Terug
Gepubliceerd op 23/03/2022

2022_CBS_00281 - OMV - Vergunning - Kruisstraat 13 en 13a - 2021/00291 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 15/03/2022 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2022_CBS_00281 - OMV - Vergunning - Kruisstraat 13 en 13a - 2021/00291 - Goedkeuring 2022_CBS_00281 - OMV - Vergunning - Kruisstraat 13 en 13a - 2021/00291 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft 

  • het bouwen van een kantoorgebouw met conciërgewoning, het regulariseren en uitbreiden van de productiehallen en het regulariseren van de containers en de cementsilo. 
  • Het hernieuwen, wijzigen en uitbreiden van een inrichting voor het vervaardigen van betonelementen

De aanvraag werd op 09/10/2021 ontvangen.

Op 04/11/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 09/11/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 02/12/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 12/12/2021 tot en met 10/01/2022, gesloten met 0 bezwaarschriften.

GEGEVENS VAN HET BEDRIJF 

De activiteiten van het bedrijf zijn de volgende: productie van betonelementen.

Huidige aanvraag behelst een hernieuwing en verandering door wijziging en uitbreiding. De huidige milieuvergunning loopt af op 13 mei 2024, vandaar de aanvraag tot hernieuwing. Waarmee tegelijk een omzetting naar onbepaalde duur wordt gevraagd. 

De verandering houdt een regularisatie van de bestaande opslagtanks en machines in nav vervangingen. 

Verder wordt de site te Kruisstraat 12A toegevoegd bij de aanvraag gezien op deze locatie diverse gevaarlijke producten worden opgeslagen ifv de bedrijfsvoering van Betonprofiel Bulen, met opslag van hout en metaalbewerkingstoestellen. 

Waarbij op percelen 130V39 en 130G40 de opslaghal bevindt; 130R40 zijn de parkeerplaatsen en de buffer voor de hal. 

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

Perceel 2de afdeling, sectie D nr. 130A34, 130Z33

  • 1978/00093: bouwvergunning op 21 december 1978 door de Vlaamse Regering voor het bouwen van een werkhuis.
  • 1980/00113: bouwvergunning op 10 september 1980 door het college van burgemeester en schepenen voor het bouwen van een werkplaats.
  • 1993/00142: bouwvergunning op 18 mei 1994 door de deputatie voor het regulariseren van het bedrijf onder de voorwaarde dat een bufferzone van 2 meter breedte met streekeigen beplanting en langs de achterzijde een buffer van 5m voorzien worden. De cementsilo en de opslagbunkers (nu containers genoemd) - dewelke zich links achteraan het perceel bevinden – werden uitgesloten uit de vergunning.

Perceel 2de afdeling, sectie D nr. 130V39 en 130R40

  • 1971/00091: bouwvergunning op 1 oktober 1971 door het college van burgemeester en schepenen voor het bouwen van een toonzaal.
  • 2009/11352: stedenbouwkundige vergunning op 3 november 2009 door het college van burgemeester en schepenen voor het afbreken van een bureelgebouw en het bouwen van een conciërgewoning met bureel en een loods fase 1.
  • 2016/000169: stedenbouwkundige vergunning op 4 mei 2017 door de Deputatie voor het bouwen van een opslagloods  en terreinaanleg.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.

Uit het aanvraagdossier / de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat op het perceel van de aanvraag constructies en/ of handelingen werden opgericht/ verricht/ aanwezig zijn, waarvoor geen vergunning verleend werd. Het betreft de cementsilo en de opslagbunkers (nu containers genoemd), dewelke zich links achteraan het perceel bevinden en de productiehallen. Deze wederrechtelijk opgerichte constructies/ uitgevoerde handelingen werden opgenomen in de huidige aanvraag als te regulariseren.

Milieu

Volgende milieuvergunningen / meldingen werden afgeleverd op volgende percelen:

  • Milieuvergunning klasse 2 dd 19/04/1993 voor 20 jaar mits bekomen van een bouwvergunning; 
  • Milieuvergunning klasse 2 van 15/05/2014 tem 15/05/2024   met als bijzondere voorwaarden: gunstig brandweerverslag bekomen; nieuwe bovengrondse dubbelwandige opslagtanks van 5000 liter; uitvoeren OBO; stroomgenerator in de loods; afzuiginginstallatie en overvulbeveiliging van de silo. 

Het perceel is opgenomen in het Grondeninformatieregister.

Op 26/06/2016 werd een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd met volgende conclusie: geen beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld. Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden. Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 12/12/2021 tot en met 10/01/2022.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Agentschap Natuur en Bos

Brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg

Provinciale dienst Water & Domeinen

Inter Vlaanderen

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

Het project komt voor op bijlage III van het project-mer-besluit wat maakt dat een project MER opgemaakt moet worden, tenzij de initiatiefnemer via een project-m.e.r.-screeningsnota kan aantonen dat het project geen aanzienlijke milieueffecten zal veroorzaken.  Er werd een project-m.e.r.-screeningsnota bij de aanvraag gevoegd. De effecten op milieu en omgeving werden voldoende omschreven en uit de nota bleek dat de mogelijke milieueffecten van het project niet aanzienlijk zijn.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

Het stedenbouwkundig advies beperkt zich tot de site Kruisstraat 13 - kadastraal gekend als 2de afdeling, sectie D nr. 130A34 en 130Z33 - waar de stedenbouwkundige handelingen plaats vinden.

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en deels gelegen in natuurgebied. 

Gebied voor ambachtelijke bedrijven

De industriegebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. 

Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. 

De gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard (artikel 8 van het Koninklijk besluit van 28 december1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

Natuurgebieden

De groengebieden zijn bestemd voor het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu. In de groengebieden geldt een principieel bouwverbod. In principe worden enkel de werken toegelaten die gericht zijn op of verenigbaar zijn met het behoud, de bescherming en het herstel van het natuurlijk milieu.

De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk (artikel 13 van het Koninklijk besluit van 28 december1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

Gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

Het goed is deels gelegen binnen de afbakening van het gemeentelijk RUP Zonevreemde woningen dat op 27/11/2017 definitief werd vastgesteld door de gemeenteraad van Zonhoven en verscheen in het Belgisch staatsblad op 25/01/2018. 

Er worden drie deelgebieden als een perimeterplan afgebakend met een aanvullend voorschrift dat onder voorwaarden van toepassing is. Dit voorschrift wijzigt het gewestplan niet. De drie perimeterplannen zijn:

  • Het vijvergebied
  • Het heidegebied
  • De voormalige reservatiezone A24

Het voorschrift behorend bij het RUP is slechts onder volgende voorwaarden van toepassing:

  • Namelijk enkel voor bestaande, niet – verkrotte, hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen die een vergunde of vergund geachte residentiële hoofdfunctie, ééngezinswoning of een vergunde of vergund geachte functie als woningbijgebouw hebben.
  • Voor de gronden waarop ze staan en de tuinen en de omgeving bij de woningen in ruimtelijk kwetsbaar gebied.
  • Er moet voldaan zijn aan de inrichting van de buitenruimte (artikel 4 en 5 van het voorschrift).
  • Er moet voldaan zijn aan het systeem van een gescheiden rioleringsstelsel.

De aanvraag is gedeeltelijk gelegen binnen de perimeter Heidegebied, maar heeft geen betrekking op een zonevreemde woning. Het RUP is niet van toepassing op voorliggende aanvraag.

Verkaveling

De aanvraag is niet gelegen in een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.

Bijzonder plan van aanleg

Het goed is gelegen binnen de omschrijving van het sectoraal bijzonder plan van aanleg Zonevreemde bedrijven –Betonprofiel dat werd goedgekeurd op 21/06/2002 en verscheen in het Belgisch staatsblad op 11/07/2002.  Artikel 7 ‘zone voor lokale bedrijvigheid’, artikel 8 ‘zone voor voortuinen’ en artikel 9 ‘zone voor buffer’ zijn van toepassing op voorliggende aanvraag.

De aanvraag wijkt af van volgende stedenbouwkundige voorschriften van het BPA:

Art. 8 – zone voor voortuinen: 

In een zone van 5 meter gemeten t.o.v. de rand van de rijweg is de plaatsing van een omheining niet toegelaten. De omheiningen worden in draad- en/of hout opgericht in combinatie met een haag op klimplanten. Andere materialen zijn niet toegelaten. 

-> Er werd een metalen afsluiting met een hoogte van 1,50 meter voorzien bijna op de rooilijn

Art. 9 – Zone voor buffer:        

Een zone als buffer is verplicht op de aangeduide plaatsen, met de respectievelijke omvang. Om de afschermende functie te kunnen vervullen moet de beplanting een dichte structuur hebben: de buffer is permanent en gelaagd… Alle bebouwing, reclame of stapelen van materialen erin is verboden.

-> ter hoogte van de achterste perceelgrens aan de linkerzijde van het eigendom wordt plaatselijk de buffer versmald tot 3 meter in plaats van 5 meter (omwille van de aanvoerroute voor het zand en de granulaten is een volledige buffer van 5m niet mogelijk) en de cementsilo en containers (opslagbunkers) bevinden zich in de zone voor buffer.

Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de bepalingen van artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd door het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (zgn. Codextrein).

AFWIJKINGEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Handelingen sorterend onder voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dat ouder is dan 15 jaar

Art. 4.4.9/1.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.

Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:

1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:

a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;

b) industriegebieden in de ruime zin;

c) dienstverleningsgebieden;

d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;

2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:

a) gebieden voor service-residentie;

b) kantoor- en dienstenzones;

c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;

d) lokale en regionale bedrijventerreinen;

e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;

f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;

g) businessparken;

h) teleport;

i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;

j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;

k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;

l) kleinhandelszones;

m) zones van handelsvestigingen;

n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;

o) zeehavengebieden;

p) gebieden voor watergebonden bedrijven;

q) transportzones;

r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;

s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;

t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;

u) gemengde woon- en industriegebieden;

v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;

w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;

x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;

y) gebieden voor kernontwikkeling.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.

Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

De aanvraag voldoet aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de  metalen afsluiting met een hoogte van 1,50 meter voorzien bijna op de rooilijn omdat ter hoogte van de afsluiting de gewestplanbestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s is, waardoor de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzondere plannen van aanleg een aanvulling vormen op de industriegebieden in de ruime zin.

 

De aanvraag voldoet niet aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft het versmallen van de bufferzone van 5 meter naar 3 meter en de plaatsing van de cementsilo en containers (opslagbunkers) in de zone voor buffer omdat de onderliggende gewestplanbestemming een ruimtelijk kwetsbaar gebied is, m.n. natuurgebied.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat er hemelwaterputten worden voorzien met een totale inhoud van 60.000 liter en recuperatie van het hemelwater voor de productie van beton en het sanitair. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening waarvan de oppervlakte en het volume voldoen aan de verordening.

Het advies van 10/02/2022 van de provinciale dienst Water en Domeinen is voorwaardelijk gunstig:

“Het regenwater van de in de aanstiplijst in rekening gebrachte dakoppervlakte en verharding (te regulariseren, nieuw, bestaand) moet effectief worden afgekoppeld naar de hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen.”

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Toegankelijkheid

Er dient voldaan te worden aan het besluit van 5 juni 2009 van de Vlaamse Regering en latere wijzigingen, tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid, van toepassing op het bouwen, herbouwen, verbouwen of uitbreiden van constructies of delen ervan, die publiek toegankelijk zijn.

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013, verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid. De aanvraag doorstaat de watertoets.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

De Kruisstraat is een voldoende uitgeruste weg in asfaltverharding. De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Artikel 4.3.6. Bouwen/uitbreiden bedrijfswoning

Voor het bouwen of uitbreiden van een bedrijfswoning bij een bedrijf in een daartoe geschikt bestemmingsgebied, kan een omgevingsvergunning worden verleend voor een volume van ten hoogste 1 000m³, of 1 250m³ in geval van bewoning door meer dan één met het bedrijf verbonden gezin. Een vergunning wordt geweigerd als de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede of een bijkomende, vrijstaande bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf.

De aanvraag dient te worden geweigerd omdat de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf. Op 3 november 2009 werd door het college van burgemeester en schepenen een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd aan Bulen Davy voor het afbreken van een bureelgebouw en het bouwen van een conciërgewoning met bureel en een loods fase 1 op het eigendom Kruisstraat 12A en 12B. 

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag. Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem. De voorliggende aanvraag voldoet hieraan: er worden rookmelders geplaatst in de gang en op de overloop.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt niet dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is niet van toepassing.

De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving en de stedenbouwkundige voorschriften.

  • De aanvraag dient te worden geweigerd omdat de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf.
  • De te regulariseren containers en de cementsilo zijn volgens de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA gelegen in een ‘zone voor buffer’ en de afwijkingsbepalingen van artikel 4.4.9/1 zijn hierop niet van toepassing.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag betreft het bouwen van een kantoorgebouw met conciërgewoning, het regulariseren en uitbreiden van de productiehallen en het regulariseren van de containers en de cementsilo bij een bestaande betoncentrale.

Het kantoorgebouw met conciërgewoning op het verdiepingsniveau wordt opgericht voor de bestaande productiehallen en bestaat uit 2 bouwlagen en wordt afgedekt met een plat dak. De kroonlijsthoogte bedraagt 6,85 meter gemeten vanaf het voorliggende maaiveld. De gevels worden uitgevoerd in gevelpanelen in zichtbeton. Het kantoorgebouw heeft een oppervlakte van ca. 300m² en wordt opgericht op meer dan 8 meter van de linker perceelgrens en op 13,57 meter uit de rooilijn. 

Het kantoorgebouw staat in rechtstreekse verbinding met de achterliggende productiehallen. Deze productiehallen werden anders uitgevoerd dan vergund en dienen daarom te worden geregulariseerd. De productiehallen zullen bovendien ook nog uitgebreid worden aan de rechterzijde met een productiehal van ca. 95 m². Hierdoor zal de totale oppervlakte aan productiehallen op de site ca. 1.342m² bedragen. De productiehallen hebben een maximale kroonlijsthoogte van 6,85 meter en worden uitgevoerd deels in metalen sandwichpanelen en gevelelementen in cellenbeton. De productiehallen situeren zich op minimum 7 meter uit de achtergevel en op minimum 3 meter uit de linker perceelgrens.

 

Links achteraan op het terrein bevinden zich nog de te regulariseren cementsilo en containers (opslagbunkers). De cementsilo werd zonder vergunning opgericht op zeer korte afstand van de linker perceelgrens en situeert zich bijna volledig binnen de bouwvrije zone van 3 meter dewelke dient te worden aangelegd als buffer. De cementsilo heeft een hoogte van 12,85 meter, gemeten vanaf het voorliggende maaiveld. De containers (opslagbunkers), dewelke eveneens zonder vergunning werden geplaatst, werden opgericht op de linker- en achterste perceelgrens en hebben een maximale hoogte van 3,60 meter.

De zone voor bedrijvigheid wordt verder aangelegd met enerzijds een betonverharding met een oppervlakte van 1.093m² en anderzijds met een waterdoorlatende verharding bestaande uit groot formaat betonplaten met een oppervlakte van 1.279m².

Rondom het terrein worden groenbuffers voorzien. Aan de straatzijde wordt een groenbuffer voorzien met een breedte van 8 meter met streekeigen beplanting waarin ook 5 parkeerplaatsen worden aangelegd. In deze groenbuffer situeert zich ook de metalen omheining met spijlen met een hoogte van 1,50 meter. Rechts van het eigendom werd een groenberm aangelegd met een hoogte van 2 meter en een breedte van 4 meter dewelke wordt aangelegd met streekeigen beplanting. Aan de linkerzijde van het terrein bevindt zich een 3 meter brede groenbuffer dewelke enkel ter hoogte van de cementsilo en containers (opslagbunkers) niet werd aangelegd. Tegen de achterste perceelgrens werd deels een groenbuffer aangelegd met streekeigen beplanting met een breedte van 5 meter, wordt deels een groenbuffer voorzien met een breedte van 3 meter en wordt deels enkel een ligusterhaag met een hoogte van 2 meter voorzien. De groenbuffer kan niet in haar volle breedte van 5 meter worden aangelegd omdat zich hier de transportband met bijhorende verharding bevindt ter bevoorrading van de cementsilo en containers (opslagbunkers).

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De aanvraag is gelegen in een gebied dat geordend wordt door een gemeentelijk plan van aanleg waarvan niet op geldige wijze afgeweken wordt. Dit plan of die vergunning bevat voorschriften die de aandachtspunten, vermeld in art. 4.3.1 §2 1° van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening, behandelen en regelen. Deze voorschriften worden geacht de criteria van de goede ruimtelijke ordening weer te geven.

De cementsilo en containers (opslagbunkers) bevinden zich binnen de zone voor buffer. Deze bufferzone heeft een esthetische en afschermende functie als doel waarin alle bebouwing, reclame of stapelen van materialen verboden is. De cementsilo en containers (opslagbunkers) hypothekeren de aanleg van de buffer en brengen hierdoor de goede ruimtelijke ordening in het gedrang. Om dezelfde redenen werd de cementsilo en opslagbunkers niet vergund door de deputatie op 18 mei 1994 en werd er ook geen rekening gehouden met deze constructies bij de opmaak van het BPA.   

Aangezien de cementsilo en containers (opslagbunkers) een cruciaal onderdeel uitmaken van het productieproces en beide constructies niet vergunbaar zijn zal de aanvraag in haar totaliteit worden geweigerd. Er dient eerst een andere inplantingsplaats gezocht te worden voor beide constructies in overeenstemming met de voorschriften van het BPA vooraleer er andere constructie kunnen worden toegelaten. Nu een vergunning afleveren voor andere constructies op het eigendom hypothekeert mogelijks niet alleen de verplaatsing van cementsilo en containers (opslagbunkers) met bijhorende transportband, maar zou ook niet getuigen van goed bestuur. Zonder de cementsilo en opslagbunkers kan het bedrijf immers niet functioneren.

Bijkomend kan een tweede conciërgewoning vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaard worden. In de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA wordt als nevenbestemming 1 eengezinswoning met tuin en aanhorigheden t.b.v. de bedrijfsvoering per bedrijf toegelaten. Het toelaten van een tweede conciërgewoning zal enkel maar zorgen voor een verdere residentialisering van het KMO-gebied en brengt de verdere realisatie van het KMO-gebied in het gedrang aangezien deze gebieden bestemd zijn voor niet-verweefbare bedrijvigheid aan het wonen.

De aanvraag voldoet niet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

BESPREKING ADVIEZEN

1.- Het advies van 10/02/2022 van de provinciale dienst Water en Domeinen is voorwaardelijk gunstig:

N.a.v. het eerder ongunstig advies van de afdeling Waterbeheer: d.d. 23 december 2021 werden nieuwe plannen ingediend op 14 januari 2022.

Hierbij kan ik u meedelen dat het dossier in het kader van de watertoets voorwaardelijk gunstig beoordeeld werd.

Ik verzoek u evenwel de voorwaarden in de omgevingsvergunning op te nemen zoals ze geformuleerd werden in het bijgaand advies. 

DEEL 1 INLICHTINGENFICHE 

Ligging van het perceel: 

  • kadaster: gemeente Zonhoven, afdeling 2, sectie D, nrs. 130Z33 & 130A31 
  • adres: Kruisstraat 13 
  • niet gelegen in een overstromingsgevoelig gebied 

Documenten 

  • aanstiplijst bij stedenbouwkundige verordening: niet bijgevoegd 

Waterloop en machtiging 

  • stroomgebied van de onbevaarbare waterlopen: ZUSTERKLOOSTERBEEK, nummer 208, categorie: 2de 
  • watering: neen 

DEEL 2 WATERADVIES I.V.M. DE WATERTOETS 

(art. 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018) 

1 Beschrijving van het watersysteem 

  • Het betreft een activiteit binnen het stroomgebied van een onbevaarbare waterloop van 2de categorie. 
  • Het perceel is daarenboven gelegen in: 

het bekken van de Demer 

het deelbekken Midden-Demer 

2 Waterplannen 

Het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde is van toepassing. 

3. Toetsen aan de doelstellingen decreet integraal waterbeheer, gecoördineerd op 15 juni 2018 – artikel 1.2.2

De adviesvraag handelt over de richtlijn gewijzigd afstromingsregime.

Voor de richtlijn “gewijzigde afstromingsregime” is een positieve uitspraak mogelijk indien voldaan wordt aan de vigerende gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen (5 juli 2013).

Er is voldaan aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater van 5 juli 2013. Evenwel moeten volgende voorwaarden worden opgenomen in de vergunning:

het regenwater van de in de aanstiplijst in rekening gebrachte dakoppervlakte en verharding (te regulariseren, nieuw, bestaand) moet effectief worden afgekoppeld naar de hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen.

DEEL 3 CONCLUSIES ONDERZOEK WATERBEHEERDER

Uit de toepassing van de nadere regels voor de toepassing van de watertoets bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, en latere wijzigingen, is gebleken dat het bouwen van een kantoorgebouw en het vervaardigen van betonelementen een verandering van de toestand van watersystemen (of bestanddelen ervan) tot gevolg heeft. Deze verandering heeft geen betekenisvol schadelijk effect op het watersysteem voor zover de volgende voorwaarde wordt opgenomen in de vergunning:

Het regenwater van de in de aanstiplijst in rekening gebrachte dakoppervlakte en verharding (te regulariseren, nieuw, bestaand) moet effectief worden afgekoppeld naar de hemelwaterputten en infiltratievoorzieningen.

Het wateradvies is dan ook voorwaardelijk gunstig.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd

2.- Het advies van brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg, Inter Vlaanderen en het Agentschap Natuur en Bos werden niet binnen de wettelijk opgelegde termijn ontvangen. Er wordt bijgevolg aan de adviesvereiste voorbij gegaan.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de voorgenomen werken zich onvoldoende ruimtelijk inpassen in de omgeving, dat de voorgenomen aanvraag de ruimtelijke draagkracht van het gebied overschrijdt en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving in het gedrang kunnen brengen of verstoren. De aanvraag is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening zoals hoger gemotiveerd.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

De aanvraag betreft een hernieuwing van een bestaande milieuvergunning naar een omgevingsvergunning, verandering door wijziging en verandering door uitbreiding.  Tevens het toevoegen van een bijkomende locatie als milieutechnische eenheid, waar hoofdzakelijk opslag plaatsvindt. 

De aanvraag houdt in: een omzetting naar een omgevingsvergunning voor onbepaalde duur; nieuwe opslagtanks voor diesel en bekistingsolie; vervangen van de stroomgenerator; vervangen compressor; toevoeging van de site te Kruisstraat 12 A voor de opslag van gevaarlijke stoffen in kleinverpakkingen en diverse metaalbewerkingstoestellen. 

Met volgende aangevraagde rubrieken: 

  • 6.4.1°  opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen  -zijnde de opslag van 2.950 liter gasolie in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder, de opslag van 3.000 liter oliën in 2 bovengrondse, dubbelwandige opslaghouders, de opslag van 1.000 liter diversen in kleine verpakkingen voor een totale opslag van 6950 liter (betreft een verandering);
  • 6.5.1° brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen zijnde 1 verdeelslang;
  • 12.1.1.1°a) inrichtingen die wisselspanning opwekken zijnde een stroomgenerator met een vermogen van 165 kVA (ter vervanging van de bestaande stroomgenerator van 25 kVA);
  • 16.3.2°a): inrichtingen voor het fysisch behandelen van gassen zijnde een compressor met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW (ter vervanging van een compressor van 15 kW);
  • 17.3.2.1.1.1°b): opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 2,5075 ton gasolie in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder met een waterinhoudsvermogen van 2.950 liter, voor een totale hoeveelheid van 2,5080 ton gasolie (vervanging van de bestaande opslaghouder);
  • 17.3.4.2°a) opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 45 ton cement in een bovengrondse silo – hernieuwing;
  • 17.3.6.2°a) opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 45 ton cement in een bovengrondse silo en de opslag van 3.000 liter oliën in 2 bovengrondse opslaghouders - totaal 48 ton (hernieuwing);
  • 17.4. opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l zijnde de opslag van in totaal 1.000 liter / kg diversen in kleine verpakkingen – nieuwe rubriek;
  • 29.5.2.1°a) bewerking of behandeling van metalen of voorwerpen uit metaal zijnde diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 15 kW – nieuwe rubriek;
  • 31.1.1.a: vastopgestelde dieselmotor bij stroomgenerator met een vermogen van 140 kW – niet langer van toepassing;
  • 17.3.7.1. de opslag van 3.000 liter bekistingsolie in een bovengrondse opslaghouder - niet langer van toepassing;

Volgende onderdelen zijn niet-vergunningsplichtig en aldus niet opgenomen: 

Opslag van houten panelen te Kruisstraat 12A. Dit zou niet vergunningsplichtig zijn gezien de beperkte hoeveelheid.  Tijdens het plaatsbezoek is er twijfel over de hoeveelheid die aanwezig was. Deze zal schommelen rond de 40 m³.  Indien de hoeveelheid groter is dan 40 m³, in een lokaal, is dit vergunningsplichtig volgens rubriek 19.6. Op termijn is het de bedoeling om de houtopslag naar de site te Kruisstraat 13 te brengen en daar overdekt op te slaan (momenteel is de overdekking nog niet aanwezig). Wanneer deze verhuis doorgevoerd wordt en bij een overschrijding van 40 m³ moet een verandering van de omgevingsvergunning aangevraagd worden. 

Op 08/03/2022 heeft de milieuambtenaar Kristel Ceulemans een plaatsbezoek afgelegd bij het bedrijf, tesamen met Ann Biesmans, dienst vergunningen en handhaving.

MILIEU-ASPECTEN

Er zijn volgende milieutechnische entiteiten :   opslag grondstoffen en productie van betonelementen te Kruisstraat 13 – opslag hout, metaalbewerkingstoestellen en gevaarlijke producten in kleinverpakkingen te Kruisstraat 12A.

Ligging ten opzichte van de buurt

De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in: deels in ambachtelijke zone – deels natuurgebied. Een BPA is van toepassing. 

In een straal van 100 meter zijn 6 woningen gelegen.  

Op 3 meter van de perceelsgrenzen staat één woning. 

Dit maakt dat de inrichting voor wel hinder kan zorgen voor de buurt m.n. geluids- en stofoverlast.

De uitbating behaalt de voorgeschreven bufferzone van het BPA niet.  Voornamelijk aan de achterzijde van het bedrijf kan de bufferzone niet behaald worden gezien dit de toegangsweg naar de cementsilo en opslagplaats mineralen is. Voor verdere aftoetsing aan de wettelijke bepalingen van het VCRO en het BPA wordt verwezen naar het stedenbouwkundig advies. 

AFWIJKING OP DE MILIEUVOORWAARDEN

Het bedrijf vraagt geen afwijkingen aan op   algemene en/of sectorale milieuvoorwaarden, wel een afwijking op de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater. De exploitant wenst een grotere opvangcapaciteit voor hemelwater te voorzien dan de voorgeschreven hemelwaterput van 10 m³ m.n. 3 x 20 m³ met een overloop naar 9 x 4,8 m³ infiltratieputten.  Het hemelwater wordt gebruikt voor de productie van betonelementen, sanitaire installaties en beregening groenzones. 

Gezien dit een verminderd gebruik van leidingwater inhoudt, kan dit positief geadviseerd worden. 

BODEM

Het bedrijf valt met volgende rubrieknummers uit de Vlaremindelingslijst onder de categorie van risico-inrichting: 12.1.1.b; 17.3.3.2.a; 30.2.1.b waarbij categorie 

A - oriënterend bodemonderzoek verplicht bij overdracht, sluiting en faillissement, en om de 20 jaar.

Het bedrijf heeft reeds een bodemonderzoek uitgevoerd volgens het bodemsaneringsdecreet op 2016  met volgend besluit: BBO niet uit te voeren. 

De uitgevoerde activiteit vormt een risico voor bodemverontreiniging.  

Volgende maatregelen neemt het bedrijf: dubbelwandige, bovengrondse opslaghouders met lekdetectie en overvulbeveiliging.  De opslag van kleinverpakkingen vindt plaats in opslagkasten of lekbakken. De generator beschikt over een lekopvangbak. 

GELUIDSHINDER

Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kan geluidshinder waar te nemen buiten het bedrijf: typische bedrijfsvoering; stroomgenerator. 

Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen: De normale bedrijfsactiviteiten vinden plaats van 7 uur tot 18 uur. 

Gezien de ligging grenzend aan natuurgebied en de naastliggende woning is het wenselijk om  rustverstorende werkzaamheden te beperken en als voorwaarde op te leggen binnen deze vergunning: “Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.”

AFVALGASSEN 

Mbt afvalgassen afkomstig van het productieproces zijn volgende hinderlijke gassen waar te nemen: uitstoot dieselgenerator.  Doordat de dieselgenerator recent werd vervangen door een nieuw toestellen zijn de emissies en brandstofverbruik gedaald. 

STOFHINDER

In het bedrijf wordt stof geproduceerd, afkomstig van het lossen van de minerale grondstoffen en vullen cementsilo. De silo werd voorzien van een silo-topfilter en overdruk- en overvulbeveiliging.  

De opslag van de minerale grondstoffen kan tevens voor hinder zorgen.   Er is sprake van vernatting bij droogte.   Indien blijkt dat er bij droogte en/of wind sprake is van stofhinder afkomstig van de opgeslagen producten en/of bedrijfsvoering, dient de exploitant over te gaan tot vernatting om stofhinder tegen te gaan. 

LICHTBEHEERSING

Gezien de ligging in/tegen natuurgebied is het van belang dat er geen lichthinder naar het aanpalend natuurgebied overgedragen wordt. 

Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid.  Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.  

LOZING VAN AFVALWATER 

Er wordt enkel huishoudelijk afvalwater geloosd afkomstig van de sanitaire installaties, geen bedrijfsafvalwater. Het lozingspunt is de voorliggende openbare riolering. 

Hoofdzakelijk wordt gebruik gemaakt van hemelwater voor de aanmaak van beton.  Wanneer geen hemelwater voorhanden is, schakelt men over naar leidingwater. Op jaarbasis wordt 50 m³ leidingwater hiervoor aangewend tov 600 m³ hemelwater. 

AFVALSTOFFEN

Volgende afvalstoffen worden gescheiden opgehaald: papier en karton, PMD, ijzer, hout, betonafval, restafval. Gescheiden afvalrecipiënten zijn niet zichtbaar aanwezig op het bedrijventerrein. Er is sprake van het uitsorteren van de vuilnisbakken ifv georganiseerde afvoer.  Het bedrijf dient te voldoen aan de wettelijke sorteerverplichtingen van het Vlarema. 

LIGGING IN KWETSBAAR GEBIED

De voortoets werd uitgevoerd op 20 mei 2021 met als besluit dat er geen betekenisvolle aantasting is van aanwezige habitats.  

Een passende beoordeling werd  bijgevolg niet opgesteld. 

Beplantingsplan:

Aan de voorzijde is een gedeeltelijke buffer aanwezig, gelegen voor het huidige administratieve gebouw, grenzend aan de straatzijde. 

Voorts wordt een nieuw beplantingsplan bijgevoegd (“…N_39_Betonprofiel Beplantingsplan”). De vermelde soort Prunus Lauro Ceranus, gelegen in de bufferzone genoemd “artikel 9 – zone voor buffer streekeigen beplanting”, gelegen in de talud, is alvast niet streekeigen. Het is niet wenselijk om deze soort aan te planten gelet op het feit dat dit niet inheems is, maar beschikt over enige ecologische waarde als drachtplant voor bijen en hommels, mits de bloemen niet worden weggesnoeid. 

Tijdens het plaatsbezoek werd opgemerkt dat de aangeplante soort niet in overeenstemming is met het beplantingsplan.   Het belang van een correct beplantingsplan is voor deze aanvraag van belang gezien de verplichting volgens het BPA. 

De voorgestelde ligusterhaag thv van de transport voor de minerale grondstoffen (noordwest, achter de hal), werd aan de buitenzijde van de draad geplant. Het kan niet de bedoeling zijn dat de buffer gerealiseerd wordt op terrein van derden. 

Volgens het beplantingsplan worden volgende groenbuffers voorzien tegen het naastliggend perceel D 130Y40 (zuidwest), aan de achterzijde van de hal tegen grondgebied Genk (noordwest) en aan de straatzijde. Tijdens het plaatsbezoek zijn deze momenteel niet aanwezig.   Verder valt op hoeveel afgewerkte producten het bedrijf buiten opslaat, o.a. in deze zones aangeduid voor buffer.   De vraag rijst hoe realistisch dit beplantingsplan is voor de bedrijfsvoering en de exploitant om te kunnen realiseren. De bufferzone van 3 meter, achter de hal, thv de toegangsweg naar de cementsilo, is in de praktijk zeer moeilijk realiseerbaar zoals ingetekend op het plan zonder de bedrijfsvoering in het gedrang te brengen.

Hiervoor wordt verwezen naar het advies van de deskundige ruimtelijke ordening waarbij negatief advies verleend wordt. Gelet op bovenstaande kan dit bijgetreden worden, doch maakt de verplichting tot aanleg van een buffer geen deel uit van de van toepassing zijnde sectorale voorwaarden van Vlarem II. 

AANGEVRAAGDE RUBRIEKEN

Volgende onderdelen uit het bedrijf dienen nog voorzien van een omgevingsvergunning :

  • 6.4.1°  opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen  -zijnde de opslag van 2.950 liter gasolie in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder, de opslag van 3.000 liter oliën in 2 bovengrondse, dubbelwandige opslaghouders, de opslag van 1.000 liter diversen in kleine verpakkingen voor een totale opslag van 6950 liter (betreft een verandering);
  • 6.5.1° brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen zijnde 1 verdeelslang;
  • 12.1.1.1°a) inrichtingen die wisselspanning opwekken zijnde een stroomgenerator met een vermogen van 165 kVA (ter vervanging van de bestaande stroomgenerator van 25 kVA);
  • 16.3.2°a): inrichtingen voor het fysisch behandelen van gassen zijnde een compressor met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW (ter vervanging van een compressor van 15 kW);
  • 17.3.2.1.1.1°b): opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 2,5075 ton gasolie in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder met een waterinhoudsvermogen van 2.950 liter, voor een totale hoeveelheid van 2,5080 ton gasolie (vervanging van de bestaande opslaghouder);
  • 17.3.4.2°a) opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 45 ton cement in een bovengrondse silo – hernieuwing;
  • 17.3.6.2°a) opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 45 ton cement in een bovengrondse silo en de opslag van 3.000 liter oliën in 2 bovengrondse opslaghouders - totaal 48 ton (hernieuwing);
  • 17.4. opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l zijnde de opslag van in totaal 1.000 liter / kg diversen in kleine verpakkingen – nieuwe rubriek;
  • 29.5.2.1°a) bewerking of behandeling van metalen of voorwerpen uit metaal zijnde diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 15 kW – nieuwe rubriek;
  • 31.1.1.a: vastopgestelde dieselmotor bij stroomgenerator met een vermogen van 140 kW – niet langer van toepassing;
  • 17.3.7.1. de opslag van 3.000 liter bekistingsolie in een bovengrondse opslaghouder - niet langer van toepassing;

Volgende onderdelen uit het bedrijf dienen niet vergund te worden :

Opslag van houten panelen te Kruisstraat 12A. Dit zou niet vergunningsplichtig zijn gezien de beperkte hoeveelheid. 

Indien de hoeveelheid groter is dan 40 m³, in een lokaal, dient dit opgenomen te worden in de vergunning. 

vergunningstermijnen

Het omgevingsproject vraagt een omgevingsvergunning van onbepaalde duur.  Gelet op bovenstaande, kan dit gevolgd worden.  

ADVIES –VOORWAARDEN – DUUR:

Advies – voorwaarden:

Gelet op het onderzoek dat ingesteld werd door de gemeentelijke omgevingsambtenaar, gebaseerd op de gegevens die beschikbaar werden gesteld door de bedrijfsleiding binnen het omgevingsproject wordt volgende geadviseerd:

Gunstig mits volgende voorwaarden worden opgelegd: 

  • De brandweervoorschriften van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg moeten nageleefd worden. Op het ogenblik van de beëindiging van de inrichtingswerken, dient de aanvrager de korpsbevelhebber van hulpverleningszone hiervan in te lichten, teneinde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandweervoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven.
  • Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.
  • Indien blijkt dat er bij droogte en/of wind sprake is van stofhinder afkomstig van de opgeslagen producten en/of bedrijfsvoering, dient de exploitant over te gaan tot vernatting om stofhinder tegen te gaan. 
  • Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid.  Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.  
  • Het bedrijf dient te voldoen aan de wettelijke sorteerverplichtingen van het Vlarema. 

Duur:

De vergunningsduur kan verleend worden voor onbepaalde duur.

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag niet in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp niet verenigbaar / bestaanbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. De aanvraag is niet vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kantoorgebouw met conciërgewoning, het regulariseren en uitbreiden van de productiehallen en het regulariseren van de containers en de cementsilo en het hernieuwen, wijzigen en uitbreiden van een inrichting voor het vervaardigen van betonelementen;

1.- De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving en de stedenbouwkundige voorschriften.

  • De aanvraag dient te worden geweigerd omdat de aanvraag betrekking heeft op het oprichten van een tweede bedrijfswoning bij eenzelfde bedrijf.
  • De te regulariseren containers en de cementsilo zijn volgens de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA gelegen in een ‘zone voor buffer’ en de afwijkingsbepalingen van artikel 4.4.9/1 zijn hierop niet van toepassing.

2.- De aanvraag is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening. 

  • Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de voorgenomen werken zich onvoldoende ruimtelijk inpassen in de omgeving, dat de voorgenomen aanvraag de ruimtelijke draagkracht van het gebied overschrijdt en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving in het gedrang kunnen brengen of verstoren.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier ongunstig voor het bouwen van een kantoorgebouw met conciërgewoning, het regulariseren en uitbreiden van de productiehallen en het regulariseren van de containers en de cementsilo en het hernieuwen, wijzigen en uitbreiden van een inrichting voor het vervaardigen van betonelementen, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en het afwijken van de verkavelingvoorschriften maar volgt het advies tot het weigeren van de omgevingsaanvraag niet.

De silo en bijhorende containers liggen onderliggend in industriegebied volgens het ingediend plan van de beëdigd landmeter. Deze zijn vergunbaar mits een afwijking van het BPA. Het BPA is ouder dan 15 jaar en het CBS oordeelt dat een afwijking hier kan.
De toegang tot de silo is echter complexer. Hier is de onderliggende bestemming natuurgebied en is een afwijking zoals voorgesteld niet mogelijk.
 De afmetingen tussen het gebouw en de buffer bedraagt 2,70m. Een parkeerplaats voor vrachtwagens heeft volgens de richtlijnen een breedte van 2,65m tot 3m. De bouwheer dient flankerende maatregelen te nemen om bij het in-en uitrijden van vrachtwagens enkel deze breedte te gebruiken. Zo kan 4,5m tot 5m van de buffer gevrijwaard blijven van dit transport dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.  
Het CBS legt wel op dat de buffer aan de achterzijde van het gebouw over de volledige lijn moet doorgetrokken worden tot aan de containers. Beplanting in nabijheid van de container/silo kan uitzonderlijk in plantenbakken.

De buffer aan de achterzijde ter hoogte van de inrit moet dus voor een breedte van 3 meter ten alle tijden beplant zijn met de vermelde haagbeuk of een equivalent. Indien er één afsterft dient deze vervangen te worden. In de overige 1,5 m tot 2 m van de buffer mogen geen tijdelijke of vaste constructies aangebracht worden tenzij in functie van het groenbehoud. 

Het college wenst af te wijken van het BPA voor de vergunning van de bedrijfswoning. Een afwijking is vergunbaar, het BPA is ouder dan 15 jaar. De VCRO stelt in artikel 4.3.6. dat een 2e vrijstaande woning niet mogelijk is. Hierbij is het woord vrijstaand van belang. Als de eerste woning vrijstaand is, kan de 2e enkel inpandig zijn. Dat is hier het geval. De aanvraag voor conciërgewoning is dus aanvaardbaar. 

Het college legt voor de bouw van het kantoorgebouw met conciërgewoning een groendak op. Aangepaste plannen dienen hiertoe aangebracht te worden op de dienst RO alvorens de werken starten.

De Punus Lauro Ceranus beplanting in de buffer tov de woning dient vervangen te worden door streekeigen beplanting conform het BPA. 

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van een kantoorgebouw met conciërgewoning, het regulariseren en uitbreiden van de productiehallen en het regulariseren van de containers en de cementsilo en het hernieuwen, wijzigen en uitbreiden van een inrichting voor het vervaardigen van betonelementen, zoals weergegeven op de ingediende plannen.

Met volgende rubrieken:

  • 6.4.1°  opslagplaatsen voor brandbare vloeistoffen  -zijnde de opslag van 2.950 liter gasolie in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder, de opslag van 3.000 liter oliën in 2 bovengrondse, dubbelwandige opslaghouders, de opslag van 1.000 liter diversen in kleine verpakkingen voor een totale opslag van 6950 liter (betreft een verandering);
  • 6.5.1° brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen zijnde 1 verdeelslang;
  • 12.1.1.1°a) inrichtingen die wisselspanning opwekken zijnde een stroomgenerator met een vermogen van 165 kVA (ter vervanging van de bestaande stroomgenerator van 25 kVA);
  • 16.3.2°a): inrichtingen voor het fysisch behandelen van gassen zijnde een compressor met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 10 kW (ter vervanging van een compressor van 15 kW);
  • 17.3.2.1.1.1°b): opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 2,5075 ton gasolie in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder met een waterinhoudsvermogen van 2.950 liter, voor een totale hoeveelheid van 2,5080 ton gasolie (vervanging van de bestaande opslaghouder);
  • 17.3.4.2°a) opslagplaatsen voor bijtende vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 45 ton cement in een bovengrondse silo – hernieuwing;
  • 17.3.6.2°a) opslagplaatsen voor schadelijke vloeistoffen en vaste stoffen zijnde de opslag van 45 ton cement in een bovengrondse silo en de opslag van 3.000 liter oliën in 2 bovengrondse opslaghouders - totaal 48 ton (hernieuwing);
  • 17.4. opslagplaatsen voor gevaarlijke vloeistoffen en vaste stoffen, met uitzondering van de opslagplaatsen, vermeld in rubriek 48, en producten, gekenmerkt door gevarenpictogram GHS01, in verpakkingen met een inhoudsvermogen van maximaal 30 liter of 30 kilogram, voor zover de maximale opslag begrepen is tussen 50 kg of 50 l en 5000 kg of 5000 l zijnde de opslag van in totaal 1.000 liter / kg diversen in kleine verpakkingen – nieuwe rubriek;
  • 29.5.2.1°a) bewerking of behandeling van metalen of voorwerpen uit metaal zijnde diverse metaalbewerkingstoestellen met een totaal geïnstalleerde drijfkracht van 15 kW – nieuwe rubriek;
  • 31.1.1.a: vastopgestelde dieselmotor bij stroomgenerator met een vermogen van 140 kW – niet langer van toepassing;
  • 17.3.7.1. de opslag van 3.000 liter bekistingsolie in een bovengrondse opslaghouder - niet langer van toepassing;

De vergunning wordt afgeleverd voor onbepaalde duur.

Artikel 3

Volgende voorwaarden dienen strikt nageleefd te worden:

  1. Bij de toegang tot de silo dienen er flankerende maatregelen te worden genomen om enkel een breedte van 2,70m vanaf de achtergevel in gebruik te nemen als doorgang;
  2. De buffer dient aan de achterzijde van het gebouw over de volledige lijn te worden doorgetrokken tot aan de containers.  Beplanting in nabijheid van de containers/silo kan uitzonderlijk voorzien worden dmv plantenbakken;
  3. De buffer aan de achterzijde moet, ter hoogte van de inrit, voor een breedte van 3m ten allen tijden beplant zijn met de vermelde haagbeuk of een equivalent.  Indien er één afsterft, dient deze vervangen te worden.  In de overige 1,5m tot 2m van de buffer mogen geen tijdelijke of vast constructies worden aangebracht, tenzij i.f.v. het groenbehoud;
  4. Het kantoorgebouw met conciërgewoning dient voorzien te worden van een groendak.  Aangepaste plannen hiervan dienen aangeleverd te worden aan de dienst Vergunningen en handhaving alvorens de werken starten;
  5. De Punus Lauro Ceranus beplanting in de buffer t.o.v. de woning dient vervangen te worden door streekeigen beplanting conform het BPA.

Milieu:

  1. De brandweervoorschriften van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg moeten nageleefd worden. Op het ogenblik van de beëindiging van de inrichtingswerken, dient de aanvrager de korpsbevelhebber van hulpverleningszone hiervan in te lichten, teneinde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandweervoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven.
  2. Rustverstorende werkzaamheden zijn verboden op werkdagen vóór 7 uur en na 19 uur, en op zon- en feestdagen.
  3. Indien blijkt dat er bij droogte en/of wind sprake is van stofhinder afkomstig van de opgeslagen producten en/of bedrijfsvoering, dient de exploitant over te gaan tot vernatting om stofhinder tegen te gaan. 
  4. Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid.  Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.  
  5. Het bedrijf dient te voldoen aan de wettelijke sorteerverplichtingen van het Vlarema. 

Riolering:

  1. De afvoer van de overloop van de hemelwateropvang en de afvoer van het afvalwater dienen te voldoen aan de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius (www.fluvius.be );
  2. De riolering moet uitgevoerd worden zoals weergegeven op de ingediende plannen én rekening houdend met het Algemeen Waterverkoopreglement en de voorwaarden van de rioleringsbeheerder Fluvius.
  3. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid. Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke;
  4. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Terrein en gelijkgrondse berm:

  1. Ophogingen van het bodemreliëf zijn slechts toegelaten tot op gelijke hoogte of tot op maximaal 30cm boven het straat- of trottoirniveau. De ophoging mag maximaal tot op 30m achter de (ontworpen) rooilijn/ voorste perceelgrens uitgevoerd worden. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinniveau behouden te blijven. Een strook van 1m langsheen de perceelsgrenzen mag bij eventuele terreinwijzigingen nooit hoger gebracht worden dan het niveau van de aanpalende percelen. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  2. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  3. Uitgezonderd de vergunde inrit/inritten, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  4. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven of hersteld te worden, behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  5. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingsplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  6. Enkel de op plan aangegeven bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
  7. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;

Andere voorwaarden:

  1. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  2. Het advies van 10/02/22 van de provinciale dienst Water en Domeinen dient strikt te worden gevolgd;
  3. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  4. Op het ogenblik van de beëindiging der werken, en vóór de ingebruikname  van het pand, zal de aanvrager de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg hiervan in kennis stellen, ten einde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandvoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven. Gezien de veiligheid van het pand in het gedrang kan komen, worden geen omgevingsvergunningen meer afgeleverd alvorens voldaan werd aan de opgelegde brandbeveiligingsmaatregelen.  Indien voor de uitvoering van de voorschriften van de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg een wijziging van de omgevingsvergunning noodzakelijk is, dient deze voor de aanvang van de werken ingediend te worden.
  5. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);
  6. Alle kosten ten gevolge van schade aan het openbaar domein, voortvloeiend uit de werken op privaat terrein zijn ten laste van de aanvrager;
  7. Alvorens een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen dient bewezen te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de reeds afgeleverde stedenbouwkundige vergunningen / omgevingsvergunningen.