Terug
Gepubliceerd op 11/05/2022

2022_CBS_00466 - OMV - Vergunning - Delheidestraat 3 - 2022/00004 - Gedeeltelijke goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 03/05/2022 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2022_CBS_00466 - OMV - Vergunning - Delheidestraat 3 - 2022/00004 - Gedeeltelijke goedkeuring 2022_CBS_00466 - OMV - Vergunning - Delheidestraat 3 - 2022/00004 - Gedeeltelijke goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het slopen van de bestaande bijgebouwen, het verbouwen en uitbreiden van de woning en het bouwen van een garage.

De aanvraag werd op 06/01/2022 ontvangen.

Op 03/02/2022 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 07/02/2022 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 08/03/2022  werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De vereenvoudigde vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd geen openbaar onderzoek gehouden.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • Op 10/11/1976 werd een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor het bouwen van een garage, door het college van burgemeester en schepenen. (1976/00175)
  • Op 03/08/2021 werd er een splitsingsaanvraag (art. 5.2.2) goedgekeurd voor het afsplitsen van het perceel 952T33 over de hele lengte van het perceel met als doel een toegangsweg naar de woning Delheidestraat 3 te bestendigen. (2021/00022/SPLITSING)

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie op 14/12/2021. Het volgende werd meegegeven aan de aanvrager:

“ik heb het voorontwerp alvast bekeken zodat ik u mijn feedback kan overmaken.
De voornaamste struikelblok lijkt me de verharding/zwembad te zijn.
Zoals ik eerder liet weten is het niet mogelijk bij een zonevreemde woning nieuwe verharding te vergunnen.  Alle voorziene verharding (incl. een zwembad) dient dus te voldoen aan het vrijstellingsbesluit.  Dit besluit laat 2 verhardingen toe:

  • de plaatsing van niet-overdekte constructies in zijtuin en achtertuin, ingeplant tot op 1 meter van de perceelsgrens of tot tegen een bestaande scheidingsmuur, voor zover de gezamenlijke oppervlakte van dergelijke constructies, met inbegrip van alle bestaande niet-overdekte constructies in zijtuin en achtertuin, 80 vierkante meter niet overschrijdt.  Hierin zit ook een zwembad vervat.
  • de strikt noodzakelijke toegangen tot en opritten naar het gebouw of de gebouwen.

De inrit naar de garage en het looppad naar de woning zijn m.a.w. vrijgesteld.  Een beperkt looppad van de garage tot aan de achterdeur van de woning zou ook als strikt noodzakelijk beschouwd kunnen worden.
Buiten deze verharding dient de totale oppervlakte aan verhardingen, aanwezig in zij- en achtertuin, incl. het zwembad, beperkt te worden tot 80m².
Bijkomende verhardingen in de voortuin (de parkeerplaatsen en de patio - indien deze laatste als niet-overdekte constructie beschouwd kan worden) zijn niet vrijgesteld en ook niet vergunbaar.
Wat de niet-overdekte patio's betreft.  Als ik het goed begrijp, werden deze niet meegerekend in de volumeberekening?  Indien deze niet binnen het bouwvolume worden meegenomen, worden deze eveneens beschouwd als niet-overdekte constructies (niet-overdekte constructies : constructies zonder bouwvolume waarvan de hoogte beperkt is tot 1,5 meter boven het maaiveld), en dienen deze ook meegerekend te worden in de maximale 80m².
De niet-overdekte constructies in zij- en achtertuin (een strikt noodzakelijk pad van garage naar woning in minder gebracht) hebben een oppervlakte van ongeveer 110m² (zwembad/terras/patio), wat ongeveer 30m² teveel is om aan het vrijstellingsbesluit te voldoen.  (gesteld dat de patio voldoet aan de definitie van niet-overdekte constructie, zie verder)
Het lijkt me dat de enige manier om meer verhardingen te kunnen voorzien, het aantonen van vergunde verharding is, waarna de vergunde oppervlakte van de verharding herbouwd zou kunnen worden volgens de basisrechten zonevreemde constructies, niet zijnde woningbouw.  Maar dit lijkt me enerzijds een moeilijke opgave te zijn, die anderzijds mogelijk niet tot een grotere oppervlakte leidt.
I.v.m. de patio's, ik heb me de vraag gesteld of deze dienen meegenomen worden in de volumeberekening.  Als ik volgende link nalees, ging ik er in eerste instantie vanuit dat het correct is deze niet mee te rekenen en te bekijken als niet-overdekte constructies: 
https://omgeving.vlaanderen.be/bouwvolume-vcro-artikel-411-2%C2%B0.
Echter, uit de gevels leidt ik af dat de muren rondom deze patio's hoger zijn dan 1,5m, waardoor niet voldaan wordt aan de definitie van niet-overdekte constructie.  Hierdoor zouden deze patio's mijn inziens wél meegerekend moeten worden in het volume.  (wat wel de oppervlakte aan verharding en de vergunbaarheid van de patio in de voortuin ten voordele zou komen)
Daarnaast leid ik uit bovenstaande link af dat de garage in feite ook meegerekend dient te worden in het bouwvolume, gezien deze verbonden is met het hoofdvolume.  Dit zouden we kunnen oplossen indien de muur tussen hoofdgebouw en garage als vrijgestelde afsluiting kan worden beschouwd, zie het vrijstellingsbesluit: "afsluitingen tot een hoogte van twee meter in de zijtuin en achtertuin".  Dit dient ofwel duidelijk aangetoond en gemotiveerd te worden in de aanvraag.  Ofwel dient deze muur niet aangevraagd te worden, zodat er duidelijk sprake is van een vrijstaand bijgebouw dat voldoet aan het vrijstellingenbesluit.
Buiten de bemerkingen op vlak van regelgeving heb ik één bijkomende bemerking.  De lange (noodzakelijke) inrit zorgt voor een hoge verhardingsgraad.  Kan de optie bekeken/overwogen worden om deze (deels) als karrespoor, met daartussen groen, uit te voeren?
Het concept is m.a.w. ruimtelijk en architecturaal aanvaardbaar en inpasbaar, we botsen echter op de regels van de zonevreemde wetgeving.”
 
In een latere bespreking werd nog aangehaald dat de verharding van de inrit niet dient aangelegd te worden met een karrenspoor, maar toegelaten kan worden met verharding als deze voldoende opgevangen.

De aanvraag voldoet aan bovenstaande bespreking met uitzondering van de parkeerplaatsen die voorzien worden door de aanleg van een grindgazon. 

Uit het aanvraagdossier / de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag constructies en/ of handelingen werden opgericht/ verricht/ aanwezig zijn, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft een veranda en enkele bijgebouwen met verhardingen op het perceel.

Deze wederrechtelijk opgerichte constructies/ uitgevoerde handelingen werden (deels) opgenomen in de huidige aanvraag als te verwijderen.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de vereenvoudigde procedure behandeld.

Er werd bijgevolg geen openbaar onderzoek gehouden.

ADVIEZEN

Fluvius 

Patrimonium 

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, gelegen in woonuitbreidingsgebied.

De woonuitbreidingsgebieden zijn uitsluitend bestemd voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de  ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel de overheid geen besluit tot vaststelling van de uitgaven voor de voorziening heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor.

De woonuitbreidingsgebieden zijn bij uitstek die zones waar aan een woningbeleid kan worden gedaan; Voor het aansnijden van de woonuitbreidingsgebieden is het nodig te kunnen beschikken over bijkomende gegevens, zoals bepaald in het KB van 6 januari 1980.

Bij de ontwikkeling van woonuitbreidingsgebieden dient een woonbehoeftestudie te worden voorgelegd ter verantwoording van de te creëren bijkomende woongelegenheden.

De aanvraag voldoet principieel niet aan de geldende bestemmingsvoorschriften.

AFWIJKINGEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Beperkte afwijkingen

Art. 4.4.1.

§ 2. De volgende handelingen worden niet beschouwd als afwijkend van stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften, tenzij die voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk verbieden:

1° de plaatsing van fotovoltaïsche zonnepanelen of zonneboilers geïntegreerd in het dakvlak;

2° de creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°;

3° het aanbrengen van gevelisolatie aan de buitenzijde van een woning met een dikte van ten hoogste 26 centimeter.

ZONEVREEMDE CONSTRUCTIE

De aanvraag is van toepassing op een zonevreemde constructie waarvoor binnen de Vlaamse codex ruimtelijke ordening onder Hoofdstuk IV, Afdeling 2, basisrechten zijn opgenomen.

De aanvraag voldoet aan deze afwijkingsbepalingen zoals hieronder beschreven.

Art. 4.4.10.

§ 1. Deze afdeling is van toepassing op vergunningsaanvragen die betrekking hebben op hoofdzakelijk vergunde en niet verkrotte zonevreemde constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen of uithangborden.

Het voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, wordt beoordeeld op het ogenblik van de eerste vergunningsaanvraag tot verbouwen, herbouwen of uitbreiden, of, in de gevallen, vermeld in onderafdeling 3 en 4, op de vooravond van de afbraak, de vernietiging of de beschadiging.

§ 2. De basisrechten van deze afdeling zijn van toepassing in gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan of een plan van aanleg.

Een ruimtelijk uitvoeringsplan kan de basisrechten van deze afdeling aanvullen en uitbreiden. Dergelijk plan kan evenwel ook strengere voorwaarden bepalen op het vlak van de maximaal toegelaten volumes bij herbouw.

De aanvraag voldoet aan de toepassing van dit artikel.

Art. 4.4.12.

In alle bestemmingsgebieden geldt dat de vigerende bestemmingsvoorschriften op zichzelf geen weigeringsgrond vormen bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het verbouwen van een bestaande zonevreemde woning, op voorwaarde dat het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal. De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.

Art. 4.4.15.

Het uitbreiden van een bestaande zonevreemde woning is vergunbaar, voor zover het bouwvolume beperkt blijft tot ten hoogste 1 000 m3 en op voorwaarde dat het aantal woongelegenheden beperkt blijft tot het bestaande aantal. De creatie van een zorgwoning in de zin van artikel 4.1.1, 18°, is wel toegelaten.

De mogelijkheden, vermeld in het eerste lid, gelden niet in:

1° ruimtelijk kwetsbare gebieden, met uitzondering van parkgebieden;

2° recreatiegebieden, zijnde de als dusdanig door een plan van aanleg aangewezen gebieden, en de gebieden, geordend door een ruimtelijk uitvoeringsplan, die onder de categorie van gebiedsaanduiding « recreatie » sorteren.

De aanvraag voldoet niet aan deze voorwaarden:

Vrijstelling vergunningsplicht 

  • Volgens art. 2.1.11° van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, in werking getreden op 1 december 2010, is de aanvraag voor het bouwen van de garage in de zijtuinstrook op minstens 5,98m van de dichtstbijzijnde perceelgrens zonder voorwerp. De oppervlakte van de garage bedraagt 40 m² en bevindt zich op minder dan 30 m van de op te richten woning.
  • Volgens art. 2.1.5°  zijn afsluitingen tot een hoogte van 2m in de zijtuin en achtertuin vrijgesteld van vergunning. De aanvraag voorziet in terrasmuren bij de terrassen en tot aan de losstaande garage in de zijtuin. 
  • Volgens art. 2.1.8° van dit besluit geldt ook de vrijstellingsplicht voor niet-overdekte constructies van minder dan 80 m² voor zover zij aangebracht worden op minstens 1 m van de perceelsscheiding. Het terras achter de woning en bij de patio worden aangelegd tot op meer dan 1m van de perceelsscheiding en zijn dus vrijgesteld. 
  • Het aanleggen van de strikt noodzakelijke toegangen tot de gebouwen is volgens art. 2.1.9° van dit besluit ook niet vergunningsplichtig.

Stedenbouwkundige verordeningen ( Zie fluvius omtrent verhardingen inrit)

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw op te richten garage en de verbouwing/uitbreiding aan de woning met een horizontale dakoppervlakte van 344m² twee hemelwaterputten worden voorzien met een inhoud van 10 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en een buitenkraan. Het hemelwater van de oprit en de verhardingen gaat rechtstreeks naar de WADI rechts achteraan het terrein, het hemelwater dat opgevangen wordt door de gebouwen gaat eerst naar de hemelwaterputten en waarvan de overloop aangesloten wordt op de aan te leggen WADI.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “Individueel te optimaliseren buitengebied”. Een individuele waterbehandeling is noodzakelijk. Er wordt een septische put voorzien op het perceel met een volume van 3000 liter.

Het advies van 09/03/2022 van Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

Het betreft hier het verbouwen en uitbreiden van een eengezinswoning, hiervoor verwijzen wij graag naar www.fluvius.be/aansluitingen

Voor uw rioleringsaansluiting geven we u volgende advies:

Wij adviseren om bij (her)aanleg van de voortuin, de inrit en/of de privéwaterafvoer op het privéterrein een volledig gescheiden stelsel (vuilwater en hemelwater) te voorzien tot aan de rooilijn. Via een Y-koppeling kan dan aangesloten worden op de bestaande rioleringsaansluiting. De diameter van de afvoerbuis voor vuilwater (DWA) is 125 mm, voor hemelwater (RWA) is dit 160 mm. Conform Vlarem II zal bij de aanleg van een gescheiden openbaar rioleringsstelsel in de straat ook een volledige scheiding van vuilwater en hemelwater op privéterrein verplicht zijn. 

Het besluit van de Vlaamse Regering van 05/7/2013 betreffende de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, in voege sinds 01/01/2014, bepaalt dat bij een uitbreiding > 40 m² tegen een bestaand gebouw een even groot deel van de bestaande verharde oppervlakten mee dienen af te wateren naar de infiltratievoorziening, indien deze bestaande verharde oppervlakten nog niet zijn aangesloten op een hemelwaterput, infiltratievoorziening of buffering. De inhoud van de infiltratievoorziening dient minimum 25 liter/m² referentieoppervlakte te bedragen. De referentieoppervlakte is de som van alle oppervlakten die afwateren naar deze infiltratievoorziening.

Voor alle andere vragen verwijzen wij graag naar onze website, www.fluvius.be of het algemeen nummer 078 35 35 34.

Bovenstaande informatie geven we mee onder voorbehoud van latere wijzigingen.

Mocht later bijvoorbeeld blijken dat de definitieve vermogens toch buiten de standaardnormen vallen, dan kan ons advies nog wijzigen.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceelsoppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de inkomhal, de berging en de wasplaats.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Slopen

De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het Vlarem II, omgevingsvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

Lichten en zichten

De aanvraag werd getoetst aan art. 675 tot en met 680 bis van het burgerlijk wetboek dat bepalingen bevat inzake zichten en lichten op een naburig erf.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het slopen van de bestaande bijgebouwen, het verbouwen en uitbreiden van de woning en het bouwen van een garage.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING 

( Deze wordt verderop uitgevoerd )
 De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

Het perceel van de aanvraag is gelegen aan de Delheidestraat, een voldoende uitgeruste gemeenteweg.

De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open en halfopen verband.

Omschrijving van de aanvraag

De bestaande zonevreemde woning wordt deels afgebroken en terug uitgebreid. De bestaande losstaande bijgebouwen worden verwijderd op het perceel en er wordt 1 losstaande garage links van de te verbouwen woning voorzien. Verder worden er ook verhardingen, hagen en laagstammige bomen verwijderd in de tuinzone.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

Het uitbreiden en verbouwen van de bestaande woning en het bouwen van een losstaande garage is zowel in de ruime als in de onmiddellijke omgeving functioneel inpasbaar.

Mobiliteitsimpact

De aanvraag voorziet in 4 autostaanplaatsen/ garages voor 1 woongelegenheid. Er worden 2 autostaanplaatsen voorzien in de losstaande garage en 2 op het grindgazon. Dit is ruim voldoende om de parkeerlast op eigen terrein op te vangen.

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen

De bestaande woning zal aan de linkerzijde en achteraan deels worden afgebroken. Op deze locatie zal een uitbreiding plaatsvinden. De verbouwing houdt ook in dat de gevels opnieuw geïsoleerd en afgewerkt zullen worden met een breedte van 25cm. Door deze isolatie en gevelafwerking zal de afstand van de woning ten opzichte van de rechter perceelgrens nu minstens 1,17m bedragen. Het volledige hellende dak zal verwijderd worden van de woning en zal nu afgewerkt worden met een plat dak. Aan de rechterzijde wordt de bestaande woning ook verhoogd tot een maximale kroonlijsthoogte van 4,30m. Deze uitbreiding zorgt er niet voor dat de zonevreemde woning een volume zal hebben groter dan 1000m³, hetgeen toegestaan is volgens de regelgeving omtrent zonevreemde woningen. Het voorzien van de isolatie en de gevelafwerking is om te voldoen aan de energieprestatieregelgeving. De voorziene gevelmaterialen kunnen aanvaard worden. 

Links van de woning wordt er een losstaande garage voorzien. Deze garage wordt ingeplant op minstens 5,98m van de perceelgrenzen en op 3m van de linker gevel van de woning. Zoals hierboven omschreven onder de rubriek “Vrijstelling vergunningsplicht” zal deze losstaande garage voldoen aan het vrijstellingsbesluit en wordt er dus ook geen uitspraak over gedaan. 

Naar de vrijgestelde losstaande garage wordt er een inrit aangelegd in niet waterdoorlatende verharding. Deze inrit begint vanuit de Delheidestraat tussen huisnummer 1 en 5. Er werd hier een smalle doorgang gecreëerd om de achterliggende woning te bereiken. De volledige breedte van deze doorgang van 4m wordt hier verhard. Wanneer de versmalling stop bedraagt de breedte van de oprit slechts 3m en loopt zo door tot aan de losstaande garage. Ook dit voldoet aan het vrijstellingsbesluit zoals hierboven omschreven onder de rubriek “Vrijstelling vergunningsplicht”.

Verder worden er ook nog 2 terrassen voorzien bij de woning. Deze terrassen hebben een respectievelijke oppervlakte van 23m² en 57m² waardoor ze gezamenlijk voldoen aan het vrijstellingsbesluit zoals aangegeven onder de rubriek “Vrijstelling vergunningsplicht”. 

Aan deze terrassen en tot aan de garage worden ook tuinmuren voorzien met een hoogte van 2m. Deze afsluitingen voldoen ook aan he vrijstellingsbesluit zoals om schreven onder de rubriek “Vrijstelling vergunningsplicht”.

Voor het overige voorziet men parkeerplaatsen in het grindgazon aan de voorzijde van de woning langsheen de inrit. Dit grindgazon wordt ook gezien als verharding. Aangezien het gaat om een zonevreemde woning kan er enkel aan het vrijstellingsbesluit voldaan worden in functie van de verhardingen op het terrein. Dergelijke bijkomende verharding op het terrein kan dus niet aanvaard worden.

De overige zones op het terrein worden groen aangeplant en de bestaande hoogstammige bomen aan de achterzijde blijven behouden. Wel wordt er in de achtertuin van de woning een wadi voorzien om zo het hemelwater dat wordt opgevangen op de grote inrit naar de garage op te vangen. De wadi vangt ook de overloop op van de hemelwaterput die aangesloten is aan de woning. 

Bodemreliëf

Aangezien er, met uitzondering van de aanleg van de wadi,  geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving voor wat betreft het uitbreiden en verbouwen van de woning en de daarbij voorziene aanleg, maar voldoet niet de criteria voor de goede ruimtelijke ordening voor wat betreft het grindgazon vooraan de woning.

BESPREKING ADVIEZEN

  • Het advies van 22/03/2022 van de dienst patrimonium is gunstig:

“Aangezien al het regenwater van de verhardingen in de wadi terecht komt, dient deze zeker voldoende gedimensioneerd te worden.

De berm op openbaar domein dient een grasberm te zijn. Enkel de breedte van de oprit mag in waterdoorlatende verharding worden voorzien.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is deels verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Niet van toepassing.

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag deels in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp deels verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is deels vatbaar voor een omgevingsvergunning mits het opleggen van voorwaarden.

Er wordt geen uitspraak gedaan over de terrasmuren, de losstaande garage, de inrit en de verhardingen in zij- en achtertuin omdat deze werken vallen onder toepassing van het vrijstellingsbesluit zoals hoger omschreven.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier:

  • ongunstig voor wat betreft de parkeerplaatsen in grindgazon voor de woning, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden.
  • voorwaardelijk gunstig voor het slopen van de bestaande bijgebouwen en het verbouwen en uitbreiden van de bestaande woning, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:
    1. Er dient voldaan te worden aan het advies dat werd opgesteld door de dienst Patrimonium. De wadi dient voldoende gedimensioneerd te worden om het hemelwater op de verharde inrit te kunnen opvangen.
      Riolering
    2. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
    3. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be); 
    4. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
    5. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
    6. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
    7. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
      Terrein en gelijkgrondse berm:
    8. Aangezien er , met uitzondering van de aanleg van de aan te leggen wadi, geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
    9. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
    10. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 4 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
    11. De verharding van de inrit moet uitgevoerd worden zoals deze is voorzien op de ingediende plannen.
    12. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
    13. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het burgerlijk wetboek;
      Andere voorwaarden:
    14. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
    15. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
    16. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
      Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
    17. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
    18. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van tot het afleveren van een gedeeltelijke omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een gedeeltelijke omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager. 

Het college van burgemeester en schepenen weigert de omgevingsaanvraag voor de parkeerplaatsen in grindgazon voor de woning, zoals weergegeven op de ingediende plannen.

Het college van burgemeester en schepenen vergunt onder voorwaarden de omgevingsaanvraag voor het slopen van de bestaande bijgebouwen en het verbouwen en uitbreiden van de bestaande woning, zoals weergegeven op de ingediende plannen die als bijlage de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

Volgende voorwaarden dienen strikt nageleefd te worden:

  1. Er dient voldaan te worden aan het advies dat werd opgesteld door de dienst Patrimonium. De wadi dient voldoende gedimensioneerd te worden om het hemelwater op de verharde inrit te kunnen opvangen.
    Riolering
  2. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  3. Er dient voldaan te worden aan het Algemeen Waterverkoopreglement en aanvullende voorwaarden van de netbeheerder ( zie www.fluvius.be); 
  4. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  5. Voor de aansluiting van de riolering van het perceel op het openbaar rioleringsstelsel dient een toelating van Fluvius bekomen te worden;
  6. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  7. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  8. Aangezien er , met uitzondering van de aanleg van de aan te leggen wadi, geen wijzigingen van het terreinniveau voorzien zijn in de aanvraag, dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  9. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  10. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 4 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  11. De verharding van de inrit moet uitgevoerd worden zoals deze is voorzien op de ingediende plannen; 
  12. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  13. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het burgerlijk wetboek;
    Andere voorwaarden:
  14. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  15. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  16. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  17. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  18. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

 Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.