Terug
Gepubliceerd op 02/09/2021

2021_CBS_00902 - OMV - Vergunning - Grote Hemmenweg 56 bus 1-2 en 56A - 2021/00051 - Weigering

College van burgemeester en schepenen
di 17/08/2021 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Stijn Ooms, Adjunct-algemeendirecteur

Verontschuldigd

Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Stijn Ooms, Adjunct-algemeendirecteur
2021_CBS_00902 - OMV - Vergunning - Grote Hemmenweg 56 bus 1-2 en 56A - 2021/00051 - Weigering 2021_CBS_00902 - OMV - Vergunning - Grote Hemmenweg 56 bus 1-2 en 56A - 2021/00051 - Weigering

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH ADVIES – verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het bouwen van een halfopen eengezinswoning met een losstaande tuinberging en 2 appartementen met een losstaande carport/tuinberging.

De aanvraag werd op 16/02/2021 ontvangen.

Op 18/03/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 07/04/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 04/05/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 14/05/2021 tot en met 12/06/2021, gesloten met 0 bezwaarschriften.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 7204.V.91/7 : verkavelingsvergunning op 12/08/1991 voor een nieuwe verkaveling. (vervallen)
  • 1201.C.874.2: verkavelingsvergunning op 17/02/2016 voor het opdelen tot 2 loten voor halfopen bebouwing. (vervallen)

Uit het aanvraagdossier / de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag, en het achterliggend perceel dat eveneens in eigendom is van de aanvrager (en toegankelijk is via het perceel van de aanvraag) constructies werden opgericht/ aanwezig zijn, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft verschillende voertuigen, een tent,…

Deze wederrechtelijk opgerichte constructies werden opgenomen in de huidige aanvraag als te verwijderen op het perceel van de aanvraag, en te behouden op het achterliggend perceel.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 14/05/2021 tot en met 12/06/2021.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg

De Watergroep

Fluvius

Proximus

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE 

Het project komt voor op bijlage III van het project-mer-besluit wat maakt dat een project MER opgemaakt moet worden, tenzij de initiatiefnemer via een project-m.e.r.-screeningsnota kan aantonen dat het project geen aanzienlijke milieueffecten zal veroorzaken.  Er werd een project-m.e.r.-screeningsnota bij de aanvraag gevoegd.

Uit deze nota blijkt dat de aanvraag geen aanzienlijke effecten veroorzaakt, wat kan worden bijgetreden.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, gelegen in woongebied.

De woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf voor zover deze taken van bedrijf om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, voor agrarische bedrijven voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving (artikel 5 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen en latere wijzigingen).

Het achterliggend perceel, dat niet wordt weergegeven binnen de aanvraag, maar wel betrekking heeft op de aanvraag (in eigendom van aanvrager, toegankelijk via het perceel van de aanvraag, in de toekomst te gebruiken als tuinuitbreiding van de eigenaar), is gelegen binnen bufferzone.

De bufferzones dienen in hun staat bewaard te worden of als groene ruimte ingericht te worden, om te dienen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die ten behoeve van de goede plaatselijke ordening van elkaar moeten gescheiden worden.

Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

Het goed is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaal stedelijk gebied Hasselt - Genk” dat op 20 juni 2014 definitief werd vastgesteld door de Vlaamse Regering. Er is geen bestemmingswijziging ten opzichte van het gewestplan voorzien voor dit perceel. 

Bijzonder plan van aanleg

Het goed is gelegen binnen het BPA Genkerbaan-Grote Hemmenweg, goedgekeurd op 5 januari 1988 en gedeeltelijk gewijzigd op 8 augustus 1999.

Het goed kreeg als bestemming zone voor wonen.

Het achterliggend perceel, dat niet wordt weergegeven binnen de aanvraag, maar wel betrekking heeft op de aanvraag (in eigendom van aanvrager, toegankelijk via het perceel van de aanvraag, in de toekomst te gebruiken als tuinuitbreiding van de eigenaar), is gelegen binnen bufferzone volgens het BPA.

Verkaveling

De verkavelingsvergunningen zijn voor dit perceel vervallen:

  • Op 07/03/2005 werd het verval vastgesteld bij middel van proces-verbaal. De stedenbouwkundige voorschriften van de verkaveling zijn bijgevolg niet meer van toepassing op dit perceel.
  • Op 23/02/2021 werd het verval vastgesteld door het college van burgemeester en schepenen. De stedenbouwkundige voorschriften van de verkaveling zijn bijgevolg niet meer van toepassing op dit perceel.

De aanvraag voldoet, voor wat het perceel binnen de woning betreft, principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften maar niet aan de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg.

Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de bepalingen van artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd door het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (zgn. Codextrein).

De aanvraag voldoet, voor wat het achterliggend perceel betreft, principieel niet aan de geldende bestemmingsvoorschriften, noch aan de BPA-voorschriften.  Afwijken hierop is niet mogelijk gezien de onderliggende bestemming.

AFWIJKINGEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Handelingen sorterend onder voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dat ouder is dan 15 jaar

Art. 4.4.9/1.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.

Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:

1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:

a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;

b) industriegebieden in de ruime zin;

c) dienstverleningsgebieden;

d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;

2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:

a) gebieden voor service-residentie;

b) kantoor- en dienstenzones;

c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;

d) lokale en regionale bedrijventerreinen;

e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;

f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;

g) businessparken;

h) teleport;

i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;

j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;

k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;

l) kleinhandelszones;

m) zones van handelsvestigingen;

n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;

o) zeehavengebieden;

p) gebieden voor watergebonden bedrijven;

q) transportzones;

r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;

s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;

t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;

u) gemengde woon- en industriegebieden;

v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;

w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;

x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;

y) gebieden voor kernontwikkeling.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.

Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

Voorliggende aanvraag wijkt af van de volgende BPA-voorschriften:

  • Art. 6: Er worden maximaal 2 woongelegenheden toegelaten per perceel. De aanvraag voorziet 3 woongelegenheden.
  • Art. 18A: De inplanting van de woning dient op 5m vanaf de rooilijn ingeplant te worden (volgens het plan). De woning wordt voorzien op 4,88m vanaf de rooilijn.
  • Art. 18C: De kroonlijsthoogte bedraagt maximaal 8,25m voor de rechter woning aan de achtergevel i.p.v. maximaal 6m.
  • Art. 18D: De bouwdiepte op het verdiepingsniveau bedraagt door de scheidingsmuur geen 11,50m, maar 16,50m i.p.v. de maximale 12m die toegelaten zijn volgens de BPA-voorschriften.
  • Art. 18E: dakterrassen zijn slechts toegelaten op 1m afstand van het midden van een gemeenschappelijke muur. De aanvraag voorziet het terras op 18cm vanaf het midden van de gemeenschappelijke muur. De dakterrassen mogen ook geen hinder vormen ten opzichte van de aangrenzende panden. Er wordt geen scheiding voorzien ten opzichte van het zicht naar de buren.
  • Art. 22B: de oppervlakte van de bijgebouwen bedraagt 72,50m² i.p.v. maximaal 50m².

De aanvraag voldoet aan de afwijkingsbepalingen.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw op te richten appartementen, de carports en tuinberging met een horizontale dakoppervlakte van 155m² een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 8 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening waarvan de oppervlakte en het volume voldoen aan de verordening.

De plannen geven aan dat voor de nieuw op te richten eengezinswoning en tuinberging met een horizontale dakoppervlakte van 138m² een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 

5 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening waarvan de oppervlakte en het volume voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering 

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centraal gebied”. Een individuele voorbehandelinginstallatie (septische put) moet niet aangelegd worden.

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan Fluvius.

Het advies van 26/05/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

“Naar aanleiding van uw brief/mail van 4-05-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 2, sectie C, nummer(s) 616T, kunnen we een voorwaardelijk gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines:

Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering.

De initiatiefnemer dient te voldoen aan alle voorwaarden van Fluvius zoals opgenomen in het desbetreffende aansluitingsreglement welke beschikbaar is op de website van Fluvius (www.fluvius.be).

Algemene voorschriften: Gasafsluiters, elektriciteits-, kabeldistributie- aardgasdistributienetten (boven- en ondergrondse) moeten steeds en makkelijk bereikbaar zijn en vrij blijven van ieder obstakel.

Voor riolering dient voldaan te worden aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

Fluvius doet geen nazicht van de bepalingen van deze verordening. Dit advies handelt over de aansluitbaarheid op het openbaar saneringsnetwerk.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer

De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven.

De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven.

De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013.

Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be. Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager. Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.

Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel.

Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang.

2. Specifieke bepalingen voor riolering en waterafvoer voor dit bouwproject

Voor beide nieuwbouwen geldt: 

De aansluitputjes voor de afvoer van vuilwater (DWA) en eventueel hemelwater (RWA) werden nog niet geplaatst door Fluvius. Op deze aansluitputjes dient het private afvoerstelsel, met respectievelijk vuilwater en hemelwater, aangesloten te worden. De aansluitputjes worden geplaatst op circa 1 m voor de rooilijn op uw privédomein met een onderlinge afstand tussen de 2 putjes van circa 0,60 m. De standaarddiepte van een rioleringsaansluiting is 0,80 m, indien dit technisch mogelijk is. De diameter van de afvoerbuis voor vuilwater (DWA) is 125 mm, voor regenwater (RWA) is dit 160 mm. Doe zo snel mogelijk een aansluitingsaanvraag bij Fluvius (www.fluvius.be) en wacht tot de putjes geplaatst zijn.

Volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 05/07/2013 gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in voege sinds 01/01/2014, dient het opgevangen hemelwater in eerste instantie zoveel mogelijk gebruikt te worden voor het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine. Een stedenbouwkundige vergunning kan enkel worden afgeleverd als op de hemelwaterput een operationele pompinstallatie wordt aangesloten. De pomp en/of de aftappunten staan niet ingetekend op het rioleringsplan.

Volgens de GSV “hemelwater” dient een gescheiden stelsel voorzien te worden: de afvoer van het buitenterras/oprit dient aangesloten te worden op de overloop van de hemelwaterput, op een infiltratievoorziening of dient in de naastliggende groenzones af te wateren.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben.
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine.
  • Een terugslagklep te plaatsen op de overloop van de hemelwaterput om terugstuwing vanuit de riolering te vermijden.
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak.
  • Het is niet toegestaan om drainageleidingen aan te sluiten op de openbare riolering. Overeenkomstig de milieuwetgeving dient dit op eigen terrein geïnfiltreerd te worden.

3. Keuring privéwaterafvoer

Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van de privéwaterafvoer verplicht sinds 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12/1, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement. De keuring dient uitgevoerd te worden vóór de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.

Enkel de door Fluvius erkende keurders komen voor deze keuring in aanmerking (zie Keuring riolering | Fluvius).

Voor bijkomende informatie kan de bouwheer terecht op de infolijn van Fluvius 078 35 35 34.

Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.

Advies D/ 0000288340 – 26/05/2021:

Naar aanleiding van uw adviesaanvraag van 04.05.2021 betreffende het bovenvermeld project, kunnen we een voorwaardelijk gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen.

In uw gemeente is Fluvius actief voor volgende disciplines: Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering.

De initiatiefnemer van het project moet voldoen aan de reglementen van de nutsmaatschappijen en in dit geval de volgende reglementen van de distributienetbeheerder(s): nl. het "Reglement voor verkavelingen en bouwprojecten " en de reglementen omtrent riolering. Deze reglementen vindt u op onze website www.fluvius.be.

Voor de activiteiten Aardgas, Elektriciteit, Openbare verlichting, Kabeldistributie, Riolering kunnen er uitbreidingen en/of verplaatsingen en/of aanpassingen nodig zijn aan de verdeelnetten om de percelen/woningen aansluitbaar te maken. De kosten hiervoor zijn steeds ten laste van de initiatiefnemer van het project.

Voor dit project zonder netuitbreiding sturen wij de initiatiefnemer een offerte ter dekking van de kosten voor het capaciteitsbeslag.

Voor bijkomende informatie kan contact opgenomen worden met de Fluvius Infolijn - 078 35 35 34.

Gelieve ons advies op te nemen in de vergunning van dit dossier, met verwijzing naar de voornoemde reglementen.

Van zodra de initiatiefnemer de voorgestelde bedragen heeft vereffend aan onze diensten, zal Fluvius u hiervan schriftelijk verwittigen. Daarna kan het verkoopsattest voor deze nieuwe bouwpercelen door uw diensten worden afgeleverd en kunnen de stedenbouwkundige vergunningen worden toegekend.”

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Uit het advies van Fluvius blijkt echter dat er een operationele pompinstallatie dient te worden aangesloten op de hemelwaterput, deze staat niet ingetekend op de plannen (noch de aftappunten).  Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets indien er voldaan wordt aan de voorwaarde van Fluvius omtrent de hemelwaterput.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente.

De aanvraag is gelegen langs de Grote Hemmenweg, een voldoende uitgeruste gemeenteweg.

De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceelsoppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de inkomhallen, het tellerlokaal en de nachthallen.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

Erfdienstbaarheden / gemene muren

Vergunningen hebben een zakelijk karakter. Zij worden verleend onder voorbehoud van de op het onroerend goed betrokken burgerlijke rechten.

Het is niet de taak van de administratieve overheid zich uit te spreken over het bestaan, de interpretatie en de omvang van subjectieve rechten, zoals bijvoorbeeld het bestaan van een erfdienstbaarheid / het overnemen van een gemene muur.

De overeenstemming van de aanvraag met een goede ruimtelijke ordening wordt echter beoordeeld met inachtneming van beginselen als hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4 van de VCRO.

De aanvrager wordt erop gewezen dat omtrent de gemene muren/ de mandeligheid van muren / bestaande erfdienstbaarheden / erfscheidingen … geen afbreuk wordt gedaan aan de burgerlijke rechten van de betrokken aanpalende eigenaars  door het afleveren van een omgevingsvergunning.

Dat het aangewezen is hieromtrent een (schriftelijke) overeenkomst/ akkoordverklaring te bekomen alvorens aan te vatten met de werken.

Lichten en zichten

De aanvraag werd getoetst aan art. 675 tot en met 680 bis van het burgerlijk wetboek dat bepalingen bevat inzake zichten en lichten op een naburig erf.

De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving gezien de betrokkenheid van het achterliggend perceel bij het perceel van de aanvraag, en het feit dat de aanwezige constructies/zaken op dat perceel in strijd zijn met de gewestplanbestemming en -voorschriften. 

Daarnaast dient er voldaan te worden aan de voorwaarde van Fluvius omtrent de hemelwaterput om zo te voldoen aan de verordening hemelwater/de watertoets.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag betreft het bouwen van een halfopen eengezinswoning met een losstaande tuinberging en 2 appartementen met een losstaande carport/tuinberging.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING 

BPA ouder dan 15 jaar (Codextrein)( dus geen RUP! )
Artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat in een vergunning – na een openbaar onderzoek – afwijkingen kunnen worden toegestaan van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg of een wijziging ervan, voor zover dit plan ouder is dan 15 jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag
 Het hierboven genoemde bijzonder plan van aanleg is goedgekeurd op 5 januari 1988 en gedeeltelijk gewijzigd op 8 augustus 1999 en dus kan er principieel worden afgeweken van de voorschriften.
Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden. Het betreft geen van deze elementen en dus kan de afwijking worden toegestaan. Tenslotte dient de aanvraag getoetst aan de goede ruimtelijke ordening. ( Deze wordt verderop uitgevoerd )
 De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°        het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°        het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel is gelegen langs de Grote Hemmenweg, net buiten de kern van de gemeente Zonhoven.  De bebouwing in de nabije omgeving kenmerkt zich door hoofdzakelijk grondgebonden eengezinswoningen, voornamelijk in een vrijstaande bebouwing, met twee bouwlagen onder een hellend dak, afgewerkt in baksteen in diverse kleuren en texturen.

Het perceel betreft een braakliggend perceel, ingezaaid met gras.  Uit foto’s (google street view, …) blijkt dat op het perceel verschillende constructies/zaken aanwezig waren (auto’s, caravans, tent, aanhangwagen, enz.).  De foto’s gevoegd bij de aanvraag tonen aan dat deze constructies/zaken zich niet meer op het perceel van de aanvraag bevinden, maar verplaatst werden naar het achterliggend perceel 614W.  Dit perceel is eveneens in eigendom van de aanvrager en is toegankelijk via het perceel van de aanvraag.  In de nota van de architect wordt vermeld dat dit perceel betrokken wordt bij het project als tuinzone.  

Omschrijving van de aanvraag

Op het perceel worden twee woningen in een halfopen bebouwing ingeplant.  De linkse woning betreft een grondgebonden eengezinswoning met inpandige garage, de rechtse woning een meergezinswoning met 2 wooneenheden.  De woningen worden ingeplant op 7,37m vanaf de rooilijn en op 3m van de zijdelingse perceelsgrenzen.

De woningen tellen 2 bouwlagen onder een hellend dak met een kroonlijsthoogte van max. 5,83m    boven het maaiveld ter hoogte van de voorgevel, en een nokhoogte van 11,58m.   De gelijkvloerse bouwdiepte van de eengezinswoning bedraagt max. 16,50m, die van de meergezinswoning 15m.  Achter de woningen wordt op de grens tussen beide een tuinmuur ingeplant, met een hoogte van ongeveer 2,03m, tot op een bouwdiepte van 20m.  De bouwdiepte op de verdieping bedraagt bij de eengezinswoning 11,50m en bij de meergezinswoning 9m.  Doordat de meergezinswoning op de verdieping minder diep wordt gebouwd dan de eengezinswoning, maar wel hetzelfde gabarit volgt, ontstaat aan de achterzijde een kroonlijsthoogte van +/- 8,18m hoog.

Op de verdieping wordt bij beide woningen op het plat dak een dakterras voorzien, gescheiden van elkaar door een volle muur.

Beide woningen worden opgetrokken in grijs genuanceerde gevelsteen, zwart aluminium schrijnwerk en zwarte pannen.

Achteraan op het perceel, op min. 5m van de achterste perceelsgrens, wordt een vrijstaand bijgebouw ingeplant.  Het gedeelte hiervan dat op het linkse perceel wordt voorzien krijgt als functie tuinberging, met een oppervlakte van 22,50m².   Op het rechts perceel bevat het bijgebouw een tuinberging en een dubbele carport, met een oppervlakte van 50m².   Het bijgebouw telt 1 bouwlaag onder een plat dak met een hoogte van max. ongeveer 3m en wordt afgewerkt in dezelfde materialen als de hoofdvolumes.

In de voortuin worden 2 inritten aangelegd.   Eén in de rechter bouwvrije strook, met een breedte van 3m, i.f.v. de meergezinswoning.  Eén i.f.v. de eengezinswoning, ook met een breedte van 3m, die leidt tot aan de inpandige garage.

De inrit van de meergezinswoning gaat na ongeveer een tien meter over in een karrespoor.  Dit karrespoor leidt tot vooraan de carports.  Vooraan de meergezinswoning wordt ter hoogte van de voorgevel een looppad aangelegd vanaf de inrit, over de breedte van de voorgevel.

De inrit van de eengezinswoning gaat ter hoogte van de voorgevel over in een looppad voor de woning.  Dit looppad sluit aan op een, volgens het inplantingsplan, oprit in de linker bouwvrije strook.

Achter iedere woning wordt een terras aangelegd met een oppervlakte van resp. 27m².

De constructies/zaken die verplaatst werden naar het achterliggend perceel worden niet weergegeven in de aanvraag, noch het achterliggend perceel.

In de bijkomende motivatie wordt vermeld dat het gaat om wagens, een tijdelijke partytent i.f.v. een buurtfeest, enz.   Hierin wordt eveneens aangegeven dat de toegang tot het achterliggend perceel en de daarop aanwezige constructies/zaken genomen zal worden via het karrespoor.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De woonfunctie, zowel in de vorm van een grondgebonden eengezinswoning, als in de vorm van een meergezinswoning, is functioneel inpasbaar in de omgeving.

De functie aanwezig op het achterliggend perceel, nl. o.a. opslagplaats, is functioneel niet inpasbaar in deze omgeving.

Mobiliteitsimpact

Het college van burgemeester en schepenen verwacht bij het oprichten van meergezinswoningen principieel een aantal autostaanplaatsen dat overeenkomt met het aantal woongelegenheden. De last van het autobezit kan niet volledig op het openbaar domein worden afgeschoven.  

De aanvraag voorziet in 2 autostaanplaatsen/ garages voor 2 woongelegenheden, voor wat betreft de meergezinswoning.  Er zijn nl. 2 autostaanplaatsen in de carport.   Op de inrit kan geen wagen worden geparkeerd, gezien de toegang tot de carport daardoor zou geblokkeerd worden.

Het aantal autostaanplaatsen/ garages stemt voor de meergezinswoning bijgevolg niet overeen met het aantal woongelegenheden à rato van 1,5 per wooneenheid.  Een bezoekersparkeerplaats ontbreekt.

De aanvraag voorziet in 2 autostaanplaatsen voor 1 woongelegenheid, voor wat betreft de eengezinswoning.  1 autostaanplaats in de inpandige garage en 1 op de inrit voor de garage.  De ‘oprit’ in de bouwvrije strook is niet benutbaar voor het parkeren van een wagen gezien deze niet aansluit op de voorliggende weg of op de voorziene inrit.

Het aantal autostaanplaatsen stemt voor de eengezinswoning wel overeen met het aantal woongelegenheden à rato van 1,5 per wooneenheid.

Volgende bemerking wordt gemaakt: in de gemeente Zonhoven wordt principieel slechts 1 inrit toegelaten per perceel, met een breedte van 3m ter hoogte van de rooilijn.   Gezien de verkaveling voor dit perceel vervallen is, worden de 2 woningen op hetzelfde perceel ingeplant, waardoor de 2 inritten in strijd zijn met dit algemeen principe.

Uit de verdere motivatie blijkt dat het aantal wooneenheden en de gekozen typologie aanvaardbaar zijn op deze locatie.  Het perceel zou dus opnieuw verkavelbaar zijn waarna opnieuw 2 inritten kunnen worden aangelegd.  Om die reden zijn de 2 inritten op het perceel uitzonderlijk toelaatbaar.  De voortuinstrook is daarnaast te beperkt om slechts 1 inrit te voorzien voor beide woningen die vervolgens uitwaaiert.   Dit zou bovendien de verhardingsgraad aanzienlijk doen stijgen.

Bij meergezinswoningen dient men voldoende fietsenstalling te voorzien, en dit voor min. 1 fiets/hoofdkussen, wat neerkomt op een totaal van 6 fietsen die gestald dienen te worden bij de meergezinswoning.  Iedere wooneenheid beschikt over een eigen tuinberging waar deze fietsen kunnen worden gestald.

De schaal van de voorgenomen werken

Hoewel het BPA ouder is dan 15 jaar en hier bijgevolg van kan worden afgeweken, zijn de voorschriften ervan een interpretatie van de goede ruimtelijke ordening.

Het volume van de woning, bouwdiepte, nokhoogte, hellingsgraad van het dak, volgen deze voorschriften.  De inplanting volgt die van de links aanpalende bebouwing.

De kroonlijsthoogte aan de achtergevel van de meergezinswoning bedraagt 8,18m, dit is een gevolg van het niet volledig benutten van de toegelaten bouwdiepte.  De achtergevel van de meergezinswoning springt echter terug binnen het gabarit van het dak en valt dus volledig binnen dit gabarit.

Achter de verdieping wordt op de grens tussen beide woningen een muur geplaatst met een hoogte van 5,16m t.o.v. het maaiveld.   Het gaat om een gemetste muur, en bijgevolg een niet licht doorlatende muur.  Deze muur zal bijgevolg hinder veroorzaken.

Deze muur mag niet worden uitgevoerd zoals voorzien.   De hoogte van deze muur dient beperkt te worden tot max. 1,20m boven het afgewerkte plat dak zodat er een balustrade ontstaat tussen beide daken.

De tuinmuur op maaiveldniveau is toelaatbaar tot een max. hoogte van 2m.

Deze aspecten dienen te worden opgenomen als vergunningsvoorwaarden.

Het ruimtegebruik en de bouwdichtheid

Het perceel heeft een oppervlakte van 996m².   Er worden 3 wooneenheden op voorzien, waardoor de woondichtheid ongeveer 30 woningen/hectare bedraagt, wat aanvaardbaar is op deze locatie.

Op deze locatie, net buiten de kern van Zonhoven, is een woontypologie in de vorm van meergezinswoningen aanvaardbaar.

De bebouwde oppervlakte bedraagt binnen de aanvraag 293m², de verharde oppervlakte 139m² (de karresporen buiten beschouwing gelaten).  De totale bebouwde en verharde oppervlakte bedraagt bijgevolg 432m², minder dan 45% van de perceelsoppervlakte.  Er dient steeds gestreefd te worden naar een correcte verhouding tussen bebouwing/verharding en groenaanleg.  Een verhouding van 40-60 in het voordeel van de groenaanleg is hierbij wenselijk, met afwijkingen tot een verhouding van 50-50.  

De inrit in de linker bouwvrije strook, langs de eengezinswoning, heeft geen functie.  Deze sluit niet aan op de voorliggende weg, noch op de inrit naar de garage.  Indien beide verbonden zouden worden, ontstaat een te hoge verhardingsgraad in de voortuinstrook.  Gezien deze inrit niet functioneel is voor het parkeren van een wagen dient deze herleid te worden tot een looppad met een max. breedte van 1m, en dit tot aan de zij ingang van de woning.  Hierdoor kan ongeveer een 15m² aan verharding worden geschrapt, waardoor de verhardingsgraad wordt teruggebracht tot een 42%.

Het karrespoor leidt net tot vooraan de carports.   Ter hoogte van de carports wordt geen verharding voorzien.  Het is niet realistisch de wagens voor de carport te laten draaien en keren in een groenzone.  Er kan van worden uitgegaan dat hier een verharding zal worden aangelegd.  Gesteld dat hier een bijkomende verharding van +/- 30m² zou worden toegevoegd, bedraagt de bebouwings- en verhardingsgraad op het perceel 45%.  Het kan niet zijn dat de bebouwing en verharding in de toekomst verder uitgebreid wordt tot een niet-aanvaardbare bebouwings- en verhardingsgraad.  Met eventuele uitbreidingen in het achterhoofd dient de maximale verhardings- en bebouwingsgraad op het totale perceel verankerd te worden op 50%.

Visueel-vormelijke elementen

Het straatbeeld wordt gekenmerkt door grondgebonden eengezinswoningen, voornamelijk in een vrijstaande bebouwing, met twee bouwlagen onder een hellend dak, afgewerkt in baksteen in diverse kleuren en texturen.

De voorziene bebouwing integreert zich goed binnen dit straatbeeld.

Cultuurhistorische aspecten

Niet van toepassing.

Bodemreliëf

Uit het terreinprofiel blijkt dat het terrein bijna volledig wordt opgehoogd.  Gezien het karrespoor langs de rechter bouwvrije strook wordt ingeplant zal de terreinophoging gevolgen hebben t.o.v. het aanpalend perceel.  De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de (ontworpen) rooilijn/ voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven.  Het karrespoor dient na 30m het natuurlijk maaiveld te volgen.   Het vrijstaand bijgebouw dient te worden ingeplant op het bestaande maaiveld.

Een ophoging van het bodemreliëf is slechts toegelaten tot op gelijke hoogte of tot op maximaal 30cm boven het straat- of trottoirniveau. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

Hinderaspecten met betrekking tot gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen

Het dakterras van de meergezinswoning sluit aan bij de leefruimte en is noodzakelijk i.f.v. een kwalitatieve private buitenruimte voor de wooneenheid op de verdieping.  Dit dakterras wordt volgens de plannen aan de achterzijde niet afgewerkt met een balustrade.  De kroonlijsthoogte van de achtergevel heeft een hoogte van slechts 3,18m boven de gelijkvloerse pas en vormt dus geen balustrade.  Het dakterras dient aan de achterzijde afgewerkt te worden met een balustrade (in glas of metaal bv.) die voldoet aan alle veiligheidsvoorschriften.

Het dakterras wordt gescheiden van het aanpalend plat dak van de eengezinswoning (ook ingetekend als dakterras) door een volle muur die, zoals hierboven beschreven wordt, beperkt dient te worden in hoogte.  Door de beperking van deze hoogte zal het dakterras in strijd zijn met de regelgeving rond lichten en zichten uit het Burgerlijk Wetboek.  Om die reden dient er op deze muur een ondoorzichtig, lichtdoorlatend scherm te worden geplaatst over de volledige diepte van het dakterras, met een hoogte van max. 2m boven de afgewerkte vloer van dit dakterras.

Het plat dak van de eengezinswoning wordt ook ingetekend als dakterras.  Dit is niet gebruikelijk bij eengezinswoningen en creëert enkel bijkomende hinder t.o.v. de aanpalende percelen.  De woning beschikt over voldoende tuinzone en een terras aanpalend aan de leefruimte op gelijkvloers niveau.  Het plat dak achter de verdieping van de eengezinswoning dient bijgevolg te worden aangelegd en afgewerkt als plat dak en mag niet worden gebruikt als dakterras.

Bovenstaande bemerkingen dienen te worden vertaald in de vergunningsvoorwaarden.

Het perceel achter het perceel van de aanvraag is in eigendom van dezelfde eigenaar.  In de bijgevoegde nota wordt aangegeven dat dit perceel wordt aanzien als uitbreiding van de tuinzone.  En dat dit perceel bereikbaar zal zijn via het voorziene karrespoor.  Het blijkt duidelijk dat dit perceel onlosmakend verbonden is aan het perceel van de aanvraag en dus mee beoordeeld dient te worden binnen deze aanvraag.

Op dit perceel staan een aantal zaken en constructies die oorspronkelijk aanwezig waren op het perceel van de aanvraag maar verplaatst werden: (race-) wagens, caravans, een grote tent, enz.  In de aanvraag wordt gesteld dat de aanvrager hiervoor gemeentebelasting betaalt.  Dit gegeven staat echter los van de stedenbouwkundige wetgeving en de vergunningstoestand.  In de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) staat volgende vermeld: 

“art. 4.2.1. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen: 

1° de hiernavolgende bouwwerken verrichten, met uitzondering van onderhoudswerken: 

a) het optrekken of plaatsen van een constructie, 

b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat, …, 

5° een grond gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten voor: 

a) het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, 

b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, 

c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt, in het bijzonder woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen en tenten, …”  Het mag dus duidelijk zijn dat de aanwezige zaken en constructies vergunningsplichtig zijn.  Het achterliggend perceel is gelegen in buffergebied, zowel zo benoemd door het geldende gewestplan als door het BPA.  Een buffergebied is een groengebied, vergelijkbaar met een natuurgebied, hiervoor wordt ook verwezen naar het advies van het Agentschap voor Natuur en Bos d.d. 22/06/2021.

Het stallen van de verschillende zaken en constructies op dit perceel zijn niet toegelaten binnen dit buffergebied.  Al deze zaken dienen verwijderd te worden.   Dit kan niet worden opgelegd als vergunningsvoorwaarde gezien vergunningsvoorwaarden niet mogen worden aangewend als herstelmaatregel.  

Uit de aanvraag blijkt duidelijk dat de intentie niet bestaat deze zaken te verwijderen en dat men deze situatie wenst te bestendigen door de toegang over het perceel met de meergezinswoning.  Dit is niet toelaatbaar.

Het perceel maakt daarnaast deel uit van de bufferzone uit het BPA.  Deze bufferzone werd voorzien als bufferzone rond het aanwezige bedrijf Limelco, in kader waarvan het BPA deels werd opgemaakt.  Om de hinder van dit bedrijf te beperken voor de omliggende woningen is het noodzakelijk dat de bufferzones volgens het BPA als bufferzone worden aangelegd:

“Art. 12: Bufferzone

Een groene bufferzone is verplicht op de aangeduide plaatsen.  Zij heeft een esthetische en afschermende functie.  Om deze afschermende functie te kunnen vervullen moet de beplanting een dichte structuur hebben, opgebouwd uit een bodembedekkende kruidlaag, heestermassieven en hoogstammig groen. …  Indien de breedte van de buffer 5.00 m of meer bedraagt zullen de beplantingen gerealiseerd worden op een aarden wal met een minimum hoogte van 1.50 m.

De beplanting moet permanent zijn over de volledige oppervlakte van de zone met de noodzakelijke verscheidenheid om haar functie te vervullen.  …

Het doorbreken van de bufferzone is in geen enkel geval toegelaten, …

Alle bebouwing, reclame of stapelen van materialen erin is verboden.”

De opslag van de aanwezige zaken is niet enkel in strijd met de voorschriften van het BPA voor deze bufferzone, waarbij niet kan worden afgeweken van het BPA conform art. 4.4.9/1 van de VCRO, deze zaken hypothekeren bovendien de aanleg van de noodzakelijke buffer rondom het aanwezige bedrijf.  Ook vertuining van deze zone is niet toelaatbaar.

Tenslotte kan worden gesteld dat deze zaken hinder veroorzaken.  In eerste instantie visuele hinder, in tweede instantie mogelijke andere hinder indien deze zaken niet louter gestockeerd zouden staan op dit perceel (bv. geluidshinder).

De aanvraag voldoet niet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving:

  • De meergezinswoning beschikt slechts over 2 bruikbare parkeerplaatsen voor 2 wooneenheden.  Een bezoekersparkeerplaats ontbreekt.
  • Het achterliggend perceel is onlosmakend verbonden met het perceel van de aanvraag en dient bijgevolg mee beoordeeld te worden binnen deze aanvraag.  De aanwezige zaken en constructies op dit perceel zijn in strijd met de BPA-voorschriften, waarvan voor dit perceel niet kan worden afgeweken, hypothekeren de aanleg van de verplichte groene buffer in deze zone en zijn hinderlijk.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 26/05/2021 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig, zoals hierboven weergegeven.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 22/06/2021 van het Agentschap Natuur en Bos is voorwaardelijk gunstig:

“Wij hebben uw vraag om advies op naam van Broux - Thuwis , te Zonhoven, met referentie 2021025174 goed ontvangen.

De aanvraag is bij ons geregistreerd met het kenmerk 21-209041

Dit advies wordt verstrekt door het Agentschap voor Natuur en Bos op basis van de volgende wetgeving: 

  • Artikel 35. § 4 Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Bespreking stedenbouwkundige vergunning 

Uit het dossier blijkt dat er geen vermijdbare schade aan de natuur zal veroorzaakt worden. 

Conclusie 

Op basis van het dossier dat ter advies is voorgelegd, stelt het Agentschap voor Natuur en Bos vast dat de bestaande natuurwaarden niet worden geschaad. De aanvraag wordt gunstig geadviseerd mits naleving van de volgende voorwaarde: 

  • De stedenbouwkundige voorschriften dienen strikt nageleefd te worden; 
  • Er mogen geen reliëfwijzigingen uitgevoerd worden op het achterliggende perceel met nr.: 614w, gedeelte gelegen in natuurgebied; 
  • Er mogen geen bijkomende verhardingen aangelegd worden in het gedeelte gelegen in natuurgebied. OF Werken in het tuingedeelte, zoals het bijkomend plaatsen van verharding, het kappen van bomen, e.a. moeten volgens de vigerende wetgeving vergund worden; 
  • Er mag geen afwatering gebeuren naar het natuurgebied. Dit betekent dat er een afhelling dient te gebeuren van de niet-waterdoorlatende oppervlaktes naar een centrale buffering en infiltratiepunt dat gelegen is binnen de bestemming woongebied. 
  • Het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is verboden in het natuurgebied volgens gewestplan. 
  • Alle van nature in het wild levende vogelsoorten en vleermuizen zijn beschermd in het Vlaamse Gewest op basis van het Soortenbesluit van 15 mei 2009. De bescherming heeft onder meer betrekking op de nesten van de vogels en de rustplaatsen van de vleermuizen (artikel 14 van het Soortenbesluit). Bij het uitvoeren van werken in de periode 1 maart tot 1 juli moet men er zich - vóór men overgaat tot de uitvoering van de werken - van vergewissen dat geen nesten van beschermde vogelsoorten beschadigd, weggenomen of vernield worden. Bij het werken aan (oude) constructies of het kappen van bomen dient men na te gaan vóór de werken beginnen of vleermuizen aanwezig zijn. Als nesten of rustplaatsen in het gedrang komen, dient u contact op te nemen met het Agentschap voor Natuur en Bos via het algemeen e-mail adres van AVES. 

Het Agentschap wenst een afschrift van de vergunning te krijgen.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 07/05/2021 van de Watergroep is voorwaardelijk gunstig:

“Advies Aftakkingen en Aansluitingen
 
Gedeeltelijk gunstig advies met voorwaarden.

Advies voor de appartementen :

Er is geen uitbreiding van de waterleiding noodzakelijk.

Door de beslissing van de Vlaamse regering op 8/04/2011 moet elke wooneenheid over een eigen watermeter te beschikken. De plaats van de watermeters moet beantwoorden aan de voorschriften van De Watergroep.

Het tellerlokaal moet een gemeenschappelijke ruimte zijn, groot en hoog genoeg voor de plaatsing van alle tellers.

Voor gemeenschappelijke ruimten geldt dat deze ruimte op elk moment voor elk van de gebruikers toegankelijk moet zijn.

Bovendien moet er een tijdelijke put van 1 x 1 x 1.2m voorzien worden voor het binnenbrengen van de waterleidingen. Na het binnenbrengen van de aftakking mag deze put gedempt worden. De koker vanuit de werkput tot buiten het gebouw moet een diameter van 150mm hebben. De plaatsing van een (energie) bocht is voor appartementen niet toegelaten.

In het gebouw dient een aftakput te worden voorzien van 1X1X1,2m. Wanneer de aftakput niet wordt voorzien, behoudt De Watergroep zich het recht voor de aftakking niet uit te voeren.

De kosten van de nieuwe aftakkingen zijn ten laste van de aanvragers.

Advies voor woning:

Voor hogervermeld perceel is geen uitbreiding van het waterleidingnet nodig.

Iedere wooneenheid dient over een afzonderlijke watermeter te beschikken.

De plaats van de watermeter dient te beantwoorden aan de voorschriften van De Watergroep.

Bij het plaatsen van de energiebocht dient rekening gehouden te worden met de afmetingen van de drinkwateraftakking.

Elke aftakking moet in rechte lijn, haaks op de rijweg kunnen uitgevoerd worden.

De kosten van de nieuwe aftakking(en) zijn ten laste van de aanvrager(s).”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

  • Het advies van 05/05/2021 van Proximus is gunstig:

“Met aandacht hebben wij uw adviesvraag onderzocht.
Proximus voorziet geen uitbreidingen voor de aansluiting van dit project. Aanvragen tot aansluiting op het Proximus netwerk kunnen door de aanvrager gericht worden naar onze klantendienst via het nummer 0800 22 800.
 In functie van de beschikbare capaciteit van onze infrastructuur op dat moment, bekijken we de mogelijkheden om een aansluiting te voorzien.“

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

  • Het advies van 08/06/2021 van de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg is voorwaardelijk gunstig. Er dienen geen structurele aanpassingen aan de plannen doorgevoerd te worden om te voldoen aan de brandveiligheid.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de voorgenomen werken zich onvoldoende ruimtelijk inpassen in de omgeving. De aanvraag is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening zoals hoger gemotiveerd.

EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving:

  • De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving gezien de betrokkenheid van het achterliggend perceel bij het perceel van de aanvraag, en het feit dat de aanwezige constructies/zaken op dat perceel in strijd zijn met de gewestplanbestemming en -voorschriften. 
  • De meergezinswoning beschikt slechts over 2 bruikbare parkeerplaatsen voor 2 wooneenheden.  Een bezoekersparkeerplaats ontbreekt.
  • Het achterliggend perceel is onlosmakend verbonden met het perceel van de aanvraag en dient bijgevolg mee beoordeeld te worden binnen deze aanvraag.  De aanwezige zaken en constructies op dit perceel zijn in strijd met de BPA-voorschriften, waarvan voor dit perceel niet kan worden afgeweken, hypothekeren de aanleg van de verplichte groene buffer in deze zone en zijn hinderlijk.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier ongunstig voor het bouwen van een halfopen eengezinswoning met een losstaande tuinberging en 2 appartementen met een losstaande carport/tuinberging zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 29/07/2021 omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en het afwijken van de BPA- voorschriften en tot het weigeren van de omgevingsaanvraag:

  • De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving gezien de betrokkenheid van het achterliggend perceel bij het perceel van de aanvraag, en het feit dat de aanwezige constructies/zaken op dat perceel in strijd zijn met de gewestplanbestemming en -voorschriften. 
  • De meergezinswoning beschikt slechts over 2 bruikbare parkeerplaatsen voor 2 wooneenheden.  Een bezoekersparkeerplaats ontbreekt.
  • Het achterliggend perceel is onlosmakend verbonden met het perceel van de aanvraag en dient bijgevolg mee beoordeeld te worden binnen deze aanvraag.  De aanwezige zaken en constructies op dit perceel zijn in strijd met de BPA-voorschriften, waarvan voor dit perceel niet kan worden afgeweken, hypothekeren de aanleg van de verplichte groene buffer in deze zone en zijn hinderlijk.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het weigeren van de omgevingsaanvraag voor het bouwen van een halfopen eengezinswoning met een losstaande tuinberging en 2 appartementen met een losstaande carport/tuinberging, zoals weergegeven op de ingediende plannen.