst ruimtelijke ordening van het gemeentebestuur van Zonhoven dient, voor de aanvang van de grondwerken, schriftelijk op de hoogte gesteld te worden over hoe het grondverzet zal georganiseerd worden en welke vergunningen u hiervoor bekomen hebt (terreinophogingen / tijdelijke opslag gronden);
  11. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  12. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein, dient het perceel ter hoogte van de voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  13. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  14. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingsplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  15. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  16. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  17. In de voortuinstroken mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m. Langsheen de Mommersbosweg mag de voorgestelde haagaanplanting tot 1,70m hoogte voorzien worden tot aan de voorgevelbouwlijn (op 6m afstand tot de voorste perceelgrens); 
  18. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  19. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  20. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
  21. De erfdienstbaarheid, vastgelegd in de gemeenteraadsbeslissing van 19 april 2004, inzonderheid artikel 1, punt e. en f., strikt nageleefd wordt;

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

18.

2021_CBS_01342 - OMV - Vergunning - Industrieweg 2073 – 2075 - 2021/00135 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
18.

2021_CBS_01342 - OMV - Vergunning - Industrieweg 2073 – 2075 - 2021/00135 - Goedkeuring

2021_CBS_01342 - OMV - Vergunning - Industrieweg 2073 – 2075 - 2021/00135 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf.

De aanvraag werd op 21/04/2021 ontvangen.

Op 20/05/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 08/06/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 02/07/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 12/07/2021 tot en met 10/08/2021, gesloten met 6 bezwaarschriften.

GEGEVENS VAN HET BEDRIJF

De activiteiten van het bedrijf zijn de volgende: tuinaanleg en -onderhoud.

Huidige aanvraag behelst een aanvraag voor een nieuwe inrichting waarvoor volgende indelingsrubrieken van toepassing zijn:

  • 2.2.2.f)1° - Afvalstoffen - Opslag en mechanische behandeling van max. 100 ton snoeiafval (mechanische behandeling gebeurt steeds door een externe firma, met een externe mobiele breker van 555 kW en een mobiele trommelzeef van 72 kW
  • 3.4.2° Afvalwater - Lozen van bedrijfsafvalwater meer dan 2 m³/uur
  • 6.5.1° brandbare vloeistoffen - 2 verdeelslangen voor het verdelen van brandstoffen
  • 15.1.1° Stallen van voertuigen zijnde 13 stuks
  • 15.4.1° - Wasplaats (overdekt) voor het wassen van eigen voertuigen: max. 5 stuks per week
  • 17.3.2.1.1.1°b) Gevaarlijke stoffen – Opslag van 6,872 ton diesel voor bevoorraden voertuigen
  • 17.3.2.2.1° Gevaarlijke stoffen  - Opslag van 310 kg benzine (2 x 200 liter)
  • 17.4 Gevaarlijke stoffen - Opslag van max. 2.000 liter gevaarlijke producten in kleinverpakking

Volgende bijstellingen worden aangevraagd:

  • Afwijking van art. 5.2.1.5.§5 Vlarem II: betreffende het groenscherm:

De wetgeving omschrijft een groenscherm langsheen de randen van minstens 5 meter breed.  De bijstelling behelst een groenscherm van 0,5 meter aan de zijkanten en geen aan de voorkant. Aan de achterzijde zal 5 meter voorzien worden.

  • Afwijking van art. 5.2.1.2.§2 betreffende de geijkte weegbrug met automatische registratie:

De wetgeving verplicht een geijkte weegbrug met automatische registratie.   De aanvrager wenst niet te voldoen aan deze voorwaarde. 

  • Afwijking van art. 5.2.1.5.§1 betreffende uithangbord:

Een uithangbord met gegevens van het bedrijf van minstens 1 m² grootte moet aan de voorzijde van het bedrijf geplaatst worden.

De aanvrager wenst geen uithangbord te plaatsen.

  • Afwijking van art. 5.2.1.5.62 betreffende de 2 meter hoge afsluiting:

De inrichting wordt omheind met een stevige en 2 meter hoge afsluiting waarbij de toegangswegen met een poort worden afgesloten.

Het bedrijf wenst aan de achterzijde geen 2 meter hoge afsluiting te plaatsen. 

  • Afwijking van art. 4.2.5.1.1§1 betreffende de installatie van een meetgoot.

De aanvrager wenst geen debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur te moeten voorzien;

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 1989/00070: bouwvergunning op 29/05/1989 voor het bouwen van een industriegebouw;
  • 1998/07979: bouwvergunning op 30/11/1998 voor uitbreiding van een industriegebouw;
  • 2002/08864: stedenbouwkundige vergunning op 17/12/2002 voor het oprichten van een loods;
  • 2003/09144: stedenbouwkundige vergunning op 28/01/2003 voor de regularisatie van het overdekken van de fietsenstalling;
  • 2020/00188: omgevingsaanvraag voor het uitbreiden van een bestaand gebouw met een loods en terreinaanleg met opslagplaatsen, verharding, wadi en groen – op 05/10/2020 onvolledig verklaard.

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie periode maart 2021 – mei 2020 (VB_2020_107).

De aanvraag houdt gedeeltelijk rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg.

Op basis van de ontwerpplannen op 21/04/2021 aangeleverd, werden een aantal opmerkingen doorgegeven/ aanpassingen doorgevoerd.

We (dienst Vergunningen & Handhaving) hebben de plannen bekeken en komen voorlopig tot volgende opmerkingen (reactie aanvrager/ architect toegevoegd):

  • 2 inritten: te beperken tot 1 in- en uitrit ter hoogte van de rooilijn; Het voetpadje naar de burelen wordt ook aanschouwd als toegang en moet geïntegreerd worden tot deze ene toegang. De rechter toegang, naar de achterzijde van het perceel, kan voor ons, maar mag dus niet rechtstreeks op de weg uitkomen. Ofwel moet de toegang tot de parkings gewijzigd worden zodat deze niet meer rechtstreeks op de weg uitkomen. 

Voetpadje wordt aan de hoofd oprit aangesloten, de rechtse toegang is een brandweg . Voor de brandweer is gemakkelijker te manoeuvreren als de weg recht toe aan is.

  • Openbaar domein – staat een gedeelte ingetekend als kiezel: tijdens ons overleg werd gevraagd dit te herstellen naar gras.  Bestendigen als parking wordt dus niet toegelaten, noch kiezelverharding. De verdwenen laanbeplanting moet terug hersteld worden door de aanplant van lindes op openbaar domein. 

Wordt terug gras, met de bomen op het openbaar domein

  • Buffer achteraan: aan te leggen als volwaardige en ‘dichte’ groenbuffer, van min. 5 meter.  We zijn van mening dat een wadi van die grootte de bijkomende functie als voorwaardige, visuele buffer niet kan waarmaken.  Is het geen optie om de wadi aan de linkerzijde in te tekenen, achter de parkeerplaatsen, waar nu een groene zone staat ingetekend? We hebben tijdens het overleg afgesproken dat de zijdelingse buffers minimaal een haag mogen zijn. 

De groenbuffer wordt volledig aangeplant met inheemse planten en struiken, aan de linkerzijde had de bouwheer graag tot de 3 meter grens gebouwd indien toelaatbaar is. 

  • Er is veel parking voorzien voor de functie.  (enkel loods?  Geen bureelruimte? Grondplan bestaande ontbreekt, dus niet af te leiden) Ik neem aan dat er ook camionetten/kleine vrachtwagens geparkeerd moeten worden, waar gebeurt dit? 

Parkings vooraan zijn voor het personeel en klanten, het rollend materiaal (camionetten en vrachtwagens, enz.…) worden in de nieuw loods gestald. Bestaande loods is bureel.

  • De bestaande situatie moet duidelijk zijn op de plannen, ook de verbinding tussen beide gebouwen.

We zullen extra aandacht aanbesteden.

  • De inplanting van de nieuwe loods lijkt ons in orde te zijn, doch stellen we ons vragen over de functie van de loods. Deze grote loods betekent minder grondoppervlakte voor de buitenstockage van allerlei materialen. Ik zie een tuinaanlegger eerder nood hebben aan  buitenopslag ipv binnenopslag. Dit is aan de bouwheer om grondig deze afweging te maken. Bijkomend voordeel van de nieuwe loods is een geluidsbuffer naar de omgeving. 

Zie vraag over parking (nieuwe loods voor stallen bedrijfsvoertuigen)

  • Verder stellen we ons vragen over de kiezelverharding achter de loods. Tijdens het overleg was dhr. Wirix vragende partij om dit te verharden met vb. eurodals om niet in de modder te hoeven werken met de machines. Ik denk dat de kiezelverharding hier niet geheel aan tegemoet zal komen? 

Inderdaad kiezel wordt eurodals

  • Gelieve voldoende aandacht te besteden aan de afwatering van de vloeistofdichte piste achteraan. Dit moet conform de Vlarem gebeuren. 

Bijkomende vraag betreffende afstand tot perceelgrenzen: hoe ver mogen wij van de linkse perceelsgrens met het gebouw,  we hebben nu de 45° regel toegepast (7m van de grens). Daar was nog enige onduidelijkheid over.

Antwoord: Een hoogte van 7m voor de nieuwe loods, met een afstand van 7m tot de perceelsgrens, kan toegestaan worden.

De aanvraag voorziet in een toegang van 6m breed aan de linkerzijde van het perceel, de parking wordt aangelegd tot tegen de voorste perceelgrens (enkel een draadafsluiting).

Op het ontwerpplan was de inrit ter hoogte van de straat 5m breed en werd 1m groenstrook voorzien tussen de parking en voorste perceelgrens. 

Aan de rechterzijde wordt een inrit en parkeerzone ingericht over een overrijdbare breedte van 10m (5m parkeerplaats en 5m inrit).

De berm rechts vooraan blijft in kiezel/ steenslag aangehouden.

Er wordt qua motivatie voor de omvang van de nieuwe loods aangegeven dat de bedrijfsvoertuigen hier gestald worden en dat de bestaande loods de burelen omvat; de bestaande loods omvat weliswaar een gedeelte burelen aan de voorzijde doch er blijft een ruim gedeelte loods waarvan het gebruik niet geheel duidelijk is.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. 

Uit het aanvraagdossier en de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag handelingen werden verricht, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft een ruim gedeelte verhardingen.

Deze wederrechtelijk uitgevoerde handelingen werden opgenomen in de huidige aanvraag als te regulariseren/ aan te passen.

Milieu

Er werd voor dit perceel een milieuvergunning klasse 2 geweigerd op 10/04/2018.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek (1) werd georganiseerd van 12/07/2021 tot en met 10/08/2021.

Er werden 6 bezwaren ingediend.

Bezwaar 1 – 16/07/2021

Het eerste bezwaar betreft een advies en geen bezwaarschrift. Het werd door de adviesinstantie verkeerdelijk als digitaal bezwaarschrift ingediend.

De inhoud is als volgt:

In bijlage vinden jullie het advies vanuit NMBS.”

Het betreft een gunstig advies.

Bezwaar 2 en 3 , identiek – 05/08/2021

In bijlage stuur ik u het bezwaarschrift voor omgevingsvergunning OMV_2021037757

Ik geef aan dat mijn bezwaarschrift op strikt vertrouwelijke wijze wordt ingediend.

Bezwaarschrift tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757 

Datum 5/8/2021 

REF: OMV_2021037757 – Tuinen Wirix 2, Industrieweg 2073, Zonhoven 

Betreft: een omgevingsproject voor het exploiteren van een bedrijf ter plaatse 

Bezwaarschrift: 

Met dit schrijven wens ik een bezwaar in te dienen tegen het omgevingsproject met als referentie OMV_2021037757, Tuinen Wirix 2. 

Reeds jaren ondervinden wij als buren heel wat overlast van deze exploitatie. Dit hebben wij ook meerdere malen gemeld aan de gemeentelijk milieudienst. De overlast die wij ondervinden heeft betrekking op geluidsoverlast en stofhinder. 

Geluidsoverlast. 

Als buren ondervinden wij op zeer regelmatig geluidsoverlast in de vroege en late uren, op zon- en feestdagen bij het laden en lossen van vrachtwagens, het hakselen van snoeihout en de algemene werking van het bedrijf. De algemene milieuvoorwaarden stellen dat er slechts tussen 7u ’s morgens en 19 u’s avonds verstoord mag worden. 

De geluidsoverlast is ook specifieert in rubriek 2.2.2.f.1 , opslag en mechanische behandeling van maximaal 100 ton snoeiafval. Is het mechanisch behandelen oftewel het hakselen van hout op deze plaats noodzakelijk? 

In de jaren 90 bij de aanvang van de bouw van ons woning werd er medegedeeld dat de Industrieweg een stille ambachtelijke zone is. Dit is jaren zo geweest maar momenteel is deze zone ver van stil. 

Men spreekt van 6 keer per jaar hakselen, wie gaat dit tellen en controleren? Momenteel wordt er zelfs geen rekening gehouden met de werkperiode van 7u-19u. 

Stofhinder 

Momenteel creëert de firma Wirix reeds heel veel stofhinder, met de uitbreidingen betreft het hakselen van hout zal het probleem van het stofhinder alleen maar groter worden. Eveneens stellen wij ons de vraag hoe het met de toestand van de grond is. Is dit vervuilde grond? Wordt deze grond bemonsterd of niet? Ook hier is het aangewezen om dit in de omgevingsvergunning aan te kaarten. 

Tijdens de overweging van dit omgevingsproject stellen wij het op prijs om met dit bezwaarschrift rekening te houden. 

Ik geef aan dat mijn bezwaarschrift op strikt vertrouwelijke wijze wordt ingediend.

Bezwaar 4 – 06/08/2021

Bezwaar tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757

Bezwaarschrift tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757 

Datum: 06/08/2021 

Ref: OMV_2021037757-Tuinen Wirix 2, Industrieweg 2073, 3520 Zonhoven 

Betreft: Een omgevingsproject voor het exploiteren van een bedrijf ter plaatse. 

Bezwaarschrift: 

Met dit schrijven wensen wij een bezwaar in te dienen tegen het bovenvermelde omgevingsproject. 

Reeds jaren ondervinden wij als buren heel wat overlast van deze exploitatie. Dit hebben wij ook meerdere malen gemeld aan de gemeentelijke milieudienst. De overlast die wij ondervinden heeft betrekking tot geluidsoverlast en stofhinder. 

Geluidsoverlast: 

Als buren ondervinden wij op zeer regelmatige basis geluidsoverlast in de vroege uren bij het laden en lossen van de vracht en bestelwagens, het hakselen van snoeihout en de algemene luidruchtige werking van het bedrijf. Een beperking van uren waarin gewerkt mag worden zou ons hierbij kunnen helpen. De algemene milieuvoorwaarden stellen dat er slechts tussen 7 u ’s morgens en 19 u ’s avonds verstoord mag worden. 

De geluidsoverlast vertaalt zich ook in rubriek 2.2.2.f.1 opslag en mechanische behandeling van max 100 ton snoeiafval. Is het mechanisch behandelen oftewel hakselen van hout op deze plaats noodzakelijk? En indien dit toegestaan wordt moet dit echt tot een minimum beperkt worden zodat de hinder voor de omwonenden beperkt blijft. 6 keer per jaar hakselen, moet effectief ook 6 keer blijven en niet doorgroeien naar een dagelijks verhaal. 

Stofhinder: 

Daarnaast geeft dit ook de nodige stofhinder met zich mee. In de praktijk wordt de grond gezeefd die voor deze stofhinder zorgt. Wij maken ons als buurtbewoners niet alleen zorgen om die stofhinder, maar ook over de toestand van die grond. Is dit vervuilde grond? Wordt deze grond bemonsterd of niet? Gelieve dit tot een absoluut minimum te beperken in de omgevingsvergunning. 

Wij zijn hier komen wonen omwille van de rustige buurt met destijds een stille industriezone. Maar de laatste jaren is die rust ver zoek. Wij vrezen ook met deze uitbreiding dat dit steeds erger en erger zal worden. 

Gelieve rekening te houden met dit bezwaarschrift tijdens de overweging van dit omgevingsproject.

Bezwaar 5 en 6 , identiek – 06/08/2021

Bezwaarschrift tegen aanvraag omgevingsvergunning OMV_2021037757

Datum 6/08/2021

Ref: OMV_2021037757 - Tuinen Wirix 2, Industrieweg 2073, 3520 Zonhoven

Betreft: een omgevingsproject voor het exploiteren van een bedrijf ter plaatse.

Bezwaarschrift:

Met dit schrijven wensen wij een bezwaar in te dienen tegen het omgevingsproject met als referentie OMV_2021037757 , Tuinen Wirix 2.

Reeds jaren ondervinden wij als buren heel wat overlast van deze exploitatie. Dit hebben wij ook meerdere malen gemeld aan de gemeentelijke milieudienst. De overlast die wij ondervinden heeft betrekking op geluidsoverlast en stofhinder. Als buren  vinden wij ook dat deze bedrijfsactiviteit niet thuis hoort op het terrein van de ambachtelijke industriezone noord in De Waerde. Dit terrein bevindt zich op ongeveer 100 meter van de woonhuizen in de  Pleinstraat en de Waardstraat.

Geluidsoverlast:

Als buren ondervinden wij dagelijks geluidsoverlast in de vroege uren en gespreid over de hele dag bij het laden en lossen van vrachtwagens met bulldozers of andere graafmachines ,het hakselen en zeven van snoeihout. Als ook de aanvoer en het zeven van grond. Ook de algemene werking van het bedrijf laat te wensen over. Een beperking van uren waarin gewerkt mag worden of bijkomende preventieve maatregelen zou hierbij kunnen helpen. De algemene milieuvoorwaarden stellen dat er slechts tussen 7u 's morgens en 19u 's avonds  verstoord mag worden.

De geluidsoverlast vertaalt zich ook specifiek in rubriek 2.2.2.f.1 opslag en mechanische behandeling van maximaal 100 ton snoeiafval per dag  met een maximum van 1000 kubieke meter per jaar en dit 6 keer per jaar . Als ook opslag en aanvoer van maximum 1000 kubieke meter van grond en verwerking per jaar. Is het mechanisch behandelen van hout of het hakselen en zeven van hout als ook  het zeven van grond op deze plaats noodzakelijk ? En indien dit toegestaan wordt, moet dit echt tot een minimum beperkt worden en voorzieningen getroffen worden zoals geluidsschermen of eventueel een bedrijfshal gebouwd worden dat deze activiteit zoals opslag en mechanische behandeling van het snoeihout en grond binnen kunnen uitgevoerd worden, zodat de hinder beperkt blijft. Zo ook 6 keer per jaar hakselen ,moet in de praktijk ook effectief 6 keer per jaar blijven en niet doorgroeien naar een dagelijks verhaal . In de aanvraag van de omgevingsvergunning vindt ik van deze preventieve maatregelen om de geluidshinder te bepreken naar de buren van de Pleinstraat en de Waardstraat niets van terug.

Stofhinder :

Daarnaast brengt dit ook de nodige stofhinder met zich mee. In de praktijk wordt er snoeihout gehakseld en gezeefd, als ook grond aangevoerd en gezeefd die voor stofhinder zorgt . Wij maken ons als buurtbewoners niet alleen zorgen over de stofhinder, maar ook over de toestand van die grond. Is dit vervuilde grond ? Wordt deze grond bemonsterd of niet ? Gelieve dit ook tot een absoluut minimum te beperken of niet toe te staan als er geen bijkomende preventieve maatregelen in de omgevingsvergunning bijkomen. 

Gelieve rekening te houden met ons bezwaarschrift tijdens de overweging van dit omgevingsproject. 

Ik wil aangeven dat mijn bezwaarschrift op strikt vertrouwelijk wordt ingediend.

Ingevolge een aanpassing van rubriek 3.4.1°a), die niet correct bleek, naar rubriek 4.3.2° werd een wijzigingslus aangevraagd op 06/10/2021 en aanvaard.

Adviezen, relevant aan de wijziging, werden opnieuw opgevraagd, evenals een bijkomend verplicht advies.

Er werd opnieuw een openbaar onderzoek georganiseerd.

Het openbaar onderzoek (2) werd georganiseerd van 16/10/2021 tot en met 14/11/2021.

Er werden 0 bezwaren ingediend.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren behandelen de bezwaarschriften, ingediend tijdens het eerste openbaar onderzoek, aangezien de wijzigingen geen betrekking hebben op de ingediende bezwaren en deze dus nog relevant zijn. 

De gemeentelijke omgevingsambtenaren nemen het volgende standpunt in:

Bezwaar 1 betreft een advies en geen bezwaarschrift. Het advies is bovendien gunstig.

Het ingediende stuk wordt aldus niet beschouwd als niet gegrond en wordt niet weerhouden.

Het advies wordt verder opgenomen als zijnde een advies onder “Toetsing aan de goede ruimtelijke ordening – bespreking adviezen”.

Gelet op de vereisten die de Raad voor Vergunningsbetwistingen ter zake oplegt aan de vergunningsverlener: 

Om te voldoen aan de opgelegde motiveringsverplichting volstaat het dat de vergunningverlener in haar beslissing de redenen vermeldt waarop deze is gesteund. 

Zij is er niet toe gehouden alle in de loop van de procedure aangevoerde bezwaren één voor één te beantwoorden (RvVb/A/1516/0884 van 31 maart 2016, in dezelfde zin: RvVb nr. A/2015/0261 van 21 april 2015 en RvVb/A/1516/0239 van 24 november 2015).

De bezwaarschriften 2 tot en met 6 werden onderzocht en kunnen als volgt worden samengevat en beoordeeld:

  • Geluidsoverlast

Bezwaarindieners geven aan dat geluidsoverlast aanwezig is in de vroege uren/ late uren/ zon- en feestdagen door laden en lossen van vrachtwagens (bulldozers, graafmachines), hakselen van snoeihout en algemene luidruchtige bedrijfswerking.

Men vraagt zich af of het hakselen (mechanisch behandelen van max. 100 ton snoeiafval) noodzakelijk is op deze plaats en zo ja, 6x /jaar mag niet uitlopen tot dagelijks.

Een beperking van de werkuren wordt gevraagd.

Het bezwaar wordt als gegrond verklaard. 

In het kader van het beperken van mogelijke geluidshinder en het voldoen aan de geldende normen worden bijzondere voorwaarden voorgesteld. De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.

  • Stofhinder

Bezwaarindieners stellen dat er momenteel reeds stofhinder (grond zeven, hakselen)aanwezig is en dat dit door de uitbreiding met hakselen nog zal toenemen.

Het bezwaar wordt deels gegrond verklaard. 

De exploitant dient steeds de nodige maatregelen te nemen inzake het voorkomen van stof. Uit de aanvraag blijkt echter dat er zowel praktische als organisatorische maatregelen getroffen worden inzake stofbeperking.

  • Verenigbaarheid bedrijfsactiviteit met de bestemmingsvoorschriften

Bezwaarindieners stellen dat de site een stille ambachtelijke industriezone was maar momenteel niet meer; of het bedrijf daar wel thuishoort.

Het bezwaar is ongegrond

De site is gevestigd binnen de contouren van een industriegebied, zijnde ambachtelijk zone. Er zijn geen verbodsbepalingen opgenomen in Vlarem II.

  • Mogelijke grondvervuiling

Bezwaarindieners stellen zich vragen over de aanvoer van gronden. Of deze vervuild is of wordt  bemonsterd.

Het bezwaar wordt deels gegrond verklaard. 

De exploitant mag enkel gronden aanvaarden die voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.

Rubriek 2.2.2.f)1° valt onder Vlarebo categorie A van de periodieke onderzoeksplicht, wat betekent dat binnen de 12 jaar na aanvang van de exploitatie een eerste oriënterend bodemonderzoek dient te gebeuren, daarna om de 20 jaar. 

De ingediende bezwaren tijdens het eerste openbaar onderzoek zijn ontvankelijk en worden deels als gegrond verklaard en weerhouden bij het opleggen van enkele bijzondere voorwaarden.

ADVIEZEN

Brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg

Provinciale dienst Water & Domeinen

Infrabel

NMBS

Fluvius

OVAM – afval & materialenbeheer

POM Limburg

Dienst Patrimonium

Dienst Facilitair Management

Vlaamse MilieuMaatschappij (VMM)

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen. Er gelden bijgevolg geen verplichtingen voor het project inzake project-m.e.r.-regelgeving;

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s.

8 JULI 1997. Omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief dd. 25/1/2002 en 25/10/2002

ARTIKEL 7. DE INDUSTRIEGEBIEDEN 

7.2. De industriegebieden 

7.2.0. Deze zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. 

Ze omvatten een bufferzone. 

Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. 

Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten, namelijk : bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop. 

1. De industriegebieden zijn bestemd voor industrieën en ambachtelijke bedrijven in het algemeen. 

In het bijzonder moeten die industrieën en ambachtelijke bedrijven in het industriegebied worden ondergebracht, die moeten worden afgezonderd van de andere bestemmingen wegens hun aard of wegens economische en sociale redenen, of omdat deze bedrijven niet behoren tot de normale uitrusting van andere gebieden. 

Wat onder het begrip « industriële bedrijven » dient te worden verstaan, wordt stedenbouwkundig niet nader bepaald, zodat het begrip in zijn spraakgebruikelijke betekenis dient te worden begrepen, met name bedrijven waar grondstoffen worden verwerkt, of nog, productief-technische bedrijven. 

Ook het begrip « ambachtelijk bedrijf » wordt niet nader gedefinieerd. De overheid die uitspraak moet doen over de vergunningsaanvraag dient derhalve te oordelen naar recht en redelijkheid of de betrokken inrichting al dan niet een ambachtelijk bedrijf is en zulks overeenkomstig de gebruikelijke betekenis van het woord, met name een bedrijf waarin het handwerk primeert, wat het gebruik van machines evenwel niet uitsluit. 

De louter commerciële activiteiten, zoals winkels en handelszaken, horen niet thuis in industriegebied. 

2. De industriële gebieden omvatten een bufferzone. 

a) De hier bedoelde bufferzone is onafhankelijk van de bufferzone die op het ontwerpgewestplan is aangeduid in toepassing van artikel 14.4.5. 

In het huidig geval gaat het niet om een zelfstandig bestemmingsgebied maar betreft het een strook binnen het industriegebied met een hoofdzakelijk esthetische en stedenbouwkundige functie. Om die reden moet ze aangebracht worden op het industriegebied zelf. 

b) De breedte en de aanleg van de bufferzone is afhankelijk van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden. 

De bufferzones dienen te worden bepaald in de bouwvergunning, verleend voor de randpercelen van het gebied, of in het indelingsplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van een onteigeningsplan, of in een bijzonder plan van aanleg van het gebied. 

Bouwvergunningen voor de oprichting van een industrieel of ambachtelijk bedrijf zijn onwettig indien zij niet voorzien in de aanleg van een bufferzone, of indien de bufferzone waarin zij voorzien ontoereikend is. 

Rondom de industriezones en ambachtelijke zones dient (op de aldus aangeduide zone) een bufferstrook aangelegd te worden waarvoor als breedte volgende cijfers als richtinggevend kunnen worden vooropgesteld : 

15 m voor ambachtelijke bedrijven; 

25 m voor milieubelastende bedrijven; 

50 m voor vervuilende industrie. 

Wanneer zij palen aan woongebieden moeten deze breedten vergroot en zelfs verdubbeld worden. 

De breedte en de aanleg van de bufferstroken tussen de bedrijven zelf betreffen een technisch stedenbouwkundige aangelegenheid

Zij worden bepaald bij de vaststelling van een plan van aanleg van de industriezone, bij een indelingsplan naar aanleiding van een onteigeningsplan, of bij de goedkeuring van een bouwvergunning. 

ARTIKEL 8. NADERE AANWIJZINGEN IN VERBAND MET INDUSTRIEGEBIEDEN 

8.2.1.3. de gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen. 

Deze gebieden zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard. 

Er is niet verder bepaald op grond van welke criteria onderscheid moet worden gemaakt tussen de verschillende industrieën om ze te kunnen catalogeren als vervuilend, of milieubelastend, dan wel of ze van ambachtelijke aard zijn dan wel of het gaat om kleine of middelgrote ondernemingen. 

Bij de beoordeling zal men van feitelijkheden dienen uit te gaan. Talrijke beoordelingscriteria spelen hierbij een rol zoals de hinderlijkheid, de grootte van de onderneming, de relatie tot de omgeving, de bestaande wegeninfrastructuur, de tewerkstelling, de aard van de productie of de bewerking, de weerslag op het leefmilieu en dergelijke.

In verband met de hinderlijkheid kan men steunen op de gegevens met betrekking tot de milieuvergunning. Nochtans zijn deze bij de beoordeling van de hinderlijkheid niet noodzakelijkerwijze de enige criteria. 

Zo dient de hinderlijkheid van het bedrijf ten opzichte van zijn omgeving uit stedenbouwkundig oogpunt nagegaan te worden. Deze hinderlijkheid kan van allerlei aard zijn en zowel betrekking hebben op de vormgeving als op het gebruik van de materialen, of de hinderlijkheid uit verkeerstechnisch oogpunt (verkeersverwekker). 

Het perceel grenst slechts aan andere kavels binnen het bedrijventerrein. De buffering naar deze aangrenzende bedrijven toe wordt behandeld onder “Overige regelgeving - Stedenbouwkundige voorschriften voor bedrijventerrein De Waerde”.

Uitgaande van de aard van de activiteiten, de omvang en tewerkstelling, de ligging binnen een bedrijventerrein, kan het aangevraagde principieel binnen het bestemmingsgebied aanvaard worden. Eventuele specifieke hinderaspecten van de bedrijvigheid naar de omgeving en het leefmilieu, worden behandeld onder de Toetsing goede ruimtelijke ordening en het Milieu-luik. 

De aanvraag is niet gelegen in een bijzonder plan van aanleg, noch in een ruimtelijk uitvoeringsplan, noch in een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De aanstiplijst en plannen geven het volgende aan:

De nieuwe loods heeft een horizontale dakoppervlakte van 792m² , de bestaande nog niet aangesloten loods heeft een horizontale dakoppervlakte van 548m².

De oppervlakte van de nieuw aan te leggen verhardingen die aangesloten dienen te worden op een infiltratievoorziening, bedraagt 815,5m².

Voor de berekening van de verplichte voorzieningen dient principieel een oppervlakte van 2095,50m² (2155,50m² - 60m²) in rekening gebracht te worden.

Afwijking

Er worden 2 hemelwaterputten voorzien met een totale inhoud van 20 000 liter (minimaal 10 000 liter te voorzien) en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en buitenkranen/ dienstkranen voor onderhoud van terrein en voertuigen/ gebouwen en machines, het besproeien van de groenvoorziening, beneveling tijdens hakselactiviteiten om stofhinder te voorkomen. 

De overloop van de hemelwaterputten wordt aangesloten op een infiltratievoorziening.

Voor het voorzien van een grotere inhoud van de hemelwaterputten (10000 liter extra), wenst men een bijkomende aftrek van 400m².

De berekening van de infiltratievoorziening is voorzien op basis van een oppervlakte van 1755,50m².

De minimale inhoud van de infiltratievoorziening bedraagt 43 887,50 liter, de minimale infiltratieoppervlakte bedraagt 70,22m².

Er wordt een open infiltratievoorziening voorzien met een inhoud van 45 000 liter ( op plan ca. 49110 liter) en een infiltratieoppervlakte van ca. 87m².

Er wordt verder aangegeven dat men geen afwijking vraagt, dat geen motivering toegevoegd wordt voor het groter hergebruik dan 10 000 liter en dat men geen motivatie toevoegt die aangeeft dat de voorgestelde oplossing afdoende is.

Onder punt 22 van de vragenlijst werd echter een motivatie ingegeven voor een groter hergebruik en een bijkomende aftrek van de oppervlakte.

De afwijking is aanvaardbaar.

De infiltratievoorziening werd tevens beoordeeld in navolging van de Watertoets en er werd advies uitgebracht door de waterbeheerder (voor het volledige advies, zie “Watertoets”).

“Het volume van de open infiltratievoorziening moet minimaal 250 m³/ha verharde oppervlakte bedragen (los van de aanwezige hemelwaterputten), de infiltratieoppervlakte moet minimaal 4 % van de verharde oppervlakte bedragen. Indien een infiltratieproef wordt uitgevoerd kan de dimensionering van de infiltratievoorziening aangepast worden aan de infiltratieoppervlakte en de infiltratiecapaciteit (rekening houdend met een terugkeerperiode van 20 jaar). Richtwaarden in dat verband zijn terug te vinden in onderstaande tabel. De infiltratiegracht/bekken moet minimaal 30 cm dekking behouden boven de hoogste grondwaterstand (aan te tonen), en moet vlak of in tegenhelling worden aangelegd. Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. De infiltratiegracht/bekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). 

Er wordt een open bufferbekken voorzien van 45 m³ voor een aangesloten oppervlakte van 0,1755 ha. Dit is 1,11 m³ meer dan de norm. 

De infiltratie-oppervlakte bedraagt 87 m². Dit is 16,78 m² meer dan de norm 

Volgende voorwaarden moeten opgenomen worden in de vergunning: 

De bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. Het open bufferbekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). “

Mits de uitvoering van de infiltratievoorziening voldoet aan de voorwaarden van de waterbeheerder, kan gesteld worden dat de voorziening binnen de aanvraag qua oppervlakte en  volume voldoet aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen  voor parking personeel (317m² kiezel waterdoorlatend), de oprit links vooraan (121m² in water-doorlatende klinkers) en de toegang en bezoekersparking rechts vooraan (154,63m² klinkers met  afwatering in groenzone), omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”.

Volgens de gekende gegevens is nog een gemengd rioleringssysteem aanwezig.

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan Fluvius.

Het advies van 21/10/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

“Naar aanleiding van uw brief/mail van 8-10-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 2, sectie C, nummer(s) 351P, kunnen we een gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:

Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering

De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).

Algemene voorschriften: Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.

Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven.
  • De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven.
  • De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013.
  • Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be.

Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager.

Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.

  • Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel.
  • Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang.

2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject

  • Het besluit van de Vlaamse Regering van 05/7/2013 betreffende de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in voege sinds 01/01/2014, bepaalt dat bij een uitbreiding > 40 m² tegen een bestaand gebouw een even groot deel van de bestaande verharde oppervlakten mee dienen af te wateren naar de infiltratievoorziening, indien deze bestaande verharde oppervlakten nog niet zijn aangesloten op een hemelwaterput, infiltratievoorziening of buffering. De inhoud van de infiltratievoorziening dient minimum 25 liter/m² referentieoppervlakte te bedragen. De referentieoppervlakte is de som van alle oppervlakten die afwateren naar deze infiltratievoorziening.
  • Het hemelwater van de dakoppervlakte van vrijstaande bijgebouwde delen of de nieuwe niet-waterdoorlatende verharding mag op het eigen terrein infiltreren in de groenzones of mag aangesloten worden op de bestaande hemelwaterput of infiltratievoorziening. Deze afwatering mag nooit rechtstreeks naar het openbaar rioleringsstelsel gebracht worden.
  • Het hemelwater van het dakoppervlakte van het bijgebouwd gedeelte of de nieuwe niet-waterdoorlatende verharding mag op het eigen terrein infiltreren in de groenzones of mag aangesloten worden op de bestaande hemelwaterput of infiltratievoorziening. Deze afwatering mag nooit rechtstreeks naar het openbaar rioleringsstelsel gebracht worden.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben.
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak.
  • Het is niet toegestaan om drainageleidingen aan te sluiten op de openbare riolering. Overeenkomstig de milieuwetgeving dient dit op eigen terrein te worden geïnfiltreerd.

Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34.

Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.

Met betrekking tot de lozing van (bedrijfs-)afvalwater dient tevens rekening gehouden met de voorwaarden zoals opgenomen in het advies van de Vlaamse Milieumaatschappij inzake afvalwater en lucht (zie verder “Bespreking adviezen”).

Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager;

Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft een verharde oppervlakte van meer dan 1000m² maar  ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Met betrekking tot de impact op oppervlaktewater werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan de waterbeheerder, de provinciale dienst Water en Domeinen.

Het advies van 14/10/2021 (ongewijzigd tov het advies van 29/07/2021) van de provinciale dienst Water en Domeinen is voorwaardelijk gunstig:

Hierbij kan ik u meedelen dat het dossier in het kader van de watertoets voorwaardelijk gunstig beoordeeld werd. Ik verzoek u evenwel de voorwaarden in de omgevingsvergunning op te nemen zoals ze geformuleerd werden in het bijgaand advies. 

DEEL 1 INLICHTINGENFICHE 

Aanvrager: 

  • naam en adres: Tuinen Wirix bvba (Wirix Philip), Molenweg 84 te 3520 Zonhoven 

Ontwerper: 

  • naam en adres: Envicas bvba, Begijnhofplein 5 bus 8, 3545 Halen 

Ligging van het perceel: 

  • kadaster: gemeente Zonhoven, afdeling 2, sectie C, nr. 351P 
  • adres: Industrieweg 2073 
  • niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied 

Documenten 

  • aanstiplijst bij stedenbouwkundige verordening: bijgevoegd 

Waterloop en machtiging 

  • stroomgebied van de onbevaarbare waterlopen: HEMMENBEEK, nummer 291, categorie: 2de 
  • watering: neen 
  • machtiging nodig: neen 

DEEL 2 WATERADVIES I.V.M. DE WATERTOETS 

(art. 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018) 

1 Beschrijving van het watersysteem 

• Het betreft een activiteit binnen het stroomgebied van een onbevaarbare waterloop van 2de categorie. 

• Het perceel is volgens het gewestplan gelegen in industriegebied 

• Het perceel is daarenboven gelegen in: 

o het bekken van de Demer 

o het deelbekken van de Midden-Demer 

2 Waterplannen 

Het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde is van toepassing.

3 Toetsen aan de doelstellingen decreet integraal waterbeheer, gecoördineerd op 15 juni 2018 – artikel 1.2.2 

De adviesvraag handelt over de richtlijn gewijzigd afstromingsregime. 

Vanaf een verharde oppervlakte van meer dan 1 000 m² moet door de vergunningverlenende instantie advies worden gevraagd aan de waterbeheerder met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater. In het kader daarvan moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden: 

Het volume van de open infiltratievoorziening moet minimaal 250 m³/ha verharde oppervlakte bedragen (los van de aanwezige hemelwaterputten), de infiltratieoppervlakte moet minimaal 4 % van de verharde oppervlakte bedragen. Indien een infiltratieproef wordt uitgevoerd kan de dimensionering van de infiltratievoorziening aangepast worden aan de infiltratieoppervlakte en de infiltratiecapaciteit (rekening houdend met een terugkeerperiode van 20 jaar). Richtwaarden in dat verband zijn terug te vinden in onderstaande tabel. De infiltratiegracht/bekken moet minimaal 30 cm dekking behouden boven de hoogste grondwaterstand (aan te tonen), en moet vlak of in tegenhelling worden aangelegd. Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. De infiltratiegracht/bekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). 

Er wordt een open bufferbekken voorzien van 45 m³ voor een aangesloten oppervlakte van 0,1755 ha. Dit is 1,11 m³ meer dan de norm. 

De infiltratie-oppervlakte bedraagt 87 m². Dit is 16,78 m² meer dan de norm 

Volgende voorwaarden moeten opgenomen worden in de vergunning: 

De bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. Het open bufferbekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). 

DEEL 3 CONCLUSIES ONDERZOEK WATERBEHEERDER 

Uit de toepassing van de nadere regels voor de toepassing van de watertoets bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, en latere wijzigingen, is gebleken dat het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, e.a; een verandering van de toestand van watersystemen (of bestanddelen ervan) tot gevolg heeft. Deze verandering heeft geen betekenisvol schadelijk effect op het milieu voor zover de voorwaarden van deel 2.3 worden opgenomen in de vergunning. 

Het wateradvies is dan ook voorwaardelijk gunstig.”

Onder deze voorwaarden en mits de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd is het ontwerp verenigbaar met artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De gemeente doet de watertoets en legt desgevallend gepaste maatregelen op ter voorkoming van schadelijke effecten op de waterhuishouding van de omgeving. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater met eventueel de daaraan gekoppelde verplichtingen. 

De gemeente is niet verantwoordelijk voor de juistheid van de aan haar bezorgde gegevens in het voorliggende dossier op basis waarvan eventueel de nodige maatregelen worden opgelegd. Het aanleveren van de juiste gegevens en het uitvoeren van de door de gemeente opgelegde verplichtingen blijft de verantwoordelijkheid van de architect en/of de aanvrager/ exploitant. Indien hieraan niet is voldaan, kan de gemeente niet verantwoordelijk gesteld worden indien door de geplande bouwwerken toch wateroverlast zou ontstaan in de omgeving.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag.

De perceeloppervlakte is groter dan 3000m², de bodemingreep is groter dan 1000m², het goed is niet gelegen in een woongebied of recreatiegebied, het betreft geen publiekrechtelijke aanvrager en de ingreep is kleiner dan 5000m² (ca. 3650m² nieuw aangevraagde verharding/ bebouwing).

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Slopen

De afbraak van de opslagruimte (96m² - 230,4m³) dient te gebeuren tot in de grond.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het Vlarem II, omgevingsvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

Stedenbouwkundige voorschriften voor bedrijventerrein De Waerde

Bijzondere voorwaarden betrekking hebbende op stedenbouwkundige aspecten, van toepassing binnen ambachtelijke zone De Waerde zoals bepaald in de aankoopakte:

  • Bouwvoorwaarden en groenvoorziening

Een groenbeplanting – bufferzone – van tenminste 5m breed langs de zijdelingse en achterste perceelsscheidingen en minstens gelijk aan de normale hoogte van het gebouw is verplicht. De bufferzone dient in een streekeigen beplanting aangelegd.

De niet bebouwbare zones met inbegrip van de niet door gebouwen, toegangswegen en uitgeruste parkeerterreinen ingenomen oppervlakten, dienen beschouwd te worden als groenzone.

Afsluitingen, zowel op de perceelgrenzen als op de rooilijn, moeten uitgevoerd worden in natuurhagen al dan niet versterkt met draad, op beplantingsstroken.

Ter hoogte van de inritten dient de riolering afdoende verstevigd  teneinde beschadiging door zwaar transport te vermijden. De aanleg van de oprit over de strook der nutsvoorzieningen mag enkel uitgevoerd worden met uitneembare monolietblokken.

Er dient verplicht parkeerruimte voorzien te worden die ruimte biedt voor al de voertuigen van het bedrijf, het personeel en de bezoekers. Ook het laden en lossen dient op het eigen terrein te gebeuren.

De aanvraag voldoet gedeeltelijk aan de hoger gestelde voorwaarden.

Ter hoogte van de achterste perceelgrens, grenzend aan de fietsenroute (oude spoorwegberm) wordt een groenbuffer van minimaal 5m aangehouden.

Ter hoogte van de zijdelingse perceelgrenzen wordt de breedte van de groenbuffer beperkt tot minimaal 1m. Het perceel grenst hier aan beide zijden aan een andere bedrijfskavel waardoor de functie van de groenbuffer eerder een visueel aspect is, de stroken langs beide perceelgrenzen worden deels gebruikt als brandweg, parkeerruimte en voor de aanleg van een infiltratiegracht. 

Volgens het beplantingsplan, gevoegd bij de aanvraag, zal na de werken aan weerzijden een haagbeplanting aanwezig zijn als visuele buffer.

Langsheen de voorste perceelgrens (breedte 50m) is slechts een beplanting voorzien over een strook van 12,70m breed en ca. 1m aan de hoekzijden met de zijdelingse perceelgrenzen. Ter hoogte van de verharding aan de parkeerzones wordt geen groenrand voorzien.

De afwijking is aanvaardbaar op voorwaarde dat een groenstrook over een perceeldiepte van 1m voorzien wordt tussen de rooilijn en de voorste parkeerstroken.

  • Conciërgewoning

Op de gronden mogen geen vaste of verplaatsbare inrichtingen opgesteld worden die dienstig zijn voor bewoning. Evenwel is het toegestaan 1 in het hoofdgebouw geïntegreerde woning voor bewakings- en/of onderhoudspersoneel op te richten.

De totale vloeroppervlakte van de woning mag niet meer bedragen dan 200m². In geen geval mag de woning meer in beslag nemen dan ¼ van de totale vloeroppervlakte van het gebouwencomplex. De woning moet stedenbouwkundig 1 geheel vormen met het bedrijfsgebouw en moet er materieel en constructief in geïntegreerd zijn.

De bedrijfsgebouwen en de woning   vormen 1 geheel en kunnen nooit afzonderlijk voor uitbating of bewoning verkocht, verhuurd of in gebruik gegeven worden.

De aanvraag voldoet aan de hoger gestelde voorwaarde. Er is geen conciërgewoning  aanwezig, noch voorzien binnen de aanvraag.

  • Detailhandel

Detailhandel en het met dat doel inrichten van een toonzaal toegankelijk voor het publiek zijn niet toegestaan. 

De aanvraag voldoet aan de hoger gestelde voorwaarde. Er is geen detailhandel/ toonzaal voorzien.

Met betrekking tot de bijzondere voorwaarden werd de aanvraag tevens voor advies voorgelegd aan POM Limburg.

Op 09/07/2021 heeft POM Limburg aangegeven geen advies af te leveren:

Dit dossier handelt over een adviesvraag waarover POM Limburg zich niet wenst uit te spreken. 

Uw vraag om advies ter attentie van POM Limburg beoordelen wij immers als onontvankelijk.

Bijgevolg verleent POM Limburg geen advies, zonder dat deze afwezigheid van advies mag worden aanzien of vermoed een gunstig advies te zijn.”

Hiermee wordt bedoeld dat POM Limburg algemeen genomen geen uitspraak meer wenst te doen over omgevingsaanvragen.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving en de stedenbouwkundige voorschriften op voorwaarde dat:

  • vooraan de parkeerstroken ter hoogte van de voorste perceelgrens een groenstrook over een perceeldiepte van 1m voorzien wordt;
  • de opgelegde bijzondere voorwaarden worden nageleefd zoals aangegeven onder “Milieutechnisch advies”.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING 

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel van de aanvraag is gelegen aan de Industrieweg, een gemeenteweg ten noordoosten van het centrum van Zonhoven. Het perceel situeert zich binnen bedrijventerrein De Waerde, een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s.

In een zone van 200m rondom het perceel van de aanvraag, wordt de omgeving gekenmerkt door bedrijfskavels aan Industrieweg en Industrieweg-Zuid (ten oosten, westen en zuiden van de aanvraag). Aan noordelijke zijde van de aanvraag (zone 200m) zien we residentiële bebouwing langsheen de Pleinstraat en langsheen de Waardstraat.

In de onmiddellijke omgeving van het perceel van de aanvraag zien we aan de linker- en rechterzijde bedrijfskavels, aan de achterzijde loopt een fietsverbinding langsheen de oude spoorwegberm en aan de overzijde van de Industrieweg is een bebost terrein aanwezig.

Omschrijving van de aanvraag

Het terrein is thans bebouwd met een opslagloods met kantoorruimte met een oppervlakte van 548m² en een volume van 3288m³.

Links van de loods en aan de achterzijde werd een verharding aangelegd voor de bedrijvigheid, links vooraan een parkeerzone voor personeel en rechts vooraan een parkeerzone voor bezoekers. Rechts achter de loods werd een opslagruimte geplaatst van 8m breed op 12m diep.

De kleinere loods en verhardingen in zij- en achtertuin worden verwijderd.

Met de huidige aanvraag wenst men een bijkomende opslagloods te bouwen, een opslagzone in open lucht aan te leggen en het terrein verder aan te leggen met voorzieningen voor parkeren, bedrijfscirculatie, een toegang voor de brandweer, wateropvang en groenvoorzieningen.

Ook de exploitatie van het bedrijf in tuinaanleg en -onderhoud wordt aangevraagd.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De aanvraag voor het bedrijf, een KMO, is inpasbaar binnen de bestemmingszone en gezien de ligging binnen een bedrijventerrein en de omliggende bedrijfskavels ook inpasbaar binnen de omgeving. 

Naar de ruimere omgeving toe worden binnen de regelgeving bufferzones opgelegd voor de randzones van industriegebieden in het algemeen, dit om een effectieve buffer te vormen naar andere bestemmingszones toe zoals woongebieden.

Het perceel van de aanvraag situeert zich niet aan de rand van zijn bestemmingsgebied en valt niet binnen een vooropgestelde bufferstrook.

Uit een recente luchtfoto blijkt dat ten noordoosten van het perceel een groenbuffer ontbreekt tussen het gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en het aangrenzende woongebied met landelijk karakter langsheen de Waardstraat en Pleinstraat. De afstand van het perceel van de aanvraag tot het woongebied is gelegen tussen de 145m à 65m, wat ruim voldoende is. 

Huidige aanvrager kan niet verantwoordelijk gesteld worden of benadeeld worden qua bedrijfsontwikkeling indien nagelaten wordt/werd om op de randpercelen van de KMO-zone, die hem niet toebehoren, een groenbuffer te realiseren.

Mobiliteitsimpact

Het stallen van voertuigen dient op eigen terrein georganiseerd te worden. Er dient eenvormigheid nagestreefd te worden, rekening houdend met zo realistisch mogelijke gegevens. Het aantal standplaatsen dient overeen te stemmen met :

1 parkeerplaats per 50m² bedrijfsruimte vermeerderd met 1 parkeerplaats per 200m² magazijn en vermeerderd met 1 parkeerplaats per 20m² kantoorruimte.

Volgens de plannen worden volgende oppervlaktes voorzien:

kantoorruimte 66,50m²

loods 1 (bestaand) 450m² en loods 2 (nieuw) 792m²

overige bedrijfsruimte 122,50m² (kantoorgebouw 2 bouwlagen =189m² - 66,5m² bureauruimte)

Er dienen minstens 12 parkeerplaatsen voorzien te worden.

De aanvraag voorziet in 14 parkeerplaatsen voor personeel/ bedrijfsvoerder en 3 bezoekers-parkeerplaatsen.

Tuinmachines, vrachtwagens, camionnetten (bedrijfsvoertuigen) worden binnen de nieuwe loods gestald.

Het aantal autostaanplaatsen voldoet voor het bedrijf.

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, Visueel-vormelijke elementen

Het bedrijfsterrein van de aanvraag heeft een totale oppervlakte van zo’n 5089m².

Een vrij hoge verhardingsgraad is niet ongebruikelijk binnen bedrijfszones, evenwel wordt een minimale groenvoorziening verwacht teneinde visuele hinder te beperken. Er dient tevens een oppervlakte infiltratievoorziening aangelegd voor de opvang van hemelwater bij het overschrijden van 1000m² bebouwde oppervlakte.

De inrichting van het terrein wordt afgestemd op de activiteiten en noodzakelijkheden van het bedrijf. Op het perceel van de aanvraag is een bedrijf in tuinaanleg en tuinonderhoud actief.

Naast de overdekte opslagmagazijnen en administratieve voorzieningen, is tevens een nood aan buitenopslag aanwezig naast de algemene voorzieningen voor parkeren en circulatie van voertuigen.

Uitbreiding met opslagloods

De bestaande opslagloods met kantoorgedeelte werd opgericht aan de rechterzijde van het terrein, op 6m afstand tot de rechter perceelgrens, de voorgevel op 14m afstand tot de voorste perceelgrens. De loods heeft een breedte van 15m en een bouwdiepte van 36,32m.

Achter de loods is nog een onbebouwde zone van zo’n 52m diep aanwezig, na het slopen van een kleine opslagruimte, aan de linkerzijde is een onbebouwde zone van zo’n 29m breed aanwezig.

Aansluitend op de bestaande loods wenst men  aan de linkerzijde een nieuwe loods aan te bouwen met een totale oppervlakte van 792m² en een volume van 5544m³.

De voorgevel wordt ingeplant op ca. 20m achter de voorste perceelgrens. Aan de voorzijde wenst men voldoende ruimte te behouden voor parkeerruimte. De linker zijgevel wordt ingeplant op 7m afstand tot de linker perceelgrens, de achtergevel sluit aan op deze van de bestaande loods. 

Tot op 6m achter de achtergevel wordt nog een luifel/ dakoversteek voorzien over de gevelbreedte van 22m van de nieuwbouwloods. Onder deze luifel wordt een wasstraat voor voertuigen aangelegd van 61m² in een vloeistofdichte beton.

De bouwdiepte bedraagt 30m voor de loods, de bouwdiepte inclusief dakoversteek 36m.

De bouwhoogte van de loods bedraagt 7m, 1m hoger dan het bestaande gebouw.

Het is een stalen draagconstructie en qua gevelmaterialen bestaat het nieuwe gebouw uit een betonnen gevelplint (ca. 2,5m hoog) met daarboven een bekleding in donkergrijze sandwichpanelen. De dakbedekking bestaat uit zelfdragende geprofileerde dakplaten met een lichtstraat in het midden.

De omvang, functie en het uiterlijk sluiten aan bij de industrieel gerelateerde bebouwing binnen de bedrijvenzone.

De nieuwe opslagloods is aanvaardbaar.

Opslagzone in openlucht

Achter de gebouwen worden een ruime opslagruimte in openlucht voorzien met een totale oppervlakte van 693m².

De buiten- en tussenwanden van de verschillende opslagruimtes worden opgetrokken in betonblokken tot een hoogte van 2,40m.

De constructie krijgt een u-vorm met daarbinnen een verharding voor circulatie van voertuigen.

De zone vangt aan op zo’n 5m achter de achtergevel van de loodsen en krijgt een bouwdiepte van 34,80m. Aan weerszijden hebben de opslagvakken/bunkers een breedte van zo’n 6m, achteraan worden deze breder en de achterste wand heeft een totale breedte van 46,80m.

In de 9 verschillende vakken zullen snoeiafval, houtschors, TOP grond, potgrond, zand en compost opgeslagen worden. 

De bodem van de opslagzone wordt uitgevoerd in een vloeistofdichte verharding en langsheen de open zijden wordt een acodrain aangelegd die het (mogelijk) vervuilde water (hemelwater, sappen) afvoert naar de opvangput vanwaar dit verder loopt naar de Kws-afscheider, controleput en uiteindelijk naar de openbare DWA.

Naast de opslagbunkers worden tevens een aantal afvalcontainers geplaatst aan de achterzijde van de bestaande loods. De afvalcontainers worden voorzien voor hout, metaal, paletten in hout, bladeren/ gras en restafval en papier/karton.

De bestemming/ het gebruik van de opslagzone is eigen aan de bedrijfsactiviteit.

De zijwanden en achterwand in betonblokken vormen door de hoogte van 2,40m een visuele afscherming van de opgeslagen goederen. De betonblokken zelf worden tevens van het zicht onttrokken door een groenscherm.

De opslagzone in openlucht is aanvaardbaar.

Verhardingen

Op de site worden diverse verharding (her)aangelegd.

De parkeerruimte wordt volledig aan de voorzijde van het terrein voorzien, toegankelijk via 2 inritten.

De inplantingsplannen geven aan dat aan de linkerzijde een personeelsparking in kiezelverharding wordt aangelegd die 14 parkeerplaatsen omvat en een totale oppervlakte heeft van 317m². Rechts van deze parking is een oprit van 6m breed aanwezig, uitgevoerd in waterdoorlatende klinkers. De oprit dient zowel om toegang te verschaffen tot de parking als naar de nieuwe loods (stalling bedrijfsvoertuigen).

Aan de rechterzijde van het terrein wordt vooraan nog een 2de inrit gepland in functie van de brandweg van 5m naar de achterzijde van het terrein en ook als toegang tot 3 bezoekersparkeerplaatsen. De berm, zijnde openbaar domein, werd hier verhard met steenslag. De inplanting van oprit en parkeerplaatsen zorgt voor een overrijdbare breedte van 10m.

Tussen beide parkeerzones is nog een pad voorzien naar het kantoorgedeelte binnen de bestaande loods.

Aan de rechterzijde van de bestaande loods wordt een toegangsweg in eurodals van 5m aangelegd die achteraan aansluit op de circulatieverharding tussen loodsen en openlucht opslagzone. Het inplantingsplan geeft aan dat de toegang enkel voor de brandweer voorbehouden is.

Uit de plannen blijkt dat de verlichtingspaal thans vlak voor de nieuwe oprit staat en dat men deze wenst te verplaatsen naar de rechter perceelgrens.

Betreffende de verhardingen in de voortuinzone en rechter zijtuinstrook werden reeds eerder opmerkingen gemaakt doch zonder enig gevolg.

Omwille van een aantal redenen dienen deze verhardingen aangepast te worden.

De inplanting van de parkeervakken tot tegen de voorste perceelgrens is niet wenselijk en niet aanvaardbaar.

Er dient een groene zone  van 1m voorzien te worden over de breedte van het volledige terrein, behoudens de toegelaten inritten. Ook binnen bedrijventerreinen dient men een versteend straatbeeld te vermijden. Een groenstrook van 1m kan reeds voor een veel positiever beeld zorgen. Het reeds aanwezig zijn van verhardingen is geen argument om de negatieve punten aan te houden. De minimale groenbuffering op het terrein vereist een optimale inrichting.

De ingrepen om tot een meer praktische en visueel aantrekkelijkere inrichting te komen zijn niet van die aard dat ze een impact hebben op de overige inrichting op het terrein. Het gaat om een aantal verschuivingen en de materiaalaanwending.

Wat betreft de verlichtingspaal die men tot ca. 1m afstand tot de rechter perceelgrens wenst te verplaatsen, kan gesteld worden dat dit mogelijk de toegang van het rechts aangrenzende terrein bemoeilijkt. De toegang kan evenzeer zo’n 2,5m naar links verplaatst worden OF de verlichtingspaal kan naar links verplaatst worden. Een rechte insteek is niet mogelijk bij de eerste optie maar wel indien de verlichtingspaal naar links verplaatst wordt.

De brandweg zelf verhindert de aanleg van een bredere groenbuffer. Uiteraard is veiligheid belangrijk, doch de 5m brede weg over een perceeldiepte van zo’n 50m kan evenzeer uitgevoerd worden in gefundeerd gras of grasdallen zodat het uiterlijk groener wordt en de waterdoorlatendheid groter wordt. Gezien het uitsluitend om een brandweg gaat, dient er geopteerd te worden voor de meest groene oplossing, en dient deze brandweg aangelegd te worden in gefundeerd gras (‘grindgazon’), dit wordt opgelegd als vergunningsvoorwaarde.  Een 2de toegang is niet gebruikelijk, noch wenslijk op zich, waardoor de nodige voorzorgen bij het verlenen van een vergunning voor dergelijke “brandweg” genomen dienen te worden.

Dit kan, naast de uitvoering in gefundeerd gras, door het bezoekersparkeren volledig te laten aansluiten op de hoofdtoegang en ter hoogte van de nood-inrit een overrijdbare haag aan te planten. We zien de noodzaak van een volwaardige 2de toegang niet in en er dient vermeden te worden dat het algemeen vrachtvervoer langs deze inrit zal verlopen.

Zoals oorspronkelijk aangegeven wordt dan ook opgelegd dat deze bezoekersparkeerplaatsen aan de rechterzijde van de hoofdinrit moeten aangelegd worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers Op die manier is er 1 hoofdtoegang aanwezig voor de bedrijvigheid/ personeel/ bezoekers en 1 bijkomende, louter voor de brandweg. Deze bijkomende toegang als brandweg dient aan de voorzijde afgesloten te worden met een overrijdbare (dus lage) haag en volledig uitgevoerd in grindgazon.

Aan de achterzijde van de gebouwen, bereikbaar via de nieuwe loods, wordt een verharding in eurodals aangelegd als circulatieruimte tussen de opslagbunkers en loods. De oppervlakte van deze verharding bedraagt 1453m². Deze verharding kan als noodzakelijk voor de bedrijfsvoering gezien worden en is dan ook aanvaardbaar.

De aanleg van verhardingen op het terrein is aanvaardbaar mits voorwaarden:

  • De brandweg van 5m breed aan de rechterzijde van het gebouw dient aangelegd te worden in gefundeerd gras (grindgazon); ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein dient een (lage) overrijdbare haag voorzien te worden;
  • De verlichtingspaal dient naar links verschoven te worden  ipv naar rechts, zo kan een rechte insteek voor de brandweg behouden blijven, De kosten voor het verplaatsen van de verlichtingspaal zijn ten laste van de aanvrager;
  • De 3 parkeerplaatsen voor bezoekers dienen aan de rechterzijde van de hoofdinrit aangelegd te worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers;
  • De parking aan de linkerzijde van de hoofdinrit dient 1m naar achter aangelegd te worden zodat een groenscherm aan de straatzijde kan aangeplant worden;
  • De fietsenstalling in openlucht (5mx2,5m) mag behouden blijven zoals voorzien op plan, bereikbaar via het toegangspad naar het kantoorgebouw;
  • Behoudens de toegelaten verhardingen dient de voortuinzone volledig voorzien van een beplanting met hagen, struiken, siergrassen of andere streekeigen lage beplantingen, mogelijk aangevuld met kleinere bomen;
  • De aanwezige verharding in de wegberm tussen de hoofdinrit en inrit brandweg dient verwijderd en de berm dient hersteld tot grasberm.

Zones voor groen en water

Behoudens de inrit dient langsheen de voorste perceelgrens een groenzone met (lage) haagaanplant voorzien te worden.

Zoals aangegeven op het beplantingsplan dat bij de aanvraag gevoegd werd en onder de voorwaarden van de dienst Facilitair Management, groenbeheer (zie verder “Bespreking adviezen”), dient verder een haagaanplant uitgevoerd langsheen de zijdelingse perceelgrenzen teneinde voldoende visuele afscherming te bekomen. Aan de achterzijde van het terrein, grenzend aan de oude spoorwegberm/ fietsroute, dient een gevarieerde groenbuffer over een perceeldiepte van minstens 5m aangelegd te worden om het bedrijf visueel af te schermen.

Aan de linkerzijde van de nieuwe opslagloods wordt een open infiltratievoorziening aangelegd met een opvangcapaciteit van minstens 45 000 liter. Deze zone voor infiltratie heeft een breedte van 3,63m over een lengte van 25m. De uitvoering dient te gebeuren zoals aangegeven op het plan “detail infiltratiegracht”, rekening houdende met de opmerkingen en voorwaarden van de waterbeheerder (provincie, Water en Domeinen).

De bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. Het open bufferbekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). 

Bodemreliëf

Het niveau van het terrein situeert zich thans 10cm boven het peil van de wegas ter hoogte van de bouwzone en daarachter helt dit licht af naar 5 à 15 cm onder het peil van de wegas.

De aanvraag voorziet geen aanpassing van het maaiveld buiten de verharde en bebouwde zones behoudens de uitgraving voor de infiltratiezone.

Algemeen genomen zal de buitenzone op 10cm boven het wegpeil liggen en de vloerpas van de gebouwen op 20cm boven het wegpeil.

Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. 

Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

Hinderaspecten met betrekking tot gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen

Uit het (1ste) openbaar blijkt dat zich een aantal problemen kunnen stellen naar de woonomgeving toe. De bezwaren en bezorgdheden hebben betrekking op geluidsoverlast, stofhinder, mogelijke grondvervuiling en mogelijke strijdigheid met de bestemming.

Geluidsoverlast

Hinder door geluidsoverlast kan zich voordoen in de vroege uren/ late uren/ zon- en feestdagen door laden en lossen van vrachtwagens (bulldozers, graafmachines), hakselen van snoeihout en algemene luidruchtige bedrijfswerking.

In het kader van het beperken van mogelijke geluidshinder en het voldoen aan de geldende normen worden bijzondere voorwaarden voorgesteld. De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.

Stofhinder

Er kan stofhinder door het zeven van grond en het hakselen, wat mogelijk nog kan toenemen door de uitbreiding.

De exploitant dient steeds de nodige maatregelen te nemen inzake het voorkomen van stof. Uit de aanvraag blijkt echter dat er zowel praktische als organisatorische maatregelen getroffen worden inzake stofbeperking.

Verenigbaarheid bedrijfsactiviteit met de bestemmingsvoorschriften

De site situeert zich in een zone voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s. De omvang en activiteiten zijn verenigbaar met de bestemmingszone.

Er zijn geen verbodsbepalingen opgenomen in Vlarem II.

Mogelijke grondvervuiling

Betreffende de aanvoer van gronden is de bezorgdheid aanwezig dat vervuilde grond aangevoerd wordt. De exploitant mag enkel gronden aanvaarden die voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007.

Rubriek 2.2.2.f)1° valt onder Vlarebo categorie A van de periodieke onderzoeksplicht, wat betekent dat binnen de 12 jaar na aanvang van de exploitatie een eerste oriënterend bodemonderzoek dient et gebeuren, daarna om de 20 jaar. 

Wat betreft geluidshinder en stofhinder kan, naast bovengenoemde maatregelen, ook gesteld worden dat de inplanting van de nieuwe opslagloods bijkomend zal zorgen voor een fysieke buffer naar het noordelijk gelegen woongebied toe.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving op voorwaarde dat:

De aanleg van verhardingen op het terrein als volgt aangepast wordt:

  • De brandweg van 5m breed aan de rechterzijde van het gebouw dient aangelegd te worden in gefundeerd gras (grindgazon); ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein dient een (lage) overrijdbare haag voorzien te worden;
  • De verlichtingspaal wordt naar links verplaatst (dus niet naar de rechterzijde zoals aangegeven op plan) waarbij een rechte insteek voor de brandweg behouden blijft. De kosten voor het verplaatsen van de verlichtingspaal zijn ten laste van de aanvrager;
  • De 3 parkeerplaatsen voor bezoekers dienen aan de rechterzijde van de hoofdinrit aangelegd te worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers;
  • De parking aan de linkerzijde van de hoofdinrit dient 1m naar achter aangelegd te worden zodat een groenscherm aan de straatzijde kan aangeplant worden;
  • De fietsenstalling in openlucht (5mx2,5m) mag behouden blijven zoals voorzien op plan, bereikbaar via het toegangspad naar het kantoorgebouw;
  • Behoudens de toegelaten verhardingen dient de voortuinzone volledig voorzien van een beplanting met hagen, struiken, siergrassen of andere streekeigen lage beplantingen, mogelijk aangevuld met kleinere bomen;
  • De aanwezige verharding in de wegberm tussen de hoofdinrit en inrit brandweg dient verwijderd en de berm dient hersteld tot grasberm.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 14/10/2021 van de provinciale dienst Water en Domeinen is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden. (zie “Watertoets”).

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 21/10/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig. De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden. (zie “Stedenbouwkundige verordeningen – riolering”).

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 09/08/2021 van de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg is voorwaardelijk gunstig. Er dienen voor zover gekend geen structurele aanpassingen aan de plannen doorgevoerd te worden om te voldoen aan de brandveiligheid. De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies, dienen gevolgd te worden.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals gevoegd in bijlage, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 14/07/2021 van de NMBS is gunstig:

Betreft: Gunstig bericht betreffende de aanvraag voor een omgevingsproject voor stedenbouwkundige handelingen te Industrieweg 2073, 3520 Zonhoven. 

De NMBS verleent een gunstig advies voor bovengenoemd project.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

  • Het advies van 08/07/2021 van de dienst Patrimonium is voorwaardelijk gunstig:

“De berm tussen de oprit en de opgegeven parking bezoekers moet terug een grasberm worden.

De brandweg langs het bestaande gebouw mag niet in betonverharding aangelegd worden. Deze dient aangelegd te worden met gefundeerd gras of grasdallen, zodat het water maximaal kan infiltreren in de grond.

De klinkers van de bezoekersparking dienen zowel waterdoorlatend als waterpasserend te zijn.

De openbare verlichtingspaal staat in werkelijkheid meer naar links waardoor de brandweertoegang in combinatie met 3 geparkeerde auto's van bezoekers moeilijk wordt. Echter indien deze bezoekersparkeerplaatsen nog meer naar links verplaatst worden, blijft er nog minder 'groen' over.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies en wensen bijkomende voorwaarden te formuleren.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Bijkomende voorwaarden met betrekking tot de inplanting en uitvoering van de brandweg en bezoekersparking dienen opgelegd te worden.

De verlichtingspaal dient naar links verplaatst ipv naar rechts zoals voorzien op het inplantingsplan nieuwe toestand. De verplaatsing naar de rechterzijde kan de toegang voor de rechts aanpalende bemoeilijken. Kosten voort verplaatsing zijn ten laste van de aanvrager.

Een rechte insteek voor de brandweer blijft mogelijk bij een verplaatsing naar links. 

Naast het feit dat de bezoekersplaatsen gebruik maken van de 2de inrit, die geen effectieve inrit hoort te zijn, zouden deze door de verplaatsing van de inrit naar links eveneens moeten opschuiven, wat weer ten koste gaat van de groenstrook. Zoals oorspronkelijk aangegeven, wordt  opgelegd dat deze bezoekersparkeerplaatsen aan de rechterzijde van de hoofdinrit moeten aangelegd worden. Op die manier is er 1 hoofdtoegang aanwezig voor de bedrijvigheid/ personeel/ bezoekers en 1 bijkomende, louter voor de brandweg. Deze bijkomende toegang als brandweg dient aan de voorzijde afgesloten te worden met een overrijdbare (dus lage) haag en volledig uitgevoerd in gefundeerd gras (grindgazon).

  • Het advies van 20/07/2021 van de dienst Facilitair Management is voorwaardelijk gunstig:

“Gunstig wat betreft het voorliggende  beplantingsplan, mits nakomen volgende voorwaarden: 

- haag rondom het terrein uitvoeren in Acer campestre en niet in Cupressocyparis leylandii,

- de bestaande haag rond de parking dient behouden te blijven en wordt dus niet vervangen door Cupressocyparis leylandii.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 28/10/2021 van OVAM, afdeling afval- en materialenbeheer is voorwaardelijk gunstig:

Wij ontvingen uw adviesvraag op 8 oktober 2021. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) geeft advies over deze omgevingsvergunningsaanvraag op basis van artikelen 37, §4 en 38, §3 van het Omgevingsvergunningsbesluit van 27 november 2015.

Voorwerp van de aanvraag

Deze aanvraag is bijkomende adviesvraag na een aantal aangebrachte verandering in de oorspronkelijk aanvraag van Tuinen Wirix 2. Voor de OVAM zijn er geen veranderingen die ons eerste advies zouden wijzigen. Daarom blijven wij ons oorspronkelijk advies, zie hieronder.

Oorspronkelijk advies OVAM:

Tuinen Wirix is een tuinaannemersbedrijf, dat instaat voor aanleg en onderhoud van tuinen. Tuinen Wirix vraagt een omgevingsvergunning voor het exploiteren van het bedrijf op de eigen terreinen.

De OVAM heeft adviesbevoegdheid voor de volgende voorziene activiteiten:

− Opslag en mechanische behandeling van snoeiafval.

De aangevraagde afvalstoffenrubrieken zijn:

− 2.2.2.f)1°

De exploitant vraagt eveneens een afwijking van de volgende sectorale voorwaarden:

− artikel 5.2.1.2 § 2 (weegbrug)

− artikel 5.2.1.5 § 1 (uithangbord)

− artikel 5.2.1.5 § 2 (ontoegankelijkheid)

− artikel 5.2.1.5 § 5 (groenscherm)

Evaluatie van de aanvraag

Tuinen Wirix is een tuinaannemersbedrijf dat bij zijn klanten (derden) allerlei tuinwerkzaamheden uitvoert. Daarbij komen verschillende afvalstromen vrij, die bij Tuinen Wirix worden opgeslagen in functie van een regelmatige afvoer naar vergunde verwerkers. Volgende afvalstromen worden in 1 container per stroom opgeslagen in kader van regelmatige afvoer:

− Papier/karton (verpakkingsafval, kantoorafval)

− Restafval (verpakkingsafval)

− Gesnipperd hout (A-hout)

− Metaal

− B-hout

− Bladeren/gras (groenafval)

Conform de indelingslijst van VLAREM I is de opslag van afvalstoffen in het kader van een regelmatige georganiseerde afvoer niet vergunningsplichtig.

Er wordt geen afval van derden aanvaard.

In actie 12 van het uitvoeringsplan voor huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval worden de maximum termijn voor opslag groenafval bepaald. De opslagtermijn voor fijn tuinafval bedraagt maximum 1 week in de periode april-oktober en 1 maand in de periode november-maart, voor het grovere tuinafval zoals snoeihout is de termijn beperkt tot 2 maanden.

Snoeiafval wordt buiten opgeslagen in bulk op een vloeistofdichte verharding. Het snoeiafval wordt verhakseld door een externe firma met een mobiele breker en mobiele trommelzeef. Het hakselen gebeurt maximaal 6 keer per jaar. Deze activiteit is wel vergunningsplichtig en hiervoor wordt de rubriek 2.2.2.f.1 aangevraagd.

Het gehakselde materiaal wordt als bodembedekker hergebruikt bij klanten. De OVAM merkt op dat de fijne fractie afkomstig van het afzeven van het verhakselde snoeihout een afvalstof is en moet worden afgevoerd naar een daartoe vergunde verwerker.

Het gebruik van snoeihout als bodembedekker moet voldoen aan de vereisten vermeld in het Actieplan Voedselverlies en Biomassa(rest)stromen Circulair 2021-2025:

− Het gebruik van snoeihout als bodembedekker (om onkruid te weren en verdroging te voorkomen) is enkel toegelaten als de kwaliteit van de biomassareststroom voldoet aan de onderstaande voorwaarden:

  1. Enkel gezond en zuiver snoeihout mag worden verhakseld. Fijn groenafval (gras, bladeren, haagscheersel, groen van coniferen) is niet toegelaten;
  2. Het gebruik van mulchmateriaal uit houtafval (bouw- en sloophout, paletten …) is verboden;
  3. De grofheid van het mulchmateriaal moet zich voor 90 % bevinden tussen 10 en 90 mm;
  4. Het mulchmateriaal moet vrij zijn van geur en verontreinigingen;
  5. De opslag van verhakseld snoeihout is beperkt tot 2 maanden na verhakseling.

Afwijkingen op sectorale voorwaarden

Het groenscherm en ontoegankelijkheid zijn hinderbeperkende maatregelen die geen impact hebben op het afvalstoffen- en materialenbeleid. De OVAM geeft hierover bijgevolg geen advies maar verwijst naar de lokale overheden als lokale deskundige.

Er worden enkel afvalstoffen afkomstig van de eigen activiteiten opgeslagen of verwerkt, dan is een uithangbord niet verplicht.

Het snoeiafval dat wordt verhakseld en ingezet als mulchmateriaal, is enkel afkomst van de eigen activiteiten Er wordt geen snoeiafval van derden aanvaard. Daarom staat de OVAM een afwijking op het gebruik en plaatsen van een geijkte weegbrug toe.

Conclusies

De OVAM adviseert GUNSTIG voor de omgevingsvergunningsaanvraag van Tuinen Wirix 2 voor:

Activiteit

Max. opslagcapaciteit

(meest aangewezen) Rubriek

Opslag en mechanische behandeling van snoeiafval

100 ton

2.2.2.f)1°

 

De OVAM verleent een GUNSTIG advies voor de gevraagde afwijking van:

− artikel 5.2.1.2 § 2 (weegbrug)

− artikel 5.2.1.5 § 1 (uithangbord)

Vergunningstermijn en voorwaarden

De omgevingsvergunning kan worden toegekend voor onbepaalde duur, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

Algemene milieuvoorwaarden van VLAREM II:

− Hoofdstuk 4.1: algemene voorschriften.

Sectorale milieuvoorwaarden van VLAREM II:

− Inrichtingen voor de verwerking van afvalstoffen - algemeen:

− afdeling 5.2.1, artikel 5.2.1.1 tot en met 5.2.1.9;

− Inrichtingen voor het opslaan en behandelen van bepaalde ongevaarlijke vaste afvalstoffen:

− subafdeling 5.2.2.4, artikel 5.2.2.4.1 tot 5.2.2.4.3;

Bijzondere exploitatievoorwaarden:

Overeenkomstig artikel 5.2.1.2.§2 van Vlarem II wordt een vrijstelling verleend van de verplichting tot het plaatsen van een geijkte weegbrug met automatische registratie vermits er enkel bedrijfseigen niet-verontreinigd behandeld houtafval verbrand wordt.

De OVAM vindt het noodzakelijk om de volgende aandachtspunten aan de exploitant mee:

  • De fijne niet houtige fractie afkomstig van het breken en afzeven van het snoeihout is een afvalstof en moet worden afgevoerd naar een daarvoor vergunde verwerker.
  • In actie 12 van het uitvoeringsplan voor huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval worden de maximum termijn voor opslag groenafval bepaald. De opslagtermijn voor fijn tuinafval bedraagt maximum 1 week in de periode april-oktober en 1 maand in de periode november-maart, voor het grovere tuinafval zoals snoeihout is de termijn beperkt tot 2 maanden.
  • Het gebruik van snoeihout als bodembedekker (om onkruid te weren en verdroging te voorkomen) is enkel toegelaten als de kwaliteit van de biomassareststroom voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
  1. Enkel gezond en zuiver snoeihout mag worden verhakseld. Fijn groenafval (gras, bladeren, haagscheersel, groen van coniferen) is niet toegelaten;
  2. Het gebruik van mulchmateriaal uit houtafval (bouw- en sloophout, paletten …) is verboden;
  3. De grofheid van het mulchmateriaal moet zich voor 90 % bevinden tussen 10 en 90 mm;
  4. Het mulchmateriaal moet vrij zijn van geur en verontreinigingen;
  5. De opslag van verhakseld snoeihout is beperkt tot 2 maanden na verhakseling.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 22/11/2021 van Vlaamse Milieumaatschappij, afvalwater en lucht is voorwaardelijk gunstig:

“De Vlaamse Milieumaatschappij geeft hierbij haar advies in antwoord op uw vraag, voor het lozen van afvalwater. (Advies in bijlage.)

VMM baseert zich voor dit advies op: 

  • het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 
  • het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid; 
  • het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, dat uitvoering geeft aan de kaderrichtlijn Water 2000/60/EG waarin o.a. het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand in alle Europese wateren tegen eind 2015 vooropgesteld wordt; Vlaanderen heeft momenteel gebruik gemaakt van art. 4.4 van de KRW dat termijnverlenging mogelijk maakt voor het bereiken van een goede oppervlaktewatertoestand; 
  • het besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning; 
  • het besluit van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (VLAREM II); 
  • het besluit van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties (Vlarem III) 
  • het besluit van 18 december 2015 van de Vlaamse Regering houdende de vaststelling van de stroomgebiedsbeheerplannen voor Schelde en Maas (2016-2021), met inbegrip van het maatregelenprogramma bij de stroomgebiedsbeheerplannen, de herziene zoneringsplannen en de gebiedsdekkende uitvoeringsplannen, overeenkomstig artikelen 33 en 64 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; 
  • het Milieubeleidsplan 2011-2015 dat blijft gelden tot wanneer MINA 5 wordt goedgekeurd; 
  • het besluit van 15 juni 2021 van het afdelingshoofd bevoegd voor de kern “Adviseren Afvalwater en Grondwater” houdende delegatie van bevoegdheden aan de personeelsleden van de afdeling; 
  • de Beheersovereenkomst van 10 november 1993 tussen het Vlaamse Gewest en de N.V. Aquafin;
  • het besluit van 21 februari 2014 van de Vlaamse Regering houdende vaststelling van de regels inzake het lozen van bedrijfsafvalwater op een openbare rioolwaterzuiveringsinstallatie; 

DEELASPECT WATER 

Situatieschets 

Tuinen Wirix is een tuinaannemersbedrijf. Ze vragen een omgevingsvergunning voor het exploiteren van het bedrijf op de eigen terreinen. Voor deze exploitatie werd reeds in april 2018 een milieuvergunning gevraagd maar deze werd geweigerd. Deze was niet in overeenstemming met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening en zouden beter op elkaar afgestemd moeten zijn (onder andere de lozing van bedrijfsafvalwater moest aangevraagd worden).

Voor het bedrijf dat ingezet wordt voor tuinaanleg en -onderhoud wordt een nieuwe loods met een oppervlakte van 792 m² gebouwd. Deze loods zal gebruikt worden voor opslag van tuingereedschap en tuinbouwmachines en dient als circulatie-route om de bedrijfsvoertuigen tot achteraan op het terrein te laten rijden. Hier bevindt zich een opslagplaats in stapelblokken voor de verschillende grondstoffen en snoeiafval. Het snoeiafval is afkomstig van het onderhoud van de tuinen van de klanten van Tuinen Wirix (particulieren of bedrijven). Het snoeiafval wordt afgevoerd naar de inrichting en opgeslagen in afwachting van mechanische behandeling: hakselen. Op het bedrijf wordt snoeiafval opgeslagen en maximum 6 keer per jaar verhakseld en hergebruikt bij klanten als mulchmateriaal. De opslagbakken voor het stockeren van materialen voor tuinbouw bevinden zich achteraan op een vloeistofdichte verharding (693 m²) en bevatten onder andere houtschors, potgrond, compost, TOP (grond), snoeiafval en zand. 

Er wordt een afwijking aangevraagd voor het plaatsen van een groenscherm van 5 meter rondom de inrichting, het plaatsen van een weegbrug, het plaatsen van een uithangbord, een 2 meter hoge afsluiting rondom de inrichting en de installatie van een meetgoot.

Volgende Vlarem-rubriek wordt aangevraagd waarvoor VMM advies dient te verstrekken: 3.4.2°; 

Lozingssituatie 

Tuinen Wirix vraagt de lozing van 12 m³/u – 29 m³/d – 610 m³/j bedrijfsafvalwater in riolering. De lozing van < 600 m³/j huishoudelijk afvalwater in riolering is niet meer ingedeeld en moet dus niet meer worden aangevraagd. 

Er zijn 2 aparte lozingspunten op riolering: 

1. hemelwater (overloop wadi) 

2. huishoudelijk- en bedrijfsafvalwater dat apart bemonsterbaar is via controleputten 

Het bedrijf loost het afvalwater in de riolering van de Industrieweg; deze weg is gelegen in centraal gebied en de riolering ervan is aangesloten op RWZI Zonhoven. De RWZI heeft een ontwerpcapaciteit van 18.000 IE (op basis van 54 g BZV/IE,dag). 

Hemelwater 

Het hemelwater dat valt op het dak van de bestaande loods + burelen (548 m²) en de nieuwe opslagloods en parking rollend materiaal (792 m²) wordt opgevangen in 2 hemelwaterputten van elk 10.000 l. Het hemelwater wordt hergebruikt voor het wassen van de voertuigen, voor sanitaire installaties en voor het bevochtigen van het afval. Aan de 1e hemelwaterput is een overloop voorzien naar de infiltratiegracht-wadi (45.000 l en 87 m²), met overloop naar de riolering vooraan via een controleput. 

VMM merkt op dat dit apart lozingspunt van hemelwater (overloop wadi), na aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel op de Industrieweg, onmiddellijk kan aangesloten worden op het RWA gedeelte van het gescheiden stelsel. Dit wordt eveneens als bijzondere voorwaarde opgelegd. 

Huishoudelijk afvalwater 

Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire installaties en wordt geloosd via 2 septische putten en 2 controleputten.

Bedrijfsafvalwater

Bedrijfsafvalwaterstromen 

 

m³/u 

m³/d 

m³/j 

Potentieel verontreinigd hemelwater van de opslagplaatsen van afvalstoffen 

 

11,0187 

28,2744 

589,05 

Waswater 

 

0,4 

0,4 

20,8 

Totaal 

 

11,4187 

28,6744 

609,85 

Deze totale debieten worden afgerond tot de lozing van 12 m³/u – 29 m³/d – 610 m³/j bedrijfsafvalwater in riolering.

Het bedrijfsafvalwater is afkomstig van: 

1. potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaatsen van de afvalstoffen, via een acodrain 

2. waswater van de wasplaats voor het wassen van maximum 5 voertuigen per week, op een vloeistofdichte betonverharding, via een acodrain 

Beide bedrijfsafvalwaterstromen komen tesamen in een opvangput en worden geloosd via een KWS-afscheider met slibopvang en controleput naar de riolering vooraan.

1. Lozen bedrijfsafvalwater (potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaatsen van de afvalstoffen) in riolering 

Voor de berekening van het potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaats van 693 m² wordt rekening gehouden met de berekeningsmethode van de VMM (2-jaarlijks terugkerende composietbui). 

2. Lozen bedrijfsafvalwater van de wasplaats van de voertuigen in riolering 

Het afvalwater afkomstig van het wassen van de voertuigen bedraagt 80 l per wasbeurt, 5 wasbeurten per week en 52 weken. Aangezien het moeilijk in te schatten is over welke tijdspanne de voertuigen gewassen worden, wordt er rekening gehouden met worst case: alle voertuigen na elkaar. Het weekdebiet is bijgevolg gelijkgesteld aan het dagdebiet en het uurdebiet. In werkelijkheid zal dit waarschijnlijk iets minder zijn. De wasplaats creëert geen potentieel verontreinigd hemelwater, aangezien deze zich onder een luifel bevindt.

Aanvraag bijstelling voorwaarden 

Aanvraag tot afwijking van artikel 4.2.5.1.1,§1 

De exploitant vraagt een afwijking van bovenstaand artikel van titel II van het VLAREM, waarin de verplichting wordt opgelegd om een meetgoot te plaatsen bij debieten vanaf 2 m³/u. 

Gevraagde afwijking 

Er wordt een afwijking van artikel 4.2.5.1.1§1 betreffende de installatie van een meetgoot gevraagd. Hierbij wenst Tuinen Wirix niet te moeten voldoen aan de plaatsing van debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur volgens de in bijlage 4.2.5.1. bij VLAREM II gevoegde omschrijving en gestelde eisen. 

Motivering bijstelling 

Het overgrote deel van het bedrijfsafvalwater is namelijk potentieel verontreinigd hemelwater dat zeer moeilijk debietsproportioneel kan gemeten worden. Hierdoor zal de meetgoot tijdens het merendeel van de dagen leeg staan.

Beoordeling VMM 

Het aangevraagde en ook het te vergunnen debiet ligt hoger dan de drempels voor het plaatsen van een meetgoot, conform artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II. Een meetgoot voorzien voor deze vloeistofdichte verharding lijkt evenwel niet nuttig, daarom adviseert VMM conform de afwijkingsmogelijkheid bepaald in dit artikel dat de meetgoot vervangen mag worden door een monsternameput waaruit op eenvoudige wijze schepstalen genomen kunnen worden.

ADVIES WATER 

De Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig voor: 

  • de lozing van 12 m³/uur, 29 m³/dag en 610 m³/jaar bedrijfsafvalwater (potentieel verontreinigd hemelwater van de vloeistofdichte opslagplaatsen van de afvalstoffen en waswater van de voertuigen) via een acodrain, KWS afscheider met slibvangput en controleput, in riool mits voldaan aan de algemene voorwaarden voor lozing op riool. 

Volgende bijzondere voorwaarden zijn van toepassing: 

  • In afwijking van artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II wordt het bedrijf vrijgesteld van de plaatsing van een meetgoot of evenwaardig alternatief. Het nazicht van de kwaliteit van het te lozen bedrijfsafvalwater dient mogelijk te zijn door middel van schepmonsters via een goed bereikbare controleput. 
  • Na aanleg van gescheiden riolering in de Industrieweg dient de overloop van de wadi aangesloten te worden op het RWA gedeelte van de gescheiden riolering.

Namens de entiteit van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor het lozen van afvalwater en de emissie van afvalgassen in de atmosfeer.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

In navolging van het advies werden op 22/11/2021 aangepaste plannen overgemaakt zijnde een aangepast inplantingsplan en aangepast rioleringsplan.

  • Op 09/07/2021 heeft POM Limburg aangegeven geen advies af te leveren. Er wordt bijgevolg aan de adviesvereiste voorbijgegaan.
  • Er werd geen advies aangeleverd door Infrabel, Asset Management binnen de wettelijk opgelegde termijn. Er wordt bijgevolg aan de adviesvereiste voorbijgegaan.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving, dat de ruimtelijke draagkracht van het perceel niet wordt overschreden en dat aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang gebracht, noch verstoord worden mits het opleggen van voorwaarden.

De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening mits volgende aanpassingen door te voeren en voorwaarden na te leven:

  • De aanleg van verhardingen op het terrein dient als volgt aangepast te worden:
  • De brandweg van 5m breed aan de rechterzijde van het gebouw dient aangelegd te worden in gefundeerd gras (grindgazon); ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein dient een (lage) overrijdbare haag voorzien te worden;
  •  De verlichtingspaal wordt naar links verplaatst (dus niet naar de rechterzijde zoals aangegeven op plan) waarbij een rechte insteek voor de brandweg behouden kan blijven. De kosten voor het verplaatsen van de verlichtingspaal zijn ten laste van de aanvrager;
  • De 3 parkeerplaatsen voor bezoekers dienen aan de rechterzijde van de hoofdinrit aangelegd te worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers;
  • De parking aan de linkerzijde van de hoofdinrit dient 1m naar achter aangelegd te worden zodat een groenscherm aan de straatzijde kan aangeplant worden;
  • De fietsenstalling in openlucht (5mx2,5m) mag behouden blijven zoals voorzien op plan, bereikbaar via het toegangspad naar het kantoorgebouw;
  • Behoudens de toegelaten verhardingen dient de voortuinzone volledig voorzien van een beplanting met hagen, struiken, siergrassen of andere streekeigen lage beplantingen, mogelijk aangevuld met kleinere bomen;
  • De aanwezige verharding in de wegberm tussen de hoofdinrit en inrit brandweg dient verwijderd en de berm dient hersteld tot grasberm;
  • De voorwaarden en opmerkingen van de adviesverleners dienen strikt nageleefd te worden teneinde hinder naar de omgeving toe te vermijden en te voldoen aan de regelgeving.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

De aanvraag betreft een nieuwe inrichting.

De aanvraag houdt in: tuinaanleg en -onderhoud.

Met volgende aangevraagde rubrieken:

  • 2.2.2.f)1° - Afvalstoffen - Opslag en mechanische behandeling van max. 100 ton snoeiafval (mechanische behandeling gebeurt steeds door een externe firma, met een externe mobiele breker van 555 kW en een mobiele trommelzeef van 72 kW
  • 3.4.2° Afvalwater - Lozen van bedrijfsafvalwater meer dan 2 m³/uur
  • 6.5.1° brandbare vloeistoffen - 2 verdeelslangen voor het verdelen van brandstoffen
  • 15.1.1° Stallen van voertuigen zijnde 13 stuks
  • 15.4.1° - Wasplaats (overdekt) voor het wassen van eigen voertuigen: max. 5 stuks per week
  • 17.3.2.1.1.1°b) Gevaarlijke stoffen – Opslag van 6,872 ton diesel voor bevoorraden voertuigen
  • 17.3.2.2.1° Gevaarlijke stoffen  - Opslag van 310 kg benzine (2 x 200 liter)
  • 17.4 Gevaarlijke stoffen - Opslag van max. 2.000 liter gevaarlijke producten in kleinverpakking

Volgende bijstellingen worden aangevraagd:

  • Afwijking van art. 5.2.1.5.§5 Vlarem II: betreffende het groenscherm:

De wetgeving omschrijft een groenscherm langsheen de randen van minstens 5 meter breed.  De bijstelling behelst een groenscherm van 0,5 meter aan de zijkanten en geen aan de voorkant. Aan de achterzijde zal 5 meter voorzien worden.

  • Afwijking van art. 5.2.1.2.§2 betreffende de geijkte weegbrug met automatische registratie:

De wetgeving verplicht een geijkte weegbrug met automatische registratie.   De aanvrager wenst niet te voldoen aan deze voorwaarde. 

  • Afwijking van art. 5.2.1.5.§1 betreffende uithangbord:

Een uithangbord met gegevens van het bedrijf van minstens 1 m² grootte moet aan de voorzijde van het bedrijf geplaatst worden.

De aanvrager wenst geen uithangbord te plaatsen.

  • Afwijking van art. 5.2.1.5.62 betreffende de 2 meter hoge afsluiting:

De inrichting wordt omheind met een stevige en 2 meter hoge afsluiting waarbij de toegangswegen met een poort worden afgesloten.

Het bedrijf wenst aan de achterzijde geen 2 meter hoge afsluiting te plaatsen. 

  • Afwijking van art. 4.2.5.1.1§1 betreffende de installatie van een meetgoot.

De aanvrager wenst geen debietsmeet- en bemonsteringsapparatuur te moeten voorzien;

Volgende onderdelen zijn niet-vergunningsplichtig en aldus niet opgenomen:

  • Lozen van huishoudelijk afvalwater (< 600 m³/jaar)
  • Opslag grond buiten (TOP < 1.000 m³/jaar)
  • Opslag van grondstoffen zoals houtschors, zand, compost, meststoffen, kalk

OMGEVINGSVEILIGHEIDSRAPPORT

Het voorwerp van de aanvraag heeft geen betrekking op het hogedrempelinrichting. Het opstellen van een omgevingsveiligheidsrapport is dan ook niet van toepassing.

MILIEU-ASPECTEN

De productie wordt opgesplitst als volgt :

Het merendeel van de activiteiten vindt plaats bij de klanten, op het terrein vindt de opslag plaats van diverse materialen alsook van snoeiafval en het hakselen hiervan. Tevens wordt voorzien in het stallen, wassen en bevoorraden van de bedrijfseigen voertuigen.

Ligging ten opzichte van de buurt

De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in KMO-zone. 

In een straal van 100 meter zijn 3 woningen gelegen.  

Op ca. 75 meter van de perceelsgrenzen en op ca. 90 meter van de bedrijfsgebouwen staat een woning. 

Dit maakt dat de inrichting wel voor hinder kan zorgen voor de buurt. 

AFWIJKING OP DE MILIEUVOORWAARDEN

Het bedrijf vraagt volgende afwijkingen aan algemene en/of sectorale milieuvoorwaarden:

  • Artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem II – groenscherm;

In afwijking op dit artikel wenst de exploitant aan de linker- en rechterzijde een beperkt groenscherm van 0,5 meter te voorzien, een groenscherm van 5 meter aan de achterzijde en geen groenscherm aan de voorzijde.

De motivatie voor deze afwijking is als volgt:

Het doel van het groenscherm, met name om afvalstoffen aan het zicht te onttrekken, is vooral nodig aan de achterzijde van het terrein (fietspad). Dit zal bereikt worden. De afvalstoffen zullen gestockeerd worden in bunkers (betonnen stapelblokken). Langs de zijkanten zal 0,5 meter groenscherm voorzien worden.

Er kan akkoord gegaan worden met deze motivatie en deze afwijking, behoudens de afwijking op de voorzijde.  Aan de voorzijde dient eveneens een groenstrook voorzien van minstens 1 meter, opgebouwd uit een beplanting voorzien van hagen, struiken of andere streekeigen lage beplanting, mogelijk aangevuld met kleinere bomen. 

  • Artikel 5.2.1.2§2 van Vlarem II – weegbrug;

Tuinen Wirix wenst een afwijking te bekomen voor het wegen en registreren van de aangevoerde afvalstoffen.

De motivatie voor deze afwijking is als volgt:

De aangevoerde afvalstoffen (snoeiafval) is afkomstig van particulieren. De meeste afvalstoffen worden beschouwd als eigen bedrijfsafval en zijn niet indelingsplichtig. Het betreft snoeihout, haagscheersel, maaisel en boomstronken. Het is niet de bedoeling om afval te composteren. Fijn tuinafval wordt bijgevolg kort opgeslagen en regelmatig afgevoerd. Dit is niet indelingsplichtig. De afvoer gebeurt conform de algemene voorschriften van de OVAM: 1 week van april tot oktober en 1 maand van november tot maart.

Enkel de opslag van snoeiafval is indelingsplichtig. Het snoeiafval wordt opgeslagen en minstens 6 x per jaar verhakseld (mechanische behandeling) om dan te hergebruiken als bodembedekker bij klanten. De opslagtermijn bedraagt max. 2 maanden. Het is praktisch niet mogelijk om een weegbrug op het terrein te voorzien. Er is hiervoor niet voldoende plaats en het zou enkel nodig zijn voor het snoeiafval. Het snoeiafval wordt na verhakselen hergebruikt als mulchmateriaal. Het tonnage van het afgevoerde snoeiafval kan wel bekomen worden via de externe verwerker Geerkens (zie in extra bijlage de afvoerbewijzen). Op basis hiervan kan een afvalstoffenregister worden samengesteld.

Gelet op het gunstig advies van Ovam. 

Er kan akkoord gegaan worden met deze motivatie en deze afwijking.

  • Artikel 5.2.1.5§1 van Vlarem II – uithangbord;

Tuinen Wirix wenst geen uithangbord te plaatsen.

De motivatie voor deze afwijking is als volgt:

De enige ingedeelde afvalstof betreft snoeiafval. Er wordt maximaal 100 ton opgeslagen. Het is niet mogelijk voor derden om snoeiafval aan te leveren. Het verhakselen gebeurt ongeveer 5 keer per jaar, telkens tijdens de normale openingsuren. De exploitant of zijn afgevaardigde is dan steeds aanwezig in de inrichting.

Gelet op gunstig advies van Ovam.

Er kan akkoord gegaan worden met deze motivatie en deze afwijking.

  • Artikel 5.2.1.5§2 van Vlarem II – 2 meter hoge afsluiting

Tuinen Wirix wenst geen 2 meter hoge afsluiting te plaatsen aan de achterkant van het terrein.

Achteraan het terrein is een groenscherm van 5 meter voorzien. Langs de zijkanten is een draadafsluiting van 2 meter voorzien. Aan de voorkant van het gebouw bevindt zich een gesloten poort van 2 meter hoogte.

Deze afwijking kan niet worden toegestaan aangezien de achterzijde van het terrein door het voorzien van enkel een groenscherm niet afgesloten is en dit niet conform de voorwaarden is.

BODEM

Het bedrijf valt met volgende rubrieknummers uit de Vlaremindelingslijst onder de categorie van risico-inrichting: 2.2.2.f)1° ; waarbij categorie - oriënterend bodemonderzoek verplicht bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de 20 jaar. 

De uitgevoerde activiteit vormt een risico voor bodemverontreiniging omwille van de opslag van afvalstoffen, diesel, benzine en rode mazout, alsook de verdeling van diesel en wassen van voertuigen.

Volgende maatregelen neemt het bedrijf: De opslag van afvalstoffen, evenals het wassen en het bevoorraden van voertuigen gebeurt op en boven vloeistofdichte zones. De opslaghouders betreffen bovengrondse en ondergrondse dubbelwandige houders dewelke periodiek gekeurd worden. Tenslotte gebeurt de opslag van verplaatsbare recipiënten boven lekbakken en is voorzien in absorberende materialen om eventuele calamiteiten op te ruimen.

GELUIDSHINDER

Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kan geluidshinder waar te nemen zijn buiten het bedrijf: 

De aan- en afvoer van materialen, het hakselen van snoeihout en het vroege vertrekuur van de werknemers aan de loods met eventueel gepaarde handelingen (zoals materiaal opladen) kunnen aanleiding geven tot hinder door geluid.

Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen: Volgens de aanvraag zullen de normale activiteiten enkel plaatsvinden tussen 7u en 19u.  Tevens worden organisatorische maatregelen getroffen inzake het laden van vrachtwagens, alsook het vertrekken hiervan en de transportbewegingen op de site. Met betrekking tot het hakselen van het snoeiafval zijn er geen specifieke maatregelen voorzien. De exploitant stelt dat dit slechts 6 keer per jaar zal gebeuren tijdens de normale werkuren. 

Het geluid kan in dergelijke mate storend zijn dat dit een probleem vormt en volgende maatregelen getroffen moeten worden: 

Met betrekking tot de mogelijke hinder inzake geluid worden enkele bijzondere voorwaarden voorgesteld, zie verder. 

Indien de exploitatie laad- en losverrichtingen behelst, dan neemt de exploitant alle nodige maatregelen (BBT) om dit geluid te beperken en te verhinderen dat het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving (Vl II; afd. 4.5.7).

GEURHINDER

Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kunnen volgende geuren waargenomen worden:

Geur van compostering van groenafval.

Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen

Het groenafval dat kan composteren, wordt slechts beperkt en kortstondig op het terrein opgeslagen in afwachting van afvoer ervan.  

LUCHTVERONTREINIGING

De verwarming van de gebouwen gebeurt met : mazout.

Hiervoor zijn afvoerkanalen voorzien waarbij de emissie als hinderlijk beschouwd kan worden.

De verwarmingsinstallatie dient periodiek aan een controle en onderhoud onderworpen te worden conform de voorschriften. Er kan aangenomen worden dat deze installatie geen negatieve effecten inzake lucht veroorzaakt. 

STOFHINDER

In het bedrijf wordt stof geproduceerd en dit is afkomstig van het hakselen van snoeihout en de opslag en het zeven van gronden. 

Het bedrijf neemt volgende maatregelen om het stof op te vangen: 

Bevochtigen van de materialen door middel van sproei-installaties en gebruik van een vernevelaar. 

Op welke manier kan de stofhinder verhinderd worden? 

Door het consequent inzetten van de vernevelaar en sproei-installaties kan stofhinder voorkomen worden. Door het vochtig houden van de te ver- en bewerken materialen zal de vorming van stof beperkt worden. 

LICHTBEHEERSING

Het bedrijf gebruikt verlichting voor de veiligheid/uitbating en zorgt voor lichthinder.  

Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid.  Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.  

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen. 

LOZING VAN AFVALWATER

Volgende waterstromen komen vrij:

  • hemelwater
  • mogelijk verontreinigd hemelwater
  • huishoudelijk afvalwater
  • bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat

en worden geloosd in de gemengde riolering. 

De inrichting ligt overeenkomstig het gemeentelijk zoneringsplan in een centraal gebied. 

HEMELWATER

Er is een gescheiden hemelwaterafvoer aanwezig waarbij het hemelwater wordt opgevangen in hemelwaterputten met een totale inhoud van 20 000 liter.  

De overloop van de hemelwaterputten loopt naar een infiltratiegracht met noodoverloop naar de riolering.  Het water wordt hergebruikt voor het wassen van de voertuigen, voor sanitaire installaties en voor het bevochtigen van het afval. 

Het bedrijf voldoet aan artikel 4.2.1.3.§5 onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of milieuvergunningsvoorwaarden, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld:

1° opvang voor hergebruik;

2° infiltratie op eigen terrein;

3° buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;

4° lozing in de regenwaterafvoerleiding in de straat. 

Volgende voorwaarden worden opgelegd inzake hergebruik van hemelwater, met doeleinden: geen.

HUISHOUDELIJK AFVALWATER

Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van sanitaire installaties. 

De inrichting ligt in een centraal gebied wat maakt dat een septische put niet geplaatst moet worden.  

BEDRIJFSAFVALWATER DAT GEEN GEVAARLIJKE STOFFEN BEVAT

Dit bedrijfsafvalwater bestaat enerzijds uit het potentieel verontreinigd hemelwater afkomstig van de vloeistofdichte zone voor onder meer de opslag van afvalstoffen en anderzijds uit het afvalwater afkomstig van het wassen van de bedrijfseigen voertuigen. Het beschouwde afvalwater wordt geloosd via een kws-afscheider met slibvangput. Tevens is voorzien in een controleput voor het nemen van stalen. Dit is in overeenstemming met de vigerende wetgeving.

KOELWATER

Er wordt geen koelwater aangevraagd.

MEETINRICHTING

Gelet op de gevraagde afwijking van art. 4.2.5.1.1.§1 om geen meetgoot te plaatsen wordt het advies van de VMM gevolgd.  Er wordt namelijk akkoord gegaan met de gevraagde afwijking mits er een goed toegankelijke controleput aanwezig is waar een schepstaal genomen kan worden.

AFVALSTOFFEN

Er worden volgende afvalstoffen geproduceerd en gescheiden opgehaald: 

Volgens de aanvraag worden volgende afvalstromen selectief ingezameld en afgevoerd naar hiertoe vergunde verwerkers:

  • papier / karton;
  • restafval;
  • gesnipperd hout (A-hout);
  • metaal;
  • B-hout (paletten);
  • Bladeren / gras.

De exploitant dient de afvalstromen selectief in te zamelen conform de bepalingen van artikel 4.3.2 van het Vlarema.

EXTERNE ADVIEZEN

Voor rubriek 2.2.2.f)1° werd advies gevraagd aan OVAM en bekomen op 06/08/2021. 

Het advies luidt als volgt:

Gunstig mits voorwaarden – zie eerder. 

Voor het lozen van bedrijfsafvalwater en de afwijking tot het plaatsen van een meetgoot werd advies gevraagd aan de VMM en bekomen op 22/11/2021.

Gunstig mits voorwaarden – zie eerder. 

LIGGING IN KWETSBAAR GEBIED

De uitbating is niet gelegen in speciale beschermingszone, een VEN gebied of waterwingebied.

Volgende voorwaarden worden opgenomen als bijzondere voorwaarden in het besluit: 

  • Het hakselen van snoeiafval wordt beperkt tot 6 keer per jaar en is enkel toegestaan tussen 8u en 17u op weekdagen. De hakselactiviteiten dienen genoteerd te worden in een logboek dat ter inzage gehouden wordt van de toezichthouder.
  • Het werkplan dat dient opgesteld te worden in het kader van de verwerking van afvalstoffen dient eveneens een omschrijving te bevatten van de werkwijze inzake de aanvoer van uitgegraven bodem.
  • Met betrekking tot het exploiteren van de niet ingedeelde TOP (< 1.000 m³) dient de exploitant een register bij te houden met opgave van de aangevoerde gronden en de herkomst hiervan. Gronden dewelke niet voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 mogen niet aanvaard en opgeslagen worden op de site. De verplichtingen van de grondverzetsregeling (o.a. technisch verslag, bodemtraceerbaarheid) zijn van toepassing. Dit register wordt overgemaakt aan de omgevingsambtenaar op eenvoudig verzoek.
  • Binnen een termijn van 6 maanden na afleveren van de omgevingsvergunning wordt een controlemeting uitgevoerd worden door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen ter controle van het geproduceerde specifieke geluidsniveau van de hakselinstallatie (bewerking snoeihout) alsook zeven grond. Hierbij worden geluidsmetingen uitgevoerd t.h.v. de Vlarem-beoordelingspunten tijdens een representatieve werksituatie. Het rapport van deze controlemeting wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de dienst milieubeleid van de gemeente Zonhoven.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke vrijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf dient een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.2§2 van Vlarem II wordt een afwijking verleend met betrekking tot het plaatsen van een weegbrug.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§1 van Vlarem II wordt een afwijking verleend met betrekking tot het voorzien van het uithangbord.
  • Overeenkomstig artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II wordt een afwijking verleend mbt de meetgoot, mits een goed toegankelijke controleput aanwezig is waar een schepstaal genomen kan worden.
  • Overeenkomst artikel 5.2.1.5.§2  van Vlarem II wordt geen afwijking verleend mbt de 2 meter hoge afsluiting aan de achterzijde van het terrein door enkel het voorzien van een groenscherm dat niet afgesloten is gezien dit niet conform de voorwaarden is. 

AANGEVRAAGDE RUBRIEKEN

Volgende onderdelen uit het bedrijf dienen nog voorzien van een omgevingsvergunning :

  • 2.2.2.f)1° - Afvalstoffen - Opslag en mechanische behandeling van max. 100 ton snoeiafval (mechanische behandeling gebeurt steeds door een externe firma, met een externe mobiele breker van 555 kW en een mobiele trommelzeef van 72 kW
  • 3.4.2° Afvalwater - Lozen van bedrijfsafvalwater meer dan 2 m³/uur
  • 6.5.1° brandbare vloeistoffen - 2 verdeelslangen voor het verdelen van brandstoffen
  • 15.1.1° Stallen van voertuigen zijnde 13 stuks
  • 15.4.1° - Wasplaats (overdekt) voor het wassen van eigen voertuigen: max. 5 stuks per week
  • 17.3.2.1.1.1°b) Gevaarlijke stoffen – Opslag van 6,872 ton diesel voor bevoorraden voertuigen
  • 17.3.2.2.1° Gevaarlijke stoffen  - Opslag van 310 kg benzine (2 x 200 liter)
  • 17.4 Gevaarlijke stoffen - Opslag van max. 2.000 liter gevaarlijke producten in kleinverpakking

vergunningstermijnen

Het omgevingsproject vraagt een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.

Gelet op bovenstaande, kan dit gevolgd worden.  

ADVIES –VOORWAARDEN – DUUR:

Advies – voorwaarden:

Gelet op het onderzoek dat ingesteld werd door de gemeentelijke omgevingsambtenaar, gebaseerd op de gegevens die beschikbaar werden gesteld door de bedrijfsleiding binnen het omgevingsproject wordt volgende geadviseerd:

Volledig gunstig voor de aanvraag mits volgende voorwaarden worden opgelegd en nageleefd:

  • De van toepassing zijnde algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II.

Bijzondere voorwaarden:

  • Het hakselen van snoeiafval wordt beperkt tot 6 keer per jaar en is enkel toegestaan tussen 8u en 17u op weekdagen. De hakselactiviteiten dienen genoteerd te worden in een logboek dat ter inzage gehouden wordt van de toezichthouder.
  • De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.
  • Het werkplan dat dient opgesteld te worden in het kader van de verwerking van afvalstoffen dient eveneens een omschrijving te bevatten van de werkwijze inzake de aanvoer van uitgegraven bodem.
  • Met betrekking tot het exploiteren van de niet ingedeelde TOP (< 1.000 m³) dient de exploitant een register bij te houden met opgave van de aangevoerde gronden en de herkomst hiervan. Gronden dewelke niet voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 mogen niet aanvaard en opgeslagen worden op de site. De verplichtingen van de grondverzetsregeling (o.a. technisch verslag, bodemtraceerbaarheid) zijn van toepassing. Dit register wordt overgemaakt aan de omgevingsambtenaar op eenvoudig verzoek.
  • Binnen een termijn van 6 maanden na afleveren van de omgevingsvergunning wordt een controlemeting uitgevoerd worden door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen ter controle van het geproduceerde specifieke geluidsniveau van de hakselinstallatie (bewerking snoeihout) alsook zeven grond. Hierbij worden geluidsmetingen uitgevoerd t.h.v. de Vlarem-beoordelingspunten tijdens een representatieve werksituatie. Het rapport van deze controlemeting wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de dienst milieubeleid van de gemeente Zonhoven.
  • De overloop van de wadi wordt, na aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel op de Industrieweg, aangesloten op het RWA-gedeelte van het gescheiden stelsel. 
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke bijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf wordt een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.2§2 van Vlarem II wordt een afwijking verleend met betrekking tot het plaatsen van een weegbrug.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§1 van Vlarem II wordt een afwijking verleend met betrekking tot het voorzien van het uithangbord.
  • Overeenkomstig artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II wordt een afwijking verleend mbt de meetgoot, mits een goed toegankelijke monsternameput aanwezig is waaruit op eenvoudige wijze een schepstaal genomen kan worden.
  • Overeenkomst artikel 5.2.1.5.§2  van Vlarem II wordt geen afwijking verleend mbt de 2 meter hoge afsluiting aan de achterzijde van het terrein door enkel het voorzien van een groenscherm dat niet afgesloten is gezien dit niet conform de voorwaarden is.
  • De brandweervoorschriften van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg d.d. 09/08/2021 moeten nageleefd worden. Op het ogenblik van de beëindiging van de inrichtingswerken, dient de aanvrager de korpsbevelhebber van hulpverleningszone hiervan in te lichten, teneinde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandweervoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven.
  • Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid.  Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.  Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen. 

Aandachtspunten:

  • De fijne niet houtige fractie afkomstig van het breken en afzeven van het snoeihout is een afvalstof en moet worden afgevoerd naar een daarvoor vergunde verwerker.
  • In actie 12 van het uitvoeringsplan voor huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval worden de maximum termijn voor opslag groenafval bepaald. De opslagtermijn voor fijn tuinafval bedraagt maximum 1 week in de periode april-oktober en 1 maand in de periode november-maart, voor het grovere tuinafval zoals snoeihout is de termijn beperkt tot 2 maanden.
  • Het gebruik van snoeihout als bodembedekker (om onkruid te weren en verdroging te voorkomen) is enkel toegelaten als de kwaliteit van de biomassareststroom voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
    - Enkel gezond en zuiver snoeihout mag worden verhakseld. Fijn groenafval (gras, bladeren, haagscheersel, groen van coniferen) is niet toegelaten;
    - Het gebruik van mulchmateriaal uit houtafval (bouw- en sloophout, paletten …) is verboden;
    - De grofheid van het mulchmateriaal moet zich voor 90 % bevinden tussen 10 en 90 mm;
    - Het mulchmateriaal moet vrij zijn van geur en verontreinigingen;
    - De opslag van verhakseld snoeihout is beperkt tot 2 maanden na verhakseling.

Duur:

De vergunningsduur kan verleend worden voor onbepaalde duur.

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar en bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving mits het opleggen van voorwaarden. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf 

Voor volgende rubrieken:

  • 2.2.2.f)1° - Afvalstoffen - Opslag en mechanische behandeling van max. 100 ton snoeiafval (mechanische behandeling gebeurt steeds door een externe firma, met een externe mobiele breker van 555 kW en een mobiele trommelzeef van 72 kW
  • 3.4.2° Afvalwater - Lozen van bedrijfsafvalwater meer dan 2 m³/uur
  • 6.5.1° brandbare vloeistoffen - 2 verdeelslangen voor het verdelen van brandstoffen
  • 15.1.1° Stallen van voertuigen zijnde 13 stuks
  • 15.4.1° - Wasplaats (overdekt) voor het wassen van eigen voertuigen: max. 5 stuks per week
  • 17.3.2.1.1.1°b) Gevaarlijke stoffen – Opslag van 6,872 ton diesel voor bevoorraden voertuigen
  • 17.3.2.2.1° Gevaarlijke stoffen  - Opslag van 310 kg benzine (2 x 200 liter)
  • 17.4 Gevaarlijke stoffen - Opslag van max. 2.000 liter gevaarlijke producten in kleinverpakking

Voor volgende bijstellingen:

  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke bijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf dient een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten. 
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.2§2 van Vlarem II wordt een bijstelling verleend met betrekking tot het plaatsen van een weegbrug.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§1 van Vlarem II wordt een bijstelling verleend met betrekking tot het voorzien van het uithangbord.
  • Overeenkomstig artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II wordt een bijstelling voorwaardelijk verleend mbt de meetgoot, mits een goed toegankelijke monsternameput aanwezig is waaruit op eenvoudige wijze een schepstaal genomen kan worden.
  • Overeenkomst artikel 5.2.1.5.§2 van Vlarem II wordt geen bijstelling verleend mbt de 2 meter hoge afsluiting aan de achterzijde van het terrein door enkel het voorzien van een groenscherm dat niet afgesloten is gezien dit niet conform de voorwaarden is. 

mits voldaan wordt aan de opgelegde voorwaarden.
Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf,  zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

Voor volgende rubrieken:

  • 2.2.2.f)1° - Afvalstoffen - Opslag en mechanische behandeling van max. 100 ton snoeiafval (mechanische behandeling gebeurt steeds door een externe firma, met een externe mobiele breker van 555 kW en een mobiele trommelzeef van 72 kW
  • 3.4.2° Afvalwater - Lozen van bedrijfsafvalwater meer dan 2 m³/uur
  • 6.5.1° brandbare vloeistoffen - 2 verdeelslangen voor het verdelen van brandstoffen
  • 15.1.1° Stallen van voertuigen zijnde 13 stuks
  • 15.4.1° - Wasplaats (overdekt) voor het wassen van eigen voertuigen: max. 5 stuks per week
  • 17.3.2.1.1.1°b) Gevaarlijke stoffen – Opslag van 6,872 ton diesel voor bevoorraden voertuigen
  • 17.3.2.2.1° Gevaarlijke stoffen  - Opslag van 310 kg benzine (2 x 200 liter)
  • 17.4 Gevaarlijke stoffen - Opslag van max. 2.000 liter gevaarlijke producten in kleinverpakking

Voor volgende bijstellingen:

  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke bijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf dient een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.2§2 van Vlarem II wordt een bijstelling verleend met betrekking tot het plaatsen van een weegbrug.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§1 van Vlarem II wordt een bijstelling verleend met betrekking tot het voorzien van het uithangbord.
  • Overeenkomstig artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II wordt een bijstelling voorwaardelijk verleend mbt de meetgoot, mits een goed toegankelijke monsternameput aanwezig is waaruit op eenvoudige wijze een schepstaal genomen kan worden.
  • Overeenkomst artikel 5.2.1.5.§2 van Vlarem II wordt geen bijstelling verleend mbt de 2 meter hoge afsluiting aan de achterzijde van het terrein door enkel het voorzien van een groenscherm dat niet afgesloten is gezien dit niet conform de voorwaarden is.
  • De brandweervoorschriften van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg d.d. 09/08/2021 moeten nageleefd worden. Op het ogenblik van de beëindiging van de inrichtingswerken, dient de aanvrager de korpsbevelhebber van hulpverleningszone hiervan in te lichten, teneinde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandweervoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven.

Opgelegde voorwaarden:

  1. Milieu
    De algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II.
    Bijzondere voorwaarden:
    - Het hakselen van snoeiafval wordt beperkt tot 6 keer per jaar en is enkel toegestaan tussen 8u en 17u op weekdagen. De hakselactiviteiten dienen genoteerd te worden in een logboek dat ter inzage gehouden wordt van de toezichthouder.
    - De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.
    - Het werkplan dat dient opgesteld te worden in het kader van de verwerking van afvalstoffen dient eveneens een omschrijving te bevatten van de werkwijze inzake de aanvoer van uitgegraven bodem.
    - Met betrekking tot het exploiteren van de niet ingedeelde TOP (< 1.000 m³) dient de exploitant een register bij te houden met opgave van de aangevoerde gronden en de herkomst hiervan. Gronden dewelke niet voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 mogen niet aanvaard en opgeslagen worden op de site. De verplichtingen van de grondverzetsregeling (o.a. technisch verslag, bodemtraceerbaarheid) zijn van toepassing. Dit register wordt overgemaakt aan de omgevingsambtenaar op eenvoudig verzoek.
    - Binnen een termijn van 6 maanden na afleveren van de omgevingsvergunning wordt een controlemeting uitgevoerd worden door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen ter controle van het geproduceerde specifieke geluidsniveau van de hakselinstallatie (bewerking snoeihout) alsook zeven grond. Hierbij worden geluidsmetingen uitgevoerd t.h.v. de Vlarem-beoordelingspunten tijdens een representatieve werksituatie. Het rapport van deze controlemeting wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de dienst milieubeleid van de gemeente Zonhoven.
    - De overloop van de wadi wordt, na aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel op de Industrieweg, aangesloten op het RWA-gedeelte van het gescheiden stelsel.
    - Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke bijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf wordt een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten.
    - Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan. Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.
    Aandachtspunten:
    - De fijne niet houtige fractie afkomstig van het breken en afzeven van het snoeihout is een afvalstof en moet worden afgevoerd naar een daarvoor vergunde verwerker.
    - In actie 12 van het uitvoeringsplan voor huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval worden de maximum termijn voor opslag groenafval bepaald. De opslagtermijn voor fijn tuinafval bedraagt maximum 1 week in de periode april-oktober en 1 maand in de periode november-maart, voor het grovere tuinafval zoals snoeihout is de termijn beperkt tot 2 maanden.
    - Het gebruik van snoeihout als bodembedekker (om onkruid te weren en verdroging te voorkomen) is enkel toegelaten als de kwaliteit van de biomassareststroom voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
    - Enkel gezond en zuiver snoeihout mag worden verhakseld. Fijn groenafval (gras, bladeren, haagscheersel, groen van coniferen) is niet toegelaten;
    - Het gebruik van mulchmateriaal uit houtafval (bouw- en sloophout, paletten …) is verboden;
    - De grofheid van het mulchmateriaal moet zich voor 90 % bevinden tussen 10 en 90 mm;
    - Het mulchmateriaal moet vrij zijn van geur en verontreinigingen;
    - De opslag van verhakseld snoeihout is beperkt tot 2 maanden na verhakseling.
  2. De aanleg van verhardingen op het terrein dient als volgt aangepast te worden:
    - De brandweg van 5m breed aan de rechterzijde van het gebouw dient aangelegd te worden in gefundeerd gras (grindgazon); ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein dient een (lage) overrijdbare haag voorzien te worden;
    - De verlichtingspaal wordt naar links verplaatst (dus niet naar de rechterzijde zoals aangegeven op plan) waarbij een rechte insteek voor de brandweg behouden blijft. De kosten voor het verplaatsen van de verlichtingspaal zijn ten laste van de aanvrager;
    - De 3 parkeerplaatsen voor bezoekers dienen aan de rechterzijde van de hoofdinrit aangelegd te worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers;
    - De parking aan de linkerzijde van de hoofdinrit dient 1m naar achter aangelegd te worden zodat een groenscherm aan de straatzijde kan aangeplant worden;
    - De fietsenstalling in openlucht (5mx2,5m) mag behouden blijven zoals voorzien op plan, bereikbaar via het toegangspad naar het kantoorgebouw;
    - Behoudens de toegelaten verhardingen dient de voortuinzone volledig voorzien van een beplanting met hagen, struiken, siergrassen of andere streekeigen lage beplantingen, mogelijk aangevuld met kleinere bomen;
    - De aanwezige verharding in de wegberm tussen de hoofdinrit en inrit brandweg dient verwijderd en de berm dient hersteld tot grasberm;
  3. De voorwaarden en opmerkingen van de adviesverleners dienen strikt nageleefd te worden teneinde hinder naar de omgeving toe te vermijden en te voldoen aan de regelgeving.
    Riolering:
  4. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  5. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  6. Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  7. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 6 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  8. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  9. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  10. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m; 
  11. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  12. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer. Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  13. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  14. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
  15. Voor de aanvang van de werken dient een staat van bevinding opgemaakt van het openbaar domein. Deze staat van bevinding dient aangevraagd te worden bij de gemeentelijke dienst openbare werken. Alle kosten ten gevolge van schade aan het openbaar domein, voortvloeiend uit de werken op privaat terrein zijn ten laste van de aanvrager;

Alvorens een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen dient bewezen te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de reeds afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen / omgevingsvergunningen.

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

De bezwaarindieners worden op de hoogte gebracht van de beslissing van het schepencollege.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaren van 07/12/2021 omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het bouwen van een opslagloods, inrichting van het terrein met verhardingen, opslag van grond en grondstoffen, wateropvangvoorzieningen en het exploiteren van het bedrijf, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Voor volgende rubrieken:

  • 2.2.2.f)1° - Afvalstoffen - Opslag en mechanische behandeling van max. 100 ton snoeiafval (mechanische behandeling gebeurt steeds door een externe firma, met een externe mobiele breker van 555 kW en een mobiele trommelzeef van 72 kW
  • 3.4.2° Afvalwater - Lozen van bedrijfsafvalwater meer dan 2 m³/uur
  • 6.5.1° brandbare vloeistoffen - 2 verdeelslangen voor het verdelen van brandstoffen
  • 15.1.1° Stallen van voertuigen zijnde 13 stuks
  • 15.4.1° - Wasplaats (overdekt) voor het wassen van eigen voertuigen: max. 5 stuks per week
  • 17.3.2.1.1.1°b) Gevaarlijke stoffen – Opslag van 6,872 ton diesel voor bevoorraden voertuigen
  • 17.3.2.2.1° Gevaarlijke stoffen  - Opslag van 310 kg benzine (2 x 200 liter)
  • 17.4 Gevaarlijke stoffen - Opslag van max. 2.000 liter gevaarlijke producten in kleinverpakking

Voor volgende bijstellingen:

  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke bijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf wordt een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.2§2 van Vlarem II wordt een bijstelling verleend met betrekking tot het plaatsen van een weegbrug.
  • Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§1 van Vlarem II wordt een bijstelling verleend met betrekking tot het voorzien van het uithangbord.
  • Overeenkomstig artikel 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II wordt een bijstelling voorwaardelijk verleend mbt de meetgoot, mits een goed toegankelijke monsternameput aanwezig is waaruit op eenvoudige wijze een schepstaal genomen kan worden.
  • Overeenkomst artikel 5.2.1.5.§2 van Vlarem II wordt geen bijstelling verleend mbt de 2 meter hoge afsluiting aan de achterzijde van het terrein door enkel het voorzien van een groenscherm dat niet afgesloten is gezien dit niet conform de voorwaarden is. 

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

Opgelegde voorwaarden:

  1. Milieu
    De algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II.
    Bijzondere voorwaarden:
    - Het hakselen van snoeiafval wordt beperkt tot 6 keer per jaar en is enkel toegestaan tussen 8u en 17u op weekdagen. De hakselactiviteiten dienen genoteerd te worden in een logboek dat ter inzage gehouden wordt van de toezichthouder.
    - De aanvoer van de afvalstoffen is enkel toegelaten tussen 7u en 19u conform artikel 5.2.1.2§3 van titel II van het Vlarem.
    - Het werkplan dat dient opgesteld te worden in het kader van de verwerking van afvalstoffen dient eveneens een omschrijving te bevatten van de werkwijze inzake de aanvoer van uitgegraven bodem.
    - Met betrekking tot het exploiteren van de niet ingedeelde TOP (< 1.000 m³) dient de exploitant een register bij te houden met opgave van de aangevoerde gronden en de herkomst hiervan. Gronden dewelke niet voldoen aan de bepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en het VLAREBO-besluit van 14 december 2007 mogen niet aanvaard en opgeslagen worden op de site. De verplichtingen van de grondverzetsregeling (o.a. technisch verslag, bodemtraceerbaarheid) zijn van toepassing. Dit register wordt overgemaakt aan de omgevingsambtenaar op eenvoudig verzoek.
    - Binnen een termijn van 6 maanden na afleveren van de omgevingsvergunning wordt een controlemeting uitgevoerd worden door een erkend deskundige in de discipline geluid en trillingen ter controle van het geproduceerde specifieke geluidsniveau van de hakselinstallatie (bewerking snoeihout) alsook zeven grond. Hierbij worden geluidsmetingen uitgevoerd t.h.v. de Vlarem-beoordelingspunten tijdens een representatieve werksituatie. Het rapport van deze controlemeting wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de dienst milieubeleid van de gemeente Zonhoven.
    - De overloop van de wadi wordt, na aanleg van een gescheiden rioleringsstelsel op de Industrieweg, aangesloten op het RWA-gedeelte van het gescheiden stelsel.
    - Overeenkomstig artikel 5.2.1.5§5 van Vlarem ll wordt een gedeeltelijke bijstelling verleend van de verplichting tot de aanleg van een groenscherm van minstens 5 meter breedte, in die zin dat het groenscherm moet aangelegd worden zoals weergegeven op het grondplan. Aan de voorzijde van het bedrijf wordt een lage beplanting voorzien haag/struikgewas muv de inritten.
    - Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid. Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan. Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen.
    Aandachtspunten:
    - De fijne niet houtige fractie afkomstig van het breken en afzeven van het snoeihout is een afvalstof en moet worden afgevoerd naar een daarvoor vergunde verwerker.
    - In actie 12 van het uitvoeringsplan voor huishoudelijk en gelijkaardig bedrijfsafval worden de maximum termijn voor opslag groenafval bepaald. De opslagtermijn voor fijn tuinafval bedraagt maximum 1 week in de periode april-oktober en 1 maand in de periode november-maart, voor het grovere tuinafval zoals snoeihout is de termijn beperkt tot 2 maanden.
    - Het gebruik van snoeihout als bodembedekker (om onkruid te weren en verdroging te voorkomen) is enkel toegelaten als de kwaliteit van de biomassareststroom voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
    - Enkel gezond en zuiver snoeihout mag worden verhakseld. Fijn groenafval (gras, bladeren, haagscheersel, groen van coniferen) is niet toegelaten;
    - Het gebruik van mulchmateriaal uit houtafval (bouw- en sloophout, paletten …) is verboden;
    - De grofheid van het mulchmateriaal moet zich voor 90 % bevinden tussen 10 en 90 mm;
    - Het mulchmateriaal moet vrij zijn van geur en verontreinigingen;
    - De opslag van verhakseld snoeihout is beperkt tot 2 maanden na verhakseling.
  2. De aanleg van verhardingen op het terrein dient als volgt aangepast te worden:
    - De brandweg van 5m breed aan de rechterzijde van het gebouw dient aangelegd te worden in gefundeerd gras (grindgazon); ter hoogte van de aansluiting met het openbaar domein dient een (lage) overrijdbare haag voorzien te worden;
    - De verlichtingspaal wordt naar links verplaatst (dus niet naar de rechterzijde zoals aangegeven op plan) waarbij een rechte insteek voor de brandweg behouden blijft. De kosten voor het verplaatsen van de verlichtingspaal zijn ten laste van de aanvrager;
    - De 3 parkeerplaatsen voor bezoekers dienen aan de rechterzijde van de hoofdinrit aangelegd te worden, dit in waterdoorlatende of waterpasserende klinkers;
    - De parking aan de linkerzijde van de hoofdinrit dient 1m naar achter aangelegd te worden zodat een groenscherm aan de straatzijde kan aangeplant worden;
    - De fietsenstalling in openlucht (5mx2,5m) mag behouden blijven zoals voorzien op plan, bereikbaar via het toegangspad naar het kantoorgebouw;
    - Behoudens de toegelaten verhardingen dient de voortuinzone volledig voorzien van een beplanting met hagen, struiken, siergrassen of andere streekeigen lage beplantingen, mogelijk aangevuld met kleinere bomen;
    - De aanwezige verharding in de wegberm tussen de hoofdinrit en inrit brandweg dient verwijderd en de berm dient hersteld tot grasberm;
  3. De voorwaarden en opmerkingen van de adviesverleners dienen strikt nageleefd te worden teneinde hinder naar de omgeving toe te vermijden en te voldoen aan de regelgeving.
    Riolering:
  4. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  5. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  6. Aangezien er geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  7. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 6 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  8. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  9. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
    Andere voorwaarden:
  10. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m; 
  11. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  12. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer. Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  13. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  14. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
  15. Voor de aanvang van de werken dient een staat van bevinding opgemaakt van het openbaar domein. Deze staat van bevinding dient aangevraagd te worden bij de gemeentelijke dienst openbare werken. Alle kosten ten gevolge van schade aan het openbaar domein, voortvloeiend uit de werken op privaat terrein zijn ten laste van de aanvrager;

Alvorens een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen dient bewezen te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de reeds afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen / omgevingsvergunningen.

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

De bezwaarindieners worden op de hoogte gebracht van de beslissing van het schepencollege.

19.

2021_CBS_01343 - OMV - Tijdelijke vergunning - Moverkensstraat 6 - 2021/00255 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
19.

2021_CBS_01343 - OMV - Tijdelijke vergunning - Moverkensstraat 6 - 2021/00255 - Goedkeuring

2021_CBS_01343 - OMV - Tijdelijke vergunning - Moverkensstraat 6 - 2021/00255 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het plaatsen van een zorgunit.

De aanvraag werd op 20 augustus 2021 ontvangen en op 9 augustus 2021 ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden.

De eigenaars van de aanpalende percelen werden verzocht hun standpunt kenbaar te maken.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 19 september 2021 tot en met 18 oktober 2021.

Het openbaar onderzoek werd gesloten zonder bezwaarschriften.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

Op 6 december 1967 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een woonhuis.  (1967/00206)

Op 13 mei 1969 werd een weigering van de verkaveling afgeleverd.  (7203.V.280)

Op 19 mei 1969 werd een verkavelingsvergunning afgeleverd voor het verkavelen van de percelen in 5 loten.   (7204.V.240)

Op 17 oktober werd een gedeeltelijke weigering van een verkavelingswijziging afgeleverd door college van burgemeester en schepenen. De aanvrager ging in beroep bij de deputatie tegen deze beslissing. De deputatie besliste op 17 januari 1980 dat het beroep werd ingewilligd. Bijgevolg werd een vergunning voor het wijzigen van de verkavelingsvergunning afgeleverd voor het wijzigen van de perceelgrens tussen lot 4 en lot 5 en voor het bouwen van een opslagplaats in hout van 11m x 25m.  (7204.V.240\02)

Op 14 april 1980 werd een vergunning afgeleverd voor het bouwen van een opslagplaats.  (1980/00051)

Op 27 maart 1995 werd een weigering afgeleverd voor de regularisatie van een uitbreiding van een opslagplaats voor hout.  (1995/07169)

Op 26 maart 2001 werd een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor het bouwen van een veranda.  (2001/08609)

Op 30 juni 2003 werd een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor de afbraak van een houtopslagplaats en het herstellen van de plaats in zijn oorspronkelijke staat.  (2003/09286)

Op 2 februari 2016 werd een vergunning afgeleverd voor het kappen van 1 den en 1 spar.  (2015/00190)

De aanvraag werd in juli 2021 in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie, nl.:

(2020/00146)

“Wij merken dat de omgevingsaanvraag voor deze zorgwoning reeds ingediend werd op 14/07/2021. (Dossier 2021/00222 - OMV_2021115258)

Toch willen wij u alsnog volgende opmerkingen overmaken.

Achtergrondgegevens:

Locatie links van woning Moverkensstraat 6 -  op perceel 1ste afdeling, sectie B, nr. 949E2
Gewestplan: 1ste deel woongebied met landelijk karakter. Daarna woonuitbreidingsgebied.

Geen BPA of RUP, niet in regionaal stedelijk gebied.

Wel verkaveling 7204.V.240 - lot 5 (ouder dan 15 jaar - voorschriften richtinggevend)

Gezien de verkavelingsvergunning ouder is dan 15 jaar dienen aanvragen getoetst te worden aan de goede ruimtelijke ordening (afwijkingen op de voorschriften geven aanleiding tot een openbaar onderzoek, maar kunnen geen reden tot weigering vormen).

Locatie:

Wij willen in dit specifieke geval meegaan met de voorziene locatie van de zorgwoning op het naastgelegen aangrenzende perceel. De zorgunit dient echter verder naar achter verschoven te worden. Ze moet zo weinig mogelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. In principe zou deze zelfs achter de (toekomstige) achtergevellijn ingeplant worden. Doch willen we in dit specifieke geval hieraan tegemoet komen en de constructie gedeeltelijk in de bebouwbare zone van het perceel te laten oprichten. De unit zal dus wel nog verschillende meters naar achter moeten verschuiven.

Kroonlijsthoogte:

We kunnen niet akkoord gaan over de hoogte van 3m75. Dit dient beperkt te blijven tot maximum 3,5m.

Toegang tot perceel/percelen:

Er is slechts 1 inrit op beide percelen mogelijk. Dat is de bestaande inrit bij de woning.

De aanwezige aardeweg moet verwijderd worden.

Er mag geen bijkomende verharding meer voorzien worden dan de zorgunit, zijn beperkte terras en een toegangspad aan de achterzijde tussen de woning en unit in.

Parkeergelegenheid:

De parkeerplaats i.f.v. de zorgwoning moet gekoppeld worden aan de inrit van de woning. Dit moet dus op het perceel van de bestaande woning voorzien worden, bij voorkeur de bestaande parkeergelegenheid die daar reeds aanwezig is benutten.

Bestaand bijgebouw bij de woning:

Op het perceel van de woning staat in het woonuitbreidingsgebied een onvergund bijgebouw. Dit is niet vergunbaar. Binnen een aanvraag voor een zorgwoning willen we deze niet bestendigen maar we gaan de aanvraag hierop niet tegenhouden. Bij overige stedenbouwkundige ingrepen zal dat wel gebeuren.

Constructies op achterliggend gebied:

De aardeweg op het onbebouwde perceel (welke verwijderd moet worden) leidt naar een reeks gebouwen en gestalde materialen gelegen op het achterliggende woonuitbreidingsgebied. Dit is een onvergunde en niet vergunbare situatie. Dit moet opgeruimd worden vooraleer we de zorgfunctie kunnen vergunnen.

Hulpbehoevendheid:

De persoon in kwestie waarvoor deze ingreep uitgevoerd wordt zal een verminderde zelfredzaamheid moeten hebben en de persoon van de ene wooneenheid (ondergeschikte dan wel hoofdwooneenheid) moet taken op zich nemen om die te ondervangen, zodat de persoon in kwestie in een thuismilieu kan verblijven.

Aan deze criteria moet minstens voldaan zijn.

Dit kan enkel kaderen in een zorgbehoevendheid met betrekking tot de zorg- en welzijnssector en dus niet bijvoorbeeld een loutere financiële behoevendheid.

Dit moet ontegensprekelijk blijken uit het dossier.

Nutsvoorzieningen:

Gegevens rond aansluiting op de nutsvoorzieningen van de bestaande woning ontbreken (info stopt aan de perceelsgrens). De wijze van opbouw en verwijdering en de wijze van fundering moet duidelijk blijken uit de plannen die bij de omgevingsvergunningsaanvraag worden ingediend.

Het is niet toegestaan om afzonderlijke nutsvoorzieningen en/of afvoeren te voorzien voor de tijdelijke zorgunit.

Alle noodzakelijke nutsvoorzieningen dienen aan te takken op de bestaande nutsvoorzieningen van de hoofdwoning en de afvoer van het hemel- en afvalwater dient aan te sluiten op de bestaande respectievelijke hemelwaterafvoer en riolering van de hoofdwoning.

De tijdelijke zorgunit dient te voldoen aan de verordening van hemelwater.
Het is beter van een wadi te voorzien i.p.v. een infiltratieput (gezien zoiets niet tijdelijk is).
 Alle ingrepen in functie van de nutsvoorzieningen moeten zoveel mogelijk op het perceel van de woning voorzien worden (ook de wadi).

Materiaalkeuze:

Uit de beschikbare gegevens lijkt er een minderwaardig materiaal te worden gebruikt (pvc planken beige).

De tijdelijke zorgunit, hoewel het om een tijdelijke/verplaatsbare constructie gaat, dient opgetrokken te worden in duurzame en esthetische materialen en in een kwalitatieve architectuur. Indien de materiaalkeuze vergelijkbaar is met een 'woonwagen' kan hier niet mee akkoord gegaan worden.

Indienen dossier:

De zorgwoning wordt niet beschouwd als een eengezinswoning. Ze maakt deel uit van het geheel (woning + zorgfunctie). Dit is geen alleenstaande functie maar blijft steeds gekoppeld aan de reeds bestaande hoofdfunctie.”

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg / advies.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.

Uit het aanvraagdossier / de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag constructies en/ of handelingen werden opgericht/ verricht/ aanwezig zijn, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft het bijgebouw achteraan op het reeds bebouwde perceel en een niet-vergunde inrit op perceel 952F46 zal verwijderd worden.

Het bijgebouw werd niet opgenomen in de huidige aanvraag.  De niet-vergunde inrit op perceel 952F46 zal verwijderd worden.

Milieu

Volgende ARAB / milieuvergunningen / meldingen werden afgeleverd op volgende percelen:

  • Schrijnwerkerij – houtbewerking (752.2-8)

Het perceel is wel opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 19 september 2021 tot en met 18 oktober 2021.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Geen adviezen vereist.

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels in woonuitbreidingsgebied.

De voorgestelde werken bevinden zich volledig in het woongebied met landelijk karakter.

De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd “voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Zowel bewoning als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied, en beide bestemmingen staan er op gelijke voet. Daarnaast kunnen eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten, zoals in woongebied worden toegelaten (artikel 6 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

Verkaveling

Het goed is gekend als lot 5 binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde verkaveling, waarvan de vergunning is afgeleverd op 19 mei 1969 door het college van burgemeester en schepenen.   (7204.V.240)

De verkavelingsvergunning is voor dit perceel niet vervallen.

De kavel kreeg als bestemming residentieel gebruik en/of handelshuis.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften maar niet aan de verkavelingsvoorschriften.

Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de bepalingen zoals voorgeschreven in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd door het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (zgn. Codextrein).

De Codextrein voorziet wijzigingen met als doel het verruimen van de mogelijkheden om ruimtelijk rendement te optimaliseren en het versoepelen van procedures.

Artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat de onverenigbaarheid van de aanvraag met de verkavelingsvoorschriften, binnen de omschrijving van een goedgekeurde en niet vervallen verkavelingen, ouder dan 15 jaar, niet langer een weigeringsgrond vormt voor de aanvraag.

Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft voorschriften betreffende wegenis en openbaar groen.

De aanvraag betreft geen van deze elementen en kan dus niet geweigerd worden op basis van onverenigbaarheid met de voorschriften.

Tenslotte dient de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening (zie “Toetsing aan de goede ruimtelijke ordening”).

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw op te richten zorg-unit met een horizontale dakoppervlakte van 44m² een infiltratievoorziening wordt aangelegd met een inhoud van 1 500 liter en een oppervlakte van 5,2m², conform de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

De riolering van de zorgunit wordt aangesloten op het rioleringsstelsel van de woning Moverkensstraat 6.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceelsoppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hier  niet aan.  Er zal als voorwaarde worden opgenomen dat voldaan moet worden aan het decreet betreffende optische rookmelders.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving mits voldaan wordt aan het decreet betreffende optische rookmelders.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het plaatsen van een zorgunit.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel van de aanvraag is gelegen langs de Moverkensstraat, een gemeenteweg.

Omschrijving van de aanvraag

De aanvraag omvat het plaatsen van een zorgunit.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De zorgunit wordt geplaatst met het oog op het huisvesten van de zorgverlener.  De zorgbehoevende personen, ouder dan 65 jaar, zijn gehuisvest in de woning Moverkensstraat 6.   Een dergelijk zorgunit is functioneel inpasbaar in de omgeving.

Mobiliteitsimpact

Er worden geen bijkomende parkeerplaatsen aangelegd gezien de verkeersgeneratie beperkt is voor het plaatsen van een zorgunit.   Het parkeren wordt geheel opgevangen op de bestaande inrit van de naastliggende woning, Moverkensstraat 6.

De niet-vergunde inrit op perceel 952F46 zal verwijderd worden.

De impact op de mobiliteit is bijgevolg beperkt.

Aftoetsing BGO

De aanvraag omvat het plaatsen van een zorgunit. De aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden van art. 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), waardoor de aanvraag niet meldingsplichtig maar vergunningsplichtig is.

De gemeente Zonhoven heeft een Beleidsmatig Gewenste Ontwikkeling (BGO) opgesteld met richtlijnen over de plaatsing van vergunningsplichtige tijdelijke zorgunits. De herziening hiervan werd goedgekeurd door de Gemeenteraad d.d. 13/09/2021. Deze richtlijnen vormen een aftoetsing aan de goede ruimtelijke ordening.

De aanvraag wordt, op vlak van inplanting, volume, …, verder afgetoetst aan de richtlijnen uit dit BGO:

De aanvrager wenst een zorgunit te plaatsen voor het huisvesten van een zorgverlener.

Uit bijgevoegde gegevens blijkt dat in de woning, gelegen te Moverkensstraat 6, het naastliggende perceel (rechts), 2 personen ouder dan 65 jaar gehuisvest worden.

Gezien de zorgunit een tijdelijk karakter heeft wordt de vergunning voor een bepaalde duur afgeleverd, meer bepaald voor een termijn van 10 jaar.

Met uitzondering van de afwijking voor de inplanting op het aanpalend perceel, wordt er voldaan aan alle richtlijnen uit de BGO:

Inplanting

De zorgunit, met een oppervlakte van 44m² (11m x 4m) wordt ingeplant op het perceel 952F46, op minimum 2m van de rechter perceelgrens.

Conform de BGO aangaande tijdelijke zorgunits in de tuin dient de zorgunit opgericht te worden op hetzelfde perceel als de hoofdwoning.  Aan deze voorwaarde voldoet de huidige aanvraag niet.  Gezien het om een onbebouwd perceel gaat, dat grenst aan dat van de zorgbehoevenden, en de constructie wordt opgericht in de bebouwbare zone van het perceel kan uitzonderlijk akkoord gegaan worden met de voorgestelde inplanting.  Door de zorgunit in te planten binnen de bebouwbare zone kan het perceel pas effectief bebouwd worden na het verwijderen van de zorgunit.

Constructie

De zorgunit betreft een eenvoudig op te richten en te verwijderen constructie, die op eenvoudige wijze steunt op de grond.

Materiaalgebruik

De gevels worden afgewerkt met hout en de dakbedekking is voorzien in antracietkleurige dakpannen.

Gezien uit de aanvraag niet blijkt welke houtsoort gebruikt zal worden, wordt als bemerking meegegeven dat er best gekozen wordt voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).

Oppervlakte

De zorgunit, met een oppervlakte van 44m² (11m x 4m).

Aan de linkerzijde van de zorgunit wordt een terras aangelegd met een oppervlakte van 15m².  Hierdoor beschikt de zorgunit over een kwalitatieve private buitenruimte.

Door de oppervlakte van het terras te beperken blijft de totale bebouwbare (44m²) en verharde oppervlakte (15m²) beperkt tot minder dan 60m² en dus tot minder dan de maximum toegestane oppervlakte (bebouwde + verharde) voor zorgunits volgens de BGO.

Hoogte

De kroonlijsthoogte is gelegen op 2,99m en de nokhoogte op 3,50m ten opzichte van het maaiveld.

Tuinzone

Uitgezonderd het terras van 15m² en een beperkt toegangspad naar de woning Moverkensstraat 6 worden geen bijkomende verhardingen aangelegd. Het nieuwe toegangspad sluit aan op een bestaand tuinpad van de hoofdwoning.

De niet-vergunde inrit op perceel 952F46 zal verwijderd worden en de bestaande bomen en groenaanplanting blijven behouden.

De aanvraag omvat geen wijziging van het bestaande terreinprofiel. Bijgevolg kan er van uit gegaan worden dat het bestaande terreinniveau ongewijzigd en dus behouden blijft.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

BESPREKING ADVIEZEN

Er werden geen adviezen opgevraagd.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.

Volgende bemerking wordt meegegeven: er wordt best gekozen voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving.

De aanvraag is vatbaar voor een tijdelijke omgevingsvergunning mits het opleggen van voorwaarden.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het plaatsen van een tijdelijke zorgunit voor 10 jaar zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. Bij stopzetting van de zorgrelatie moet dit schriftelijk gemeld worden aan de dienst bevolking.
  2. De tijdelijke zorgunit dient binnen de 3 maanden na het tijdstip van het beëindigen van de zorgrelatie verwijderd te worden, alsook voor het einde van de vergunning.  Het perceel dient hierbij in de oorspronkelijke (vergunde) staat worden hersteld.
  3. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be);
  4. Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
  5. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  6. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  7. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Volgende bemerking wordt meegegeven: er wordt best gekozen voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en het afleveren van een tijdelijke omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een tijdelijke omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het plaatsen van een tijdelijke zorgunit voor 10 jaar zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het plaatsen van een tijdelijke zorgunit voor 10 jaar zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. Bij stopzetting van de zorgrelatie moet dit schriftelijk gemeld worden aan de dienst bevolking.
  2. De tijdelijke zorgunit dient binnen de 3 maanden na het tijdstip van het beëindigen van de zorgrelatie verwijderd te worden, alsook voor het einde van de vergunning.  Het perceel dient hierbij in de oorspronkelijke (vergunde) staat worden hersteld.
  3. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be);
  4. Er dient voldaan te worden aan het decreet optische rookmelders. De vereiste rookmelders moeten aangebracht worden conform het decreet van 1 juni 2012 houdende de beveiliging van woningen door optische rookmelders en de "richtlijnen voor de aankoop en plaatsing van rookmelders in Vlaanderen" van 26 oktober 2012 van Wonen Vlaanderen en zijn latere wijzigingen;
  5. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  6. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  7. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Volgende bemerking wordt meegegeven: er wordt best gekozen voor een lokale (Europese) houtsoort uit duurzaam beheerde bossen (aangetoond met label).

20.

2021_CBS_01344 - OMV - Tweede hoorzitting Provinciale Omgevingsvergunningscommissie (POVC) - Heuvenstraat, Lieve Baetenplein en Drie Pistolenpad - 2020/00296 - Kennisneming

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
20.

2021_CBS_01344 - OMV - Tweede hoorzitting Provinciale Omgevingsvergunningscommissie (POVC) - Heuvenstraat, Lieve Baetenplein en Drie Pistolenpad - 2020/00296 - Kennisneming

2021_CBS_01344 - OMV - Tweede hoorzitting Provinciale Omgevingsvergunningscommissie (POVC) - Heuvenstraat, Lieve Baetenplein en Drie Pistolenpad - 2020/00296 - Kennisneming

Motivering

Feiten context en argumentatie

Aanvraag van de heer Bart Tans wonende te Leuvensesteenweg 1188 te 1200 Sint-Lambrechts-Woluwe, de heer Jeroen Van Neck wonende te Havermarkt 45 te 3500 Hasselt en de heer Steven Adams wonende te Lammerdries 12 te 2440 Geel, tot het slopen van de bestaande bebouwing en het bouwen van 68 appartementen, meerdere handelszaken, een politiecommissariaat, een polyvalente zaal en de aanleg van een nieuwe gemeenteweg, gelegen aan Heuvenstraat, Lieve Baetenplein en Drie Pistolenpad,

De deputatie, de provinciale omgevingsambtenaar of een persoon die de deputatie of de provinciale omgevingsambtenaar gemachtigd heeft vraagt het advies van de POVC over vergunningsaanvragen voor projecten of voor veranderingen aan projecten die de gewone vergunningsprocedure doorlopen en die beantwoorden aan een van de volgende voorwaarden :
1° de deputatie is de in eerste administratieve aanleg bevoegde overheid en de aanvraag beantwoordt aan een van de volgende voorwaarden :
a) het gaat om een aanvraag van een vergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de eerste klasse;
b) een project-MER is opgesteld of een ontheffing van de rapportageverplichting is verkregen;
c) de opmaak van een mobiliteitsstudie is vereist;
d) minstens vijf adviezen als vermeld in artikel 35, 37, 38/1 en 38/3 moeten worden ingewonnen, de adviezen van de afdeling RO, van de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, en van de ASTRID-veiligheidscommissie, vermeld in artikel 35, § 17, niet inbegrepen;
e) het gaat om een aanvraag met betrekking tot kleinhandelsactiviteiten met een netto handelsoppervlakte van meer dan 20.000 vierkante meter;
2° het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen, waarbij de POVC de vergunningsaanvraag in eerste administratieve aanleg conform het eerste lid moest adviseren;
 3° het gaat om een beroep tegen een beslissing van het college van burgemeester en schepenen over een vergunningsaanvraag voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de tweede klasse.

Het dossier staat geagendeerd om te bespreken op de vergadering van de Provinciale Omgevingsvergunningscommissie (POVC) van maandag 20 december 2021.

Omwille van de corona-crisis vergadert de POVC digitaal via Microsoft Teams. De voorzitter van de POVC heeft beslist om de hoorzittingen in principe alleen schriftelijk te houden. 

Indien we wensen gehoord te worden, moeten we uiterlijk op woensdagavond 15 december 2021 onze input opladen op het Omgevingsloket (via de actie ‘verstuur een bericht’ naar de POVC Limburg, gemeente en alle adviserende diensten).
Indien we niet akkoord gaan met een schriftelijke hoorzitting en toch willen deelnemen aan de video-vergadering, moeten we dit laten weten vóór vrijdag 10 december 2021 via povc@limburg.be en daarbij de e-mailadressen van maximum 2 personen opgeven die wensen deel te nemen aan de vergadering. Deze personen zullen dan de vergaderlink ontvangen met meer instructies.
Ann Biesmans (diensthoofd Vergunningen en handhaving) en Michael Vanderhoydonk (afdelingshoofd Planning en vergunningen) wensen deel te nemen aan de video-vergadering. 

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen wenst een input op te laden voor  de schriftelijke hoorzitting en wenst met 2 personen deel te  nemen aan de video-vergadering van 20 december 2021.

21.

2021_CBS_01345 - Proefopstelling bijkomende verkeerssignalisatie parking Zonnewijzer - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
21.

2021_CBS_01345 - Proefopstelling bijkomende verkeerssignalisatie parking Zonnewijzer - Goedkeuring

2021_CBS_01345 - Proefopstelling bijkomende verkeerssignalisatie parking Zonnewijzer - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Bij het begin en einde van de schooldag is de parking van de Zonnewijzer t.h.v. de ovonde langs de Dorpsstraat overvol. Gevolg is dubbel parkeren, parkeren langs de rijweg, kriskras bewegingen van kinderen en ouders tussen auto's, en gevaarlijke situaties bij de inrit en uitrit t.h.v. de ovonde.

Dit geeft een gevoel van onveiligheid. Om deze situatie aan te pakken vraagt de directie en het oudercomité van de Zonnewijzer een parkeerverbod in te voeren langs de rijweg (uitrit) die grenst aan de Sprinkwaterstraat. Om de afhandeling van de voetgangers bij het begin en einde van de schooldag beter te organiseren, zijn bijkomend twee oversteekplaatsen aan twee uitgangen t.h.v. de Sprinkwaterstraat gevraagd. De dienst mobiliteit en de wijkdienst LRH zijn akkoord deze bijkomende signalisatie als proefopstelling te plaatsen en te evalueren.

Na een positieve evaluatie zal er een definitieve herinrichting zijn in duurzame uitvoering die voldoet aan de aanbevelingen voor oversteekplaatsen. De directie en het oudercomité communiceren hierover met de ouders en engageren zich om flankerende maatregelen te nemen in functie van minder autogebruik bij het brengen en halen van de kinderen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen is akkoord met het plaatsen van bijkomende verkeerssignalisatie op de parking van de Zonnewijzer via een proefopstelling met evaluatie.

22.

2021_CBS_01346 - Financiële ondersteuning voor opstart fiets-, voet-, en carpool in het kader van veilig en milieuvriendelijke verplaatsingen naar school - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
22.

2021_CBS_01346 - Financiële ondersteuning voor opstart fiets-, voet-, en carpool in het kader van veilig en milieuvriendelijke verplaatsingen naar school - Goedkeuring

2021_CBS_01346 - Financiële ondersteuning voor opstart fiets-, voet-, en carpool in het kader van veilig en milieuvriendelijke verplaatsingen naar school - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

In het kader van de huidige problematiek aan overvolle parkings aan onze scholen bij het begin en einde van de schooldag engageert het oudercomité van de Zonnewijzer zich om een fiets-, voet-, en carpool initiatief op te starten i.s.m. mobiel 21 (https://www.mobiel21.be/campagnes-en-projecten/poolen-samen-veilig-en-milieuvriendelijk-naar-school). Bij een eerste bevraging van al de scholen in Zonhoven, bleek er heel wat interesse voor dit initiatief te zijn. Mobiel 21 heeft de nodige expertise in huis om onze scholen hierin te informeren en te begeleiden. De dienst mobiliteit onderschrijft dit initiatief en adviseert de scholen om mobiel 21 in te schakelen bij de opstart en verdere uitwerking van dit initiatief.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen is akkoord met de financiële tussenkomst van 500€ excl. BTW voor het organiseren van een infoavond i.s.m. mobiel 21 als opstart van een fiets-, voet-, en carpool in het kader van veilig en milieuvriendelijk naar school.

23.

2021_CBS_01347 - Halfjaarlijks overleg tussen ANB en gemeentebestuur- verslag 22 november 2021 - Kennisneming

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
23.

2021_CBS_01347 - Halfjaarlijks overleg tussen ANB en gemeentebestuur- verslag 22 november 2021 - Kennisneming

2021_CBS_01347 - Halfjaarlijks overleg tussen ANB en gemeentebestuur- verslag 22 november 2021 - Kennisneming

Motivering

Feiten context en argumentatie

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het verslag van de vergadering van het halfjaarlijks overleg met ANB op 22 november 2021.

1. Goedkeuring verslag vergadering 2021.05.19

        Geen opmerkingen    

 2. Aanpassing maaifrequentie wegbermen toeristisch fietspad thv de Teut

De vraag komt van facilitair management om de wegbermen van het toeristisch fietspad thv de Teut opnieuw tweejaarlijks te maaien, volgens het bermdecreet.   Momenteel wordt het fietspad maar 1 x per jaar gemaaid, destijds op vraag van ANB omwille van het ecologische aspect.

De reden voor de aanpassing is het veiligheidsaspect en een vereenvoudigd onderhoud.  

AVES, ANB, haalt aan dat het fietspad gelegen in een speciale beschermingszone, VEN, natuurgebied én er geen vergunning voor het fietspad voor handen is.  Bijkomend is er de vrees naar precedentswaarde in kader van de fietssnelweg.  Er is evenwel begrip voor de vraag, vandaar het voorstel om met de collega’s van beheer (Jan Wellekens) af te stemmen welke stroken best niet twee maal per jaar gemaaid worden.  

FAM Tommy contacteert boswachter Jan Wellekens om terrein te bekijken welke stukken heischraal grasland zijn. Deze afspraken worden in het bestek opgenomen. 

Bijkomend haalt boswachter Raf Spelkens aan dat de gemeentelijke diensten de bermen maaien in Bolderdal zonder afvoer van het maaisel. Dit is wettelijk niet toegestaan.

Er kan akkoord gegaan worden met het maaien van de wegbermen mits dit 2 x per jaar gebeurt (volgens het Bermbesluit) én afvoer van het maaisel.

FAM Tommy  doet het nodige om te maaien volgens de wetgeving.

3. Vraag om de geplande beheerswerken Teut/Wijers te overlopen vnl. ovv toegankelijkheid

Guido vraagt naar de geplande beheerswerken op de Teut en De Wijers. Graag deze te overlopen naar locatie en ifv de toegankelijkheid. 

Gedeelte De Wijers – Geelberg:

Boswachter Raf: Er zullen inderdaad werken gebeuren op Wijvenheide, maar dit zal geen invloed hebben op de wandelpaden. 

Een ander ingrijpend werk, zijn de kappingen op de Geelberg.  Een exacte timing van exploitatie is niet bekend. Dit zou in de winter 2021-2022 gebeuren. 

Kristel stemt met Raf de communicatie af.  Raf stelt voor om ook ter plaatse een wandeling te organiseren.

Wat met de kijkassen aan de uitkijktoren? 

Kapping bomen naast Hendriksteeg? Alvast opgenomen in de planning van ANB.

Gedeelte De Teut:

De grondtransporten kunnen voor hinder zorgen voor de bezoekers. De boswachter zorgt voor borden op terrein, maar stelt vaak vast dat deze genegeerd worden door bezoekers. 

Toelichting van de vergunning hangt nog steeds ter plaatse. 

4. Vraag extra bareel thv de Holsteen

Patrimonium vraagt om de toegang tot de camping via de Hengelhoefseweg op te heffen zodoende de bezoekers van de camping genoodzaakt zijn om de alternatieve, aangelegde route te gebruiken. 

In dit dossier zijn tal van gevoeligheden zoals te kort aan parkeerplaatsen bij het opheffen van de Hengelhoefseweg.  Het dossier van de nieuwe parking staat on hold.  Zie bijlage voor toegevoegd verslag overleg met Van Bever-Tresinie en dienst toerisme. 

De vraag rest hoe verder met dit dossier? 

 5. Varia:

  • Ontwerpbeheerplan Teut-THD: 

Guido: In het ontwerpbeheersplan Teut-Ten Haagdoorn is niets opgenomen van het Rendierjagerspad, noch de afbraak van de huidige toegangsweg naar de camping en de nieuw aan te leggen parkings. Dit kan echter opgevangen worden door het opmaken van een omgevingsvergunning. Na contact met het Agentschap Onroerend Erfgoed lijkt het echter ook beter om een beheersplan voor de archeologische zone van de Holsteen uit te werken. Enerzijds moet er dan voor toekomstige werken in de archeologische zone niet telkens een aparte aanvraag gebeuren. Anderzijds kunnen wij dan voor deze werken subsidies krijgen. Jeroen vraagt om hiervoor een aanvraag per mail tot hem te richten waardoor hij ook een officieel antwoord kan formuleren (Guido).

  • Maaiboot:

Guido: graag stand van zaken i.v.m. de maaiboot.

ANB is akkoord met de voorgestelde locatie aan de parking in het Bolderdal. Raf is nog op zoek naar geschikt hout.  Realisatie via een kunstproject vanuit ANB zit er jammer genoeg niet in.

  • RUP hondenschool Teutseweg:

Michael deelt mee dat er offertes ingediend zijn voor het opstellen van een RUP voor het gebied rond de hondenschool Molenheide. Volgens de planning zou vanaf maart dit opmaak van het RUP kunnen starten.

  • Drukjacht:

Vanuit de dienst mobiliteit wordt gevraagd om tijdelijk aanvullende verkeersreglementen in het kader van drukjachten tijdig aan te vragen. Graag kregen zij ook van ANB feedback op de TAV’s die in dit kader tot nu toe werden opgemaakt.

Jan zal op een plannetje aanduiden welke toegangswegen best ook nog afgesloten zouden worden. Raf laat weten dat deze samenwerking goed verloopt en dat er geen aanpassingen nodig zijn voor het vijvergebied.

  • Aanleg fietspad thv Platwijers:

Schepen Vandeput vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot de aanleg van een fietspad langsheen de spoorlijn ter hoogte van het reservaat Platwijers.

Jeroen wijst erop dat het hier om habitat- en vogelrichtlijngebied gaat. Er is dus zeker een MER nodig voor het volledige traject. De provincie is hierbij het best geplaatst om deze procedure te voeren.

  • Adviesvraag Sparrenweg – Dennenweg:

De schepen vraagt naar de stand van zaken m.b.t. de adviesvraag over de Sparrenweg-Dennenweg. Jeroen bevestigd dat dit advies binnen de voorgeschreven termijn zal afgeleverd worden.

  • Afwezigheid regiobeheerder Koen Thijs:

In het kader van de afwezigheid van regiobeheerder Koen Thijs worden alle vragen gericht aan de terreinbeheerders Jan Wellekens en Raf Spelkens. Indien nodig zullen zij intern terugkoppelen voor vragen waarvoor zij niet bevoegd zijn.

Kristel zoekt een nieuwe datum.

Adviezen
Mobiliteit Gunstig onder voorwaarden

De dienst mobiliteit heeft kennis genomen van de vraag betreffende het verstrekken van een advies over het al dan niet afsluiten van de Hengelhoefseweg.

 

Wij kunnen ons vinden in het opzet om de Hengelhoefseweg af te sluiten voor autoverkeer.

Voor de fietsers zou het wenselijk zijn dat er een verbinding blijft bestaan tussen het kolenspoor (fietssnelweg) en de Holstenen en rendierjagerspad.

Het kan niet de bedoeling zijn om fietsers over de Holsteenweg rond te sturen in plaats van een mooi stuk natuur te ontzeggen.

 

Om een gefundeerd advies te kunnen geven is het echter nodig dat de dienst beschikt over alle info die betrekking heeft op de geplande ontwikkelingen rond de camping.

Met de gegevens waarover de dienst nu beschikt kan er geen inschatting  worden gemaakt van alle voor/nadelen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het verslag.

24.

2021_CBS_01351 - OMV - Reactie gericht aan de POVC omtrent de omgevingsvergunning 2020/00296, gelegen langs Heuvenstraat – Lieve Baetenplein – Drie Pistolenpad - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
24.

2021_CBS_01351 - OMV - Reactie gericht aan de POVC omtrent de omgevingsvergunning 2020/00296, gelegen langs Heuvenstraat – Lieve Baetenplein – Drie Pistolenpad - Goedkeuring

2021_CBS_01351 - OMV - Reactie gericht aan de POVC omtrent de omgevingsvergunning 2020/00296, gelegen langs Heuvenstraat – Lieve Baetenplein – Drie Pistolenpad - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Feiten context en argumentatie

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het volgende standpunt van de POVC:  in de verleende omgevingsvergunning ontbreekt de vergunning voor kleinhandelsactiviteiten.   

Daarnaast neemt het college van burgemeester en schepenen kennis van het ongunstig advies van de deskundige voor de discipline RO aan de POVC d.d. 03/12/2021.

Reactie dienst:

Wat de bemerking i.v.m. de ontbrekende kleinhandelsactiviteit betreft, wenst de gemeentelijk omgevingsambtenaar (GOA) als volgt te reageren:

Het Decreet betreffende het Integraal Handelsvestigingsbeleid stelt het volgende:

“Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een netto handelsoppervlakte van meer dan 400 m² in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie.”

De betreffende vergunningsaanvraag bevat geen luik kleinhandelsactiviteiten.   Zowel aanvrager als architect hebben de interpretatie gemaakt dat het niet noodzakelijk was dit toe te voegen.   De GOA heeft bij het nazicht op volledigheid en onontvankelijkheid deze denkwijze gevolgd.

De POVC stelt nu dat het dossier in principe onontvankelijk is, gezien de kleinhandelsactiviteit een onlosmakend geheel vormt met de andere gevraagde luiken en gezien voor de minimale oppervlakte de totale oppervlakte van de handelsruimtes gerekend dient te worden.

De GOA heeft bij het nazicht de interpretatie gemaakt iedere handelsruimte binnen het project afzonderlijk te beoordelen en gezien iedere handelsruimte kleiner is dan 400m², werd er geoordeeld dat de aanvraag voor een kleinhandelsactiviteit overbodig was.  Dit werd zo ook aangegeven in het advies van de GOA.

Het Decreet geeft inderdaad aan dat een handelsgeheel een geheel van kleinhandelsbedrijven betreft.

Binnen het dossier zijn er echter nog teveel onduidelijkheden om een concrete aanvraag voor kleinhandelsactiviteiten in te dienen:

  • De invulling van de handelsruimten is nog niet gekend.  Er dient een nieuwe omgevingsaanvraag te worden ingediend wanneer deze invulling effectief gekend is.  Op dat moment zullen er mogelijk meer handelszaken ingericht worden dan nu aangegeven op de plannen, of zal er geopteerd worden voor een grotere handelsruimte.  Wanneer een concrete omgevingsaanvraag wordt ingediend voor de handelsruimten, is de aanvraag voor kleinhandelsactiviteiten wel mogelijk en noodzakelijk.
  • Gezien de concrete invulling nog niet gekend is, is ook de netto handelsoppervlakte per handelszaak niet gekend.  Dit is de oppervlakte, bestemd voor het te koop aanbieden of de verkoop die toegankelijk is voor het publiek, met inbegrip van de niet-overdekte oppervlakten. Deze oppervlakte omvat eveneens de kassazones, de zones die zich achter de kassa's bevinden en de inkomruimte.  De huidige aanvraag geeft geen indeling weer van de handelsaken.  In feite is de netto handelsoppervlakte niet gekend en kan men niet stellen dat het min. van 400m² bereikt wordt.
  • Gezien de invulling niet gekend is, zijn ook de productcategorieën onbekend.  Een correcte beoordeling van de kleinhandelsactiviteiten is hierdoor niet mogelijk.
  • Gezien de netto handelsoppervlakte in elk geval kleiner zal zijn dan 1.000m², is een advies van het Agentschap Innoveren en Ondernemen niet verplicht.  

Het Decreet stelt onder Hoofdstuk 4, art. 11 het volgende: “De vergunning legt het aantal vierkante meter van de totale netto handelsoppervlakte per categorie van kleinhandelsactiviteiten vast.”

Het is niet mogelijk dit vast te leggen in de huidige vergunning gezien noch de handelsoppervlakte, noch de categorieën gekend zijn.

De GOA blijft dan ook bij haar standpunt dat de aanvraag geen luik kleinhandelsactiviteiten dient te bevatten, en dat de aanvraag volledig en ontvankelijk is.

De GOA wenst als volgt te reageren op het ongunstig advies van de deskundige voor de discipline RO:

  • Men stelt dat de voorgevel van volume A niet volledig wordt weergegeven op het gevelaanzicht.  Dat de 4e bouwlaag met een hoek reikt tot tegen de linker perceelsgrens.  Dat de voorziene hoogte (13,71m) geen ruimtelijk aanvaardbare aansluiting op de bestaande bebouwing geeft.  Het nieuwe bouwvolume zal met een hoge dichte gevel over de bestaande gebouwen Heuvenstraat 5 uittorenen.

Ons inziens is het ingediende gevelplan wel correct.  De hoek die aansluit tegen de linker perceelsgrens sluit op het plan visueel niet aan tegen deze perceelsgrens gezien het gevelbeeld een loodrechte projectie is t.o.v. de voorgevelbouwlijn van gebouw A en Heuvenstraat 5 en de perceelsgrens tussen gebouw A en Heuvenstraat 5 schuin naar achteren loopt.

De hoek waarvan sprake ligt ongeveer gelijk met de achtergevellijn van de linkse aanbouw op perceel Heuvenstraat 5.  De rechtse aanbouw op dit perceel staat ingeplant tot op een bouwdiepte van ongeveer 31m.  Het is niet duidelijk of er momenteel nog een woonfunctie aanwezig is in dit pand.  

De voorziene hoge bebouwing zal weinig bijkomende hinder veroorzaken t.o.v. dit perceel.

Dat de aansluiting op de links aanpalende bebouwing een vreemd gegeven zal zijn, hierbij kan worden aangesloten.  

Er kan echter van worden uitgegaan dat de bebouwing Heuvenstraat 3-5 op termijn zal worden afgebroken en zal worden vervangen door een architectuur die aansluit op de momenteel voorziene architectuur.  Hoewel de panden nog waardevolle en authentieke elementen bevatten, zijn ze in hoofdzaak niet als kwalitatief te beschouwen, enerzijds door de ouderdom, anderzijds door weinig kwalitatieve verbouwingen/materialen.  De percelen bieden voldoende potentieel om in de toekomst op een correcte manier aan te sluiten op de Kwint-site.

  • Er wordt opgemerkt dat de onderste 3 bouwlagen van volume C (met een bouwhoogte van 10,32m) op slechts 3,57m van de achtertuin van de woning aan de Grote Eggestraat 4 worden ingeplant, en bouwlagen 4 en 5 (bouwhoogte 16,80m), op slechts 5,57m.  Dit kan privacyhinder veroorzaken t.o.v. dit perceel.  Ondanks de schermen op de terrassen ontstaat er toch inkijk, er zijn daarnaast raamopeningen aanwezig waarbij rechtstreekse inkijk ontstaat vanuit de leefruimtes.

De voorziene hoogte zal een slagschaduw veroorzaken over een groot deel van de tuin van Grote Eggestraat 4 (oostelijk gelegen van volume C).

Ook de afstand tot gebouw B is eerder beperkt in verhouding tot de hoogte van het volume.

Tijdens de voorbesprekingen werd de aanvrager door de gemeente gewezen op het belang van een eerlijke en open communicatie met de omringende bewoners.  De aanvrager heeft dit ter harte genomen.  Door de eigenaars van de aanpalende percelen werden dan ook geen bezwaarschriften ingediend tijdens de loop van de procedure eerste aanleg. 

De bestaande woningen en hun percelen passen in feite niet meer binnen de huidige visie rond verdichting binnen de kernen.   Men kan bezwaarlijk projecten die wel voldoen aan deze visie weigeren op basis van de inplanting van dergelijke woningen, die in alle waarschijnlijkheid in de (nabije of verre) toekomst plaats zullen maken voor een verdichtingsproject.  

De tuinzone van Grote Eggestraat 4 heeft een diepte van 24m, wat uitzonderlijk is voor deze locatie.  Een slagschaduw (uitsluitend vanuit het westen) zal nooit meer dan de helft van de tuinzone innemen.  

De afstand van volume C tot aan de woning bedraagt min. 27,50m, wat zeer ruim is.

De terrassen werden inderdaad aan de zijde van deze woning voorzien van schermen.  Voor het overige richten ze zich naar de binnentuin op eigen perceel.   Door de voorziene kolommen/muren in deze gevel dient men zich naar de buitenrand van de terrassen te begeven om inkijk te krijgen in de aanpalende tuinen.  Een normaal gebruik van de terrassen zal geen noemenswaardige privacyhinder bezorgen.

De ramen die uitgeven op de leefruimtes van de appartementen en die uitkijken op de perceelsgrens met de woningen Grote Eggestraat 4 en 6 bieden inderdaad inkijk op deze percelen.  Dit is echter onvermijdelijk binnen een omgeving waar een dergelijke verdichting gevraagd wordt en is eigen aan het wonen op dergelijke locaties.  Hierbij dient nogmaals herhaal te worden dat de dieptes van de tuinen bij deze woningen zeer ruim zijn, wat een grote afstand creëert tussen de woningen en de meergezinswoningen.  

  • Het is onduidelijk waar het laden en lossen zal plaatsvinden voor de handelsruimten in gebouw B en gebouw C. Verder is het ook onduidelijk waar personeel/ uitbaters van de handelszaken zullen parkeren. 

De laad- en loszone voorzien aan de Grote Eggestraat kan ook aangewend worden voor de diensten-/handelsfuncties in gebouw B, verder bereikbaar via de trage verbinding.   De handels- en horecazaken die zich oriënteren richting de Heuvenstraat zullen bediend worden via de Heuvenstraat, net zoals dit gebeurt voor alle andere handels- en horecazaken langs deze weg.

In de verleende omgevingsvergunning werd volgende suggestie aangereikt omtrent het parkeren van de uitbaters/personeel van de handels-, diensten- en horecazaken: “Er worden 78 parkeerplaatsen voorzien, waarvan 2 gereserveerd voor deelwagens.  Men kan dus stellen dat er 76 parkeerplaatsen worden ingericht voor 68 wooneenheden.   Gesteld dat er 1 parkeerplaats zou voorbehouden worden per wooneenheid (wat op deze locatie, met de nabijheid van het openbaar vervoer, de twee voorziene deelwagens en de ruime fietsvoorzieningen voldoende is) zijn er 8 ‘reserve’ parkeerplaatsen.  Deze kunnen worden gereserveerd voor de eigenaars van de handel-/horeca- en dienstenzaken en hun personeel.”  Dit standpunt blijft behouden.

  • Men geeft aan dat de terrassen van de appartementen die voorzien worden in gebouw B op de eerste verdieping, allemaal worden gericht naar de zuidelijke perceelsgrens. Het inplantingsplan stelt hier geen groenbuffer voor in de vorm van leilinde’s. Verder zou de plaatsing van de terrassen naar het binnenplein meer aangewezen zijn aangezien de privacylast van het project dan binnen de eigen projectzone wordt opgevangen i.p.v. naar de omgeving. De terrassen aan de binnenzijde zouden immers ook een functie van sociale controle op het binnenplein kunnen vervullen.

Er wordt wel degelijk een aanplant met leilindes voorzien, net zoals een haagbeplanting, beide worden aangeduid op het inplantingsplan.

De suggestie de terrassen aan de zijde van het binnenplein te voorzien, valt zeker te overwegen.  Hierdoor zouden zowel de terrassen als de aansluitende leefruimtes echter volledig noordelijk georiënteerd zijn.  Dit zou te weinig woonkwaliteit bieden, waardoor hier niet mee akkoord wordt gegaan.

  • Men merkt op dat appartement A1.7 en A 2.7 op de grondplannen geen raam vertonen in de slaapkamer. In snedezicht AA is echter wel een smal bandraam op hoogte ingetekend voor app 1.7. De woonkwaliteit van appartement A.1.7 dat rechtstreeks grenst aan de feestzaal en met een beperkte directe lichtinval wordt wel in vraag gesteld en zou als onvoldoende beschouwd moeten worden.

Voor de slaapkamers van appartementen A1.7 en A2.7 werden inderdaad op het grondplan geen ramen ingetekend.  Uit snede AA blijkt dat dit niet klopt, het gaat waarschijnlijk om een vergetelheid die ook tijdens de procedure over het hoofd werd gezien.

Uit deze snede blijkt dat het raam in appartement A2.7 voldoende ruim is.  Dat van A1.7 betreft een hoog geplaatst bandraam, gezien de hoogte van het dak van de aanpalende polyvalente zaal.  Een herindeling van dit appartement waarbij de bestaande kwaliteiten behouden blijven en een groter slaapkamerraam wordt voorzien, draagt ook de voorkeur van de GOA.

Het aangrenzen van dit appartement aan de polyvalente zaal als onvoldoende kwalitatief beschouwen kan niet worden bijgetreden.  De polyvalente zaal zal aan alle normen voldoen, waardoor geluidshinder vanuit de zaal vermeden wordt.  Geluidshinder van gebruikers van de zaal, die passeren via de trage verbinding en zich mogelijk verzamelen aan de ingang van de zaal, zal van toepassing zijn voor verschillende van de voorziene appartementen.  Deze hinder is eigen aan de locatie en is op voorhand gekend bij de toekomstige gebruikers.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen sluit zich aan bij het standpunt van de GOA.

Deze reactie zal worden overgemaakt aan de POVC.

25.

2021_CBS_01348 - Vergunning voor de uitvoering van telecommunicatiewerken JMS 459582 - Goedkeuring

Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig
Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur
Secretaris
Bart Telen, Algemeen directeur
25.

2021_CBS_01348 - Vergunning voor de uitvoering van telecommunicatiewerken JMS 459582 - Goedkeuring

2021_CBS_01348 - Vergunning voor de uitvoering van telecommunicatiewerken JMS 459582 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Proximus vraagt toestemming voor de uitvoering van telecommunicatiewerken vanaf de bestaande kabel in de berm van Dorpsplein naar het bouwproject "Achter de Hoven"

De werken omvatten:

  • het leggen van een buis met kabels (SRV 7x12 + 2x10) met een lengte van 150m in de berm van Dorpsplein en naast "Kattepiêke",
  • het plaatsen van een bak van 1615mmX450mm onder de berm en het trottoir van Dorpsplein,
  • en het plaatsen van een DTP-X.

De werken worden toegestaan onder volgende voorwaarden:

  • voor het deel van de werken dat zich op of onder het openbaar domein bevindt, dient de uitvoerende aannemer een signalisatievergunning aan te vragen bij de dienst Patrimonium van de gemeente Zonhoven en dit tenminste 10 werkdagen voor de aanvang van de werken,
  • er dient voor de aanvang der werken een tegensprekelijke vaststelling te worden opgemaakt in tegenwoordigheid van een afgevaardigde van ons bestuur,
  • Proximus blijft verantwoordelijk voor latere verzakkingen bij onderboringen van wegen of fietspaden,
  • het openbaar domein dient in zijn oorspronkelijke staat te worden hersteld,
  • alle herstellingen dienen uitgevoerd te worden volgens de methode beschreven in de laatste versie van het standaardbestek 250, binnen de 14 dagen na het beëindigen van de werken.
Verwijzingsdocumenten

- Artikel 98 paragrafen 1 en 3 van de wet van 21 maart 1991,

- de e-mail van Vera Krawinkel van Proximus ontvangen op 1 december 2021,

- de brief van Proximus met de aanvraag voor de vergunning als bijlage aan de mail van 1 december 2021,

- 1 plannen met het topografisch detail van de werken als bijlage aan de mail van 1 december 2021,

- melding 21m29197 in Topdesk.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Deze uitbreiding is rendabel.  Er zijn voor ons bestuur geen kosten.

Het college maakt geen bezwaar tegen de aansluitingen, de nieuwe bak en het voorgestelde tracé van de buis op het openbaar domein.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen verleent toelating aan Proximus voor de uitvoering van telecommunicatiewerken in de berm en het voetpad van Dorpsplein ter hoogte van het project "Dorpsdreef".

26.

2021_CBS_01349 - Disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit - vastbenoemd technisch assistent - voorraadbeheer - sector facilitair management - Goedkeuring

Goedgekeurd
26.

2021_CBS_01349 - Disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit - vastbenoemd technisch assistent - voorraadbeheer - sector facilitair management - Goedkeuring

2021_CBS_01349 - Disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit - vastbenoemd technisch assistent - voorraadbeheer - sector facilitair management - Goedkeuring
27.

2021_CBS_01350 - Dagelijks personeelsbeheer: beslissing algemeen directeur - Kennisneming

Goedgekeurd
27.

2021_CBS_01350 - Dagelijks personeelsbeheer: beslissing algemeen directeur - Kennisneming

2021_CBS_01350 - Dagelijks personeelsbeheer: beslissing algemeen directeur - Kennisneming