Terug
Gepubliceerd op 09/02/2022

2022_CBS_00124 - OMV - Vergunning - Boddenveldweg 7 - 2021/00253 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 01/02/2022 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2022_CBS_00124 - OMV - Vergunning - Boddenveldweg 7 - 2021/00253 - Goedkeuring 2022_CBS_00124 - OMV - Vergunning - Boddenveldweg 7 - 2021/00253 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het bouwen van een nieuwe loods, kappen van bomen, slopen bijgebouw en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verhardingen, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, en een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij.

De aanvraag werd op 19/08/2021 ontvangen.

Op 14/09/2021 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 27/09/2021 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 20/10/2021 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 30/10/2021 tot en met 28/11/2021, gesloten met 2 bezwaarschriften.

GEGEVENS VAN HET BEDRIJF

De activiteiten van het bedrijf zijn de volgende: aluminium schrijnwerkerij.

Huidige aanvraag behelst een verandering, zijnde verandering / uitbreiding van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij. De inrichting betreft een ingedeelde inrichting klasse 3 waarvoor volgende indelingsrubrieken van toepassing zijn:

  • 6.5.1° - een brandstofverdeelslang;
  • 12.2.1° - een transformator van 400 kVA, opgesteld in een aparte cabine nabij de straatzijde;
  • 12.3.2° - 2 acculaders tbv een vorklift en een veegmachine;
  • 15.1.1° - 8st, waaronder vrachtwagen, bestelwagen, vorklift, aanhangwagens;
  • 16.3.2°a) - persluchtcompressor van 40 kW, plaatsing 38 warmtepomp-units à 3,5 kW elk = 133 kW - Totaalvermogen: 173 kW;
  • 17.3.2.1.1.1°b) - een dieseltank van 3.550 l = 3,05 ton; bovengronds, dubbelwandig;
  • 17.4 - de opslag van 150 kg gevaarlijke stoffen in kleinverpakking, waaronder siliconen, butyl, lijmen etc;
  • 19.3.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 23.2.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 29.5.2.1°a) - metaalbewerking - totaalvermogen 191,6 kW

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

  • 2000/08525: WEIGERING stedenbouwkundige aanvraag op 05/03/2001 voor het bouwen van een industriehal;
  • 2008/11088: stedenbouwkundige vergunning op 11/08/2008 voor het ontbossen met het oog op de bouw van een industriehal;
  • 2008/11193: stedenbouwkundige vergunning op 12/01/2009 voor het bouwen van kantoren en een assemblagehal met stockage;
  • 2010/11802: stedenbouwkundige vergunning op 09/08/2010 voor het bouwen van een hoogspanningscabine;
  • 2010/11951: stedenbouwkundige aanvraag op 22/12/2010 voor het regulariseren van een productiehal met kantoren, ONVOLLEDIG verklaard op 03/01/2011;
  • 2020/00046: omgevingsaanvraag op 05/03/2020 voor uitbreiding van een industriehal, ONVOLLEDIG verklaard op 02/04/2020;
  • 2020/00235: omgevingsaanvraag op 30/10/2020 voor regularisatie overstromingsbekken en herziening regenwaterinfiltratie en afbraak bijgebouw, ONVOLLEDIG verklaard op 16/11/2020;
  • 2020/00253: omgevingsaanvraag op 24/11/2020 voor een nieuwbouw opslagloods tegen een bestaand vergund industriegebouw, ONVOLLEDIG verklaard op 17/12/2020.

De aanvraag werd in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie en de provinciale dienst Water en Domeinen in het voorjaar 2021. Het overleg betrof de wijze waarop de aanvraag kon ingediend worden, rekening houdende met het bouwmisdrijf, de niet vergunde constructies en de gewenste toestand.

Volgende werd hierover aangegeven:

1ste overleg 07/01/2021

      “Overleg nav discussie rond: aanvraag in 1 of in 2 dossiers?

      Architect staat op 1 dossier.  In principe is dit mogelijk voor gemeente, maar er dient eerst consensus bereikt worden met provincie, in kader van gunstig advies.  Deze communicatie met provincie is voor aanvrager/architect, niet voor gemeente.

      In principe is voor aanvrager 2 dossiers ook een mogelijkheid, gezien uitbreiding niet dringt.  Men ziet vooral het nut hiervan niet in.

      Er wordt meegegeven dat de inritten aan de insteekweg versmald moeten worden tot 5 m (voorwaarde voorgaande vergunning) en dat nieuwe ontsluiting vanuit Boddenveld geen optie is. De architect verwijst naar BPA. Het BPA voorziet ontsluiting echter uitsluitend om eventueel achterliggend perceel mogelijk te maken. De architect is het hier niet mee eens.

      Er wordt geen consensus bereikt, aanvrager en architect dienen samen te bekijken voor welke optie ze kiezen en wat ze hiervoor nog zullen doen.”

Bericht dienst aan de aanvrager 09/02/2021:

      “De mogelijkheden met betrekking tot de procedure voor het dossier ‘Aluzon’ zowel intern als met de Provincie verder bekeken.

      Zowel de Provincie als de gemeente Zonhoven kan akkoord gaan met volgende werkwijze:

  1. Het dossier wordt als één geheel ingediend in het omgevingsloket;
  2. Voor de aanleg van de bekkens, de bijhorende aanplantingen,… wordt een borg gevraagd van X€;
  3. In de vergunningsvoorwaarden wordt bijkomend opgenomen dat de bekkens en aanhorigheden uitgevoerd worden vooraleer de uitvoering van de overige zaken (bv. uitbreiding) start en dat bewijs hiervan aangeleverd dient te worden bij de dienst Vergunningen & handhaving.

      We stellen voor dat jullie dit verder intern bespreken en ons laten weten of jullie akkoord kunnen gaan met dit voorstel.

      Daarnaast willen we graag aanhalen dat bovenstaande enkel uitsluitsel geeft omtrent de mogelijk te volgen procedure en de zienswijze van zowel Provincie als gemeente hierin.

      Dit staat los van de volledigheid van een toekomstig dossier. Er worden op dit moment ook geen uitspraken gedaan over de vergunbaarheid van de aanvraag.

      Indien jullie zeker willen zijn van een volledig dossier dienen de eerder overgemaakte bemerkingen in acht te worden genomen, voor verdere vragen hierover kunnen jullie terecht bij de dossierbehandelaar.

      Indien jullie meer zekerheid wensen over de haalbaarheid van het project dient het eindontwerp, op jullie vraag, voorafgaandelijk intern te worden afgetoetst, waarna deze feedback aan jullie zal worden overgemaakt.”

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg voor wat betreft de wijze van indiening.

Er wordt geen rekening gehouden met eerdere opmerkingen en aangehaalde knelpunten betreffende de inritten, invulling van de bufferzone/ draagkracht terrein. 

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld.

  • BI/2012/0004 – ref. RWO 8.00/71066/283.4: proces-verbaal HA.66B.RW.200-18/2012 op 23/04/2012 voor een terreinaanleg niet conform de vergunning. Het PV omvat volgende bouwmisdrijf: 

Bij de vergunning van 12/01/2009 worden enkele voorwaarden in verband met de afwatering en het reliëf opgenomen. 

Niet al deze voorwaarden zijn voldaan.  We stellen vast dat er op dit moment geen overstromingsbekkens  aanwezig zijn.

Links van de assemblagehal is de ophoging verder   doorgetrokken en het betonnen dek groter uitgevoerd dan aangegeven op de goedgekeurde plannen.

Hierdoor is er geen ruimte meer voor het geplande overstromingsbekken.

Het overstromingsbekken achter de hal is eveneens niet aangelegd. “

Uit het aanvraagdossier en de gegevens waarover de gemeente beschikt (luchtfoto…) blijkt dat het bouwmisdrijf nog actueel is, evenals een aantal wijzigingen ten opzichte van de afgeleverde vergunningen.

Het betreft wijzigingen van terreinhoogte, ontbreken van overstromingsbekkens, de omvang van het bestaande infiltratiebekken, beperkte gevelwijzigingen, wijzigingen van verhardingen en recent uitgevoerde werken in functie van onderhavige aanvraag.

Deze wederrechtelijk opgerichte constructies/ uitgevoerde handelingen werden (deels) opgenomen in de huidige aanvraag als te regulariseren/ aan te passen. Van de reeds uitgevoerde grondaanvoer en aanleg van (ongewenste) de bijkomende toegang in functie van huidige aanvraag wordt geen melding gedaan.

Milieu

Volgende meldingen werden afgeleverd op perceel 2/C/830G:

  • 2011/30: milieumelding klasse 3 (752.4-705), vergund op 27/04/2009 voor exploitatie van een nieuwe inrichting (20 jaar): productie van aluminium systeemprofielen voor ramen, deuren en veranda's. Rubrieken 16.3.1.1°, 17.3.9.1° en 29.5.2.1°, a).

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

Een oriënterend bodemonderzoek werd tot op heden nog nooit uitgevoerd.

Op het perceel werd volgende overtreding vastgesteld / werd een proces-verbaal opgemaakt:

nvt.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 30/10/2021 tot en met 28/11/2021.

Er werden 2 bezwaren ingediend.

Bezwaar 1 – 21/11/2021

Bezwaarschrift. 2021/00253 OMV_2021028123

Betreffende: Project ALUZON 2021028123

Dit bezwaarschrift dient op strikt vertrouwelijke wijze te worden behandeld. 

Met dit schrijven dien ik, (X), bezwaar in tegen het bouwproject 2021028123 van Aluzon gelegen aan de Boddenveldweg nr. 7.

Bij deze vraag ik van de  project-aanvrager Aluzon, een op voorhand vastgelegde plaatsbeschrijving van  mijn perceelzijde (noordzijde) in eigendom Afdeling 3 Sectie E nummer (x) gelegen aan de (x).

In het bijzonder de aarden oeverwal van de aan de perceelsgrens liggende Roosterbeek alwaar aan de overliggende oeverwal een in- en uit- gang is voorzien voor een overstromings- of buffer- bekken. 

Indien door aanleg/ingebruikname van dit bufferbekken schade  wordt opgelopen aan het perceel in mijn eigendom, eis ik de garantie op volledige vergoeding van geleden schade.

Het verwondert mij dat een betonnen overstromings- buffer/ -bekken van 52 meter op 18 meter wordt toegestaan in een “groenzone”.

Ik eis de garantie dat er geen geluidsoverlast ontstaat door pompen van het aan te leggen  bufferbekken en/of werkzaamheden in of aan de aan te leggen opslagplaats. Deze garantie wordt ook gevraagd voor de 5 meter brede weg in asfalt, waarover aan- en/of af- voer van materiaal met vrachtvervoer wordt voorzien.

Naar mijn mening is de verhouding van de bouwhoogte (12 meter) en de afstand tot de perceelsgrens (< 12 meter) onvoldoende gerespecteerd.

Op het inplantingsplan is het onvoldoende duidelijk of het zicht op de 12 meter hoge zwarte/grijze betonpanelen wordt voorkomen door “inheemse beplanting”.

Bezwaar 2 – 22/11/2021

Ik ondergetekend (X) en (X) hebben een brief ontvangen van de gemeente van Zonhoven, door mij op de hoogte door een aanvraag ingediend door Marc Pierre A Bollen, Aluzon NV, Boddenveldweg 7, 3520 Zonhoven. 

Voor het bouwen van een loods, kappen van bomen, slopen bijgebouwen en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verharding, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, en een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij.

Aangezien de plan wat ik heb gezien is die veel te groot, te kort tegen de beek. Ik ben daar tegen, ik wil daar dat die niet komt voor te bouwen.

Ik heb daar nog een stukje grond, zie plan, van 1 are 60ca, hoge bomen tegen de beek, indien de loods toch komt, zijt ge verantwoordelijk als er een boom valt op uw loods. Zijt ge verantwoordelijk voor de schade van uw loods en voor het bouwen op stuk grond wat ik heb zitten achter de beek van weiland 1are 60ca (X), zie plan.

Opmerking

  • Ik wil vermijden dat we achteraf moeten protesteren tegen lawaai, stofdeeltjes die de lucht in gaan.
  • Veel te groot voor een bebouwde kom.
  • Het is een rustige plaats waar veel dieren wonen.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren nemen omtrent deze bezwaarschriften het volgende standpunt in:

Bezwaar 1

De gevraagde plaatsbeschrijving en mogelijke schade die kan ontstaan door uitvoering van de werken, met name de werken langs en aan de waterloop, betreffen een verantwoordelijkheid/ aansprakelijkheid van de uitvoerder/ aannemer van de werken en de aanvrager.

De vergunningverlener kan slechts opleggen dat de uitvoering dient uitgevoerd te worden zoals aangegeven in de aanvraag en rekening houdende met de voorwaarden van de waterbeheerder. Het bezwaar betreft geen stedenbouwkundig aspect en wordt niet weerhouden.

Mogelijke hinder die ontstaat door aanleg van de bijkomende toegangsweg is theoretisch niet gegrond aangezien deze toegang louter in functie van “brandweg” aangelegd wordt. De mogelijkheid tot het gebruik voor vrachtvervoer in functie van de bedrijfsactiviteit kan vermeden worden door het opleggen van voorwaarden betreffende het gebruik. Het bezwaar is niet gegrond maar wordt wel meegenomen als aandachtspunt bij het opstellen van voorwaarden bij het afleveren van een vergunning om hinder te vermijden.

De opmerking betreffende de inplanting van het bufferbekken binnen de bufferstrook kan gevolgd worden. De omvang van de constructies in functie van de waterhuishouding verhinderen de realisatie van de eigenlijke functie van de bufferstrook, zijnde de realisatie van een degelijke groenbuffer.

De verhouding hoogte gebouw/ afstand tot de perceelgrens bedraagt inderdaad nergens 12m zoals voorzien binnen de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA. De afstand varieert tussen 10,50m en 11,43m terwijl het gebouw 12m hoog voorzien is. De afwijking is niet aanzienlijk doch in antwoord op de vraag of de groenbuffer langsheen de waterloop wel voldoende afschermende functie zal hebben dient men negatief te reageren. 

De combinatie van beide factoren is slecht/ niet verenigbaar

Langsheen de linker perceelgrens/ waterloop grenst het bedrijfsterrein niet aan een ander bedrijfsterrein maar wordt door een bufferzone een overgang gevormd naar woongebied.

Het BPA zelf legt een groenpercentage en een wijze van beplanting op voor de zijdelingse en achterste perceelgrens maar specifieert geen breedte voor de strook. Uitgaande van de bepalingen in de omzendbrief betreffende gewestplaninrichting, is het afleveren van een vergunning voor een ontoereikende buffer onwettig.

8 JULI 1997. Omzendbrief betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, gewijzigd via omzendbrief dd. 25/1/2002 en 25/10/2002

2. De industriële gebieden omvatten een bufferzone

a) De hier bedoelde bufferzone is onafhankelijk van de bufferzone die op het ontwerpgewestplan is aangeduid in toepassing van artikel 14.4.5. In het huidig geval gaat het niet om een zelfstandig bestemmingsgebied maar betreft het een strook binnen het industriegebied met een hoofdzakelijk esthetische en stedenbouwkundige functie

Om die reden moet ze aangebracht worden op het industriegebied zelf. 

b) De breedte en de aanleg van de bufferzone is afhankelijk van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden. 

De bufferzones dienen te worden bepaald in de bouwvergunning, verleend voor de randpercelen van het gebied, of in het indelingsplan dat opgesteld wordt naar aanleiding van een onteigeningsplan, of in een bijzonder plan van aanleg van het gebied. 

Bouwvergunningen voor de oprichting van een industrieel of ambachtelijk bedrijf zijn onwettig indien zij niet voorzien in de aanleg van een bufferzone, of indien de bufferzone waarin zij voorzien ontoereikend is. 

Rondom de industriezones en ambachtelijke zones dient (op de aldus aangeduide zone) een bufferstrook aangelegd te worden waarvoor als breedte volgende cijfers als richtinggevend kunnen worden vooropgesteld : 

15 m voor ambachtelijke bedrijven; 

25 m voor milieubelastende bedrijven; 

50 m voor vervuilende industrie. 

Wanneer zij palen aan woongebieden moeten deze breedten vergroot en zelfs verdubbeld worden. 

De breedte en de aanleg van de bufferstroken tussen de bedrijven zelf betreffen een technisch stedenbouwkundige aangelegenheid. Zij worden bepaald bij de vaststelling van een plan van aanleg van de industriezone, bij een indelingsplan naar aanleiding van een onteigeningsplan, of bij de goedkeuring van een bouwvergunning.

De aanwezigheid van de bufferstrook, grenzend aan de bestemming gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s, ontslaat de aanvrager niet van de verplichting om op eigen terrein te voorzien in een voldoende toereikende groenbuffer.

Het ingediende bezwaar is gegrond en wordt weerhouden voor wat betreft de inplanting van het bufferbekken, de verhouding bouwhoogte/ afstand tot de perceelgrens langs de waterloop en de aldaar voorziene invulling van de groenbuffer.

Aspect geluidsoverlast pompen/ activiteit in de loods

Het bezwaar wordt niet gegrond verklaard inzake mogelijke hinder door geluid. Er zijn geen klachten gekend inzake geluid met betrekking tot de reeds aanwezige activiteiten enerzijds en anderzijds vinden de hoofdactiviteiten allen steeds plaats binnen het bedrijfsgebouw. Tevens valt er gelet op de afstand van de pompen inzake het overstromingsbekken tot de meest nabije woning(en) geen hinder te verwachten.

Bezwaar 2

Bezwaarindiener legt de verantwoordelijkheid/schade bij de aanvrager van onderhavig project indien een boom op het perceel van de bezwaarindiener zou omvallen op de loods. Het lijkt ons normaal dat de eigenaar is verantwoordelijk voor het onderhouden en laten controleren van zijn bomen en dat in geval van schade dit een verzekeringskwestie betreft. Het bezwaar betreft geen stedenbouwkundig aspect en wordt niet weerhouden.

Verder wordt aangegeven dat de inplanting en omvang loods niet wenselijk is: te groot en te kort tegen de beek. Enige onderbouwing van dit standpunt ontbreekt echter.

Er kan evenwel verwezen worden naar de bespreking van bezwaar 1: De verhouding hoogte gebouw/ afstand tot de perceelgrens bedraagt inderdaad nergens 12m zoals voorzien binnen de stedenbouwkundige voorschriften van het BPA. De afstand varieert tussen 10,50m en 11,43m terwijl het gebouw 12m hoog voorzien is. De afwijking is niet aanzienlijk doch in antwoord op de vraag of de groenbuffer langsheen de waterloop wel voldoende afschermende functie zal hebben dient men negatief te reageren. De combinatie van beide factoren is slecht/ niet verenigbaar.

Het ingediende bezwaar is gegrond en wordt weerhouden.

ADVIEZEN

Agentschap Natuur en Bos

Onroerend erfgoed

Brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg

Provinciale dienst Water & Domeinen

Inter 

Fluvius

Dienst Patrimonium

Dienst Mobiliteit

Dienst Facilitair Management

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s en deels gelegen in bufferzone. 

Gebied voor ambachtelijke bedrijven

De industriegebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. 

Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. 

De gebieden voor ambachtelijke bedrijven en de gebieden voor kleine en middelgrote ondernemingen zijn mede bestemd voor kleine opslagplaatsen van goederen, gebruikte voertuigen en schroot, met uitzondering van afvalproducten van schadelijke aard.

Bufferzones

De bufferzones dienen in hun staat bewaard te worden of als groene ruimte ingericht te worden, om te dienen als overgangsgebied tussen gebieden waarvan de bestemmingen niet met elkaar te verenigen zijn of die ten behoeve van de goede plaatselijke ordening van elkaar moeten gescheiden worden.

De aanvraag is niet gelegen in een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling.

Gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan

Het goed is gelegen binnen de omschrijving van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Afbakening regionaal stedelijk gebied Hasselt - Genk” dat op 20 juni 2014 definitief werd vastgesteld door de Vlaamse Regering.  

Er is geen bestemmingswijziging ten opzichte van het gewestplan voorzien voor dit perceel. 

Bijzonder plan van aanleg

Het goed is gelegen binnen het BPA Genkerbaan-Grote Hemmenweg, goedgekeurd op 5 januari 1988 en gedeeltelijk gewijzigd op 8 augustus 1999.

Het goed kreeg als bestemming:

  • Artikels 9 en 21 - Zone voor nijverheid – zone voor bedrijventerrein

Hoofdbestemming: ambachtelijke bedrijven en opslagplaatsen die het karakter van lichte industrie hebben en niet schaden aan het woonklimaat van de omgeving.

Nevenbestemmingen: parkeerplaatsen en burelen die noodzakelijk behoren bij de productiehallen.

Detailhandel en tentoonstellingsruimten: ENKEL als nevenbestemming en in relatie met de aanwezige hoofdbestemming.

Wonen: 1 bedrijfswoning per bedrijf is toegelaten, dit met een maximale nuttige vloer-oppervlakte van 300m². Deze woning dient stedenbouwkundig te harmoniëren met het eigenlijke bedrijfsgebouw en dient hieraan ondergeschikt te zijn.

Het bedrijf zal de nodige maatregelen treffen om te verhinderen dat haar werkzaamheden op het terrein luchtbezoedeling zouden veroorzaken Ook de geluidshinder zal binnen de perken van de richtlijnen van de bevoegde overheid blijven.

De vaste afvalstoffen mogen niet op het terrein worden gestort maar zullen op reglementaire wijze worden verwijderd. Elke rommelige aanblik (bijvoorbeeld: autowrakken, schroot, ... ), vanaf de grenzen van het perceel, dient aan het oog onttrokken te worden door een aangepaste architectuur en beplanting.

De bebouwing dient te beantwoorden aan de eisen gesteld in art. 21.

a. Inplanting

De inplanting dient te geschieden binnen de op het plan aangeduide zone in een vrijstaande

bebouwingsvorm. De afstand van de gevels tot de perceelsgrens van de kavels zal in principe gelijk zijn aan de hoogte van het gebouw met een minimum van 4m ofwel op de perceelscheiding gekoppeld aan een bestaande bebouwing. De bruto-vloeroppervlakte mag de 60 % van de totale oppervlakte van het perceel niet overtreffen.

De bebouwde oppervlakte, inclusief parkeer- en opslagruimte, moet minstens 50 % van de bebouwbare oppervlakte bedragen

b. Materialen

De zichtbaar blijvende gevels moeten uitgevoerd worden in welgevormde bakstenen, natuur-, of kunstmatige stenen of andere materialen die esthetisch verantwoord zijn.

De architectuur dient wat vorm, aard en kleur der materialen, hoogte en profiel betreft, te harmoniëren met de omgeving.

De daken zullen worden afgedekt met gebakken pannen, natuurleien, zink, koper of andere esthetisch verantwoorde materialen.

c. Afsluitingen

Straat- en zijdelingse afsluitingen mogen in draad- en haagafsluiting of in enig ander siermateriaal uitgevoerd worden, met uitzondering van betonplaten. De hoogte is beperkt tot 2m.

d. Beplanting

Een groene bufferzone langs de zijdelingse en achterste perceelscheiding is verplicht.

De aan te leggen en te onderhouden groenvoorziening moet minstens 15 % van de bebouwbare oppervlakte bedragen.

Het is een beplanting met esthetische en afschermende functie. Alle bebouwing, reclame en het stapelen van materialen erin is verboden.

De aanleg zal gebeuren met inheemse soorten bestaande uit hoogstammen met een onderbeplanting van heesters.

Aftoetsing aanvraag:

Het bedrijf voor productie van aluminium systeemprofielen voor ramen, deuren en veranda's, heeft een licht industrieel karakter, de kantoorruimte en parkeerruimte staan in functie van de eigenlijke bedrijfsactiviteiten. Er is geen detailhandel, showroom of bedrijfswoning aanwezig. Er wordt voldaan aan de bestemmingsvoorschriften.

Het perceel met bestemming bedrijventerrein heeft een oppervlakte van ca. 13 056m².

De maximale bruto-vloeroppervlakte (60%) bedraagt aldus 7833,6m². Er wordt in totaal 8150m² aan bebouwing opgericht. Er wordt zo’n 316,4m² meer oppervlakte aan bebouwing opgericht dan principieel toegestaan. Dit is ca. 62,5% van de zone voor bedrijventerrein.

De minimale invulling met bebouwing en verharding (50% van 7833,6m²) bedraagt 3916,8m².

De afstand van de linker zijgevel, met een hoogte van 12m tov het op te hogen maaiveld, tot de perceelgrens (grens Roosterbeek) bedraagt 10,50m à 11,43m.

De gevelmaterialen van de nieuwe loods bestaan uit betonplaten met kleur antraciet zwart.

De opgegeven groenbuffer langsheen zijdelingse en achterste perceelgrenzen bedraagt in totaal 2595m² volgens plan. De zone voor voortuinen werd hier mee in verrekend. De groenbuffer binnen de zone voor bedrijventerrein bedraagt volgens berekening exclusief de voortuinzone 1848m². De minimaal aan te leggen groenbuffer bedraagt daar 1175m² (15% van de bebouwbare oppervlakte 7833,6m²). 

De invulling bestaat uit “gras en inheemse beplanting”. Er wordt niet aangegeven dat de aanleg gebeurt met inheemse hoogstammen en onderbeplanting met heesters. Gelet op de afstandsregel die gehanteerd en opgelegd worden door de waterbeheerder, zal een invulling conform de voorschriften binnen een strook van 5m breed langs de waterloop niet realiseerbaar zijn. In navolging van de omzendbrief betreffende de inrichting van de gewestplanbestemming (zie ook bespreking bezwaar 1) heeft de aanvrager de verplichting om op eigen terrein te voorzien in een voldoende toereikende groenbuffer. Hier kan ons inziens niet aan voldaan worden.

  • Artikel 11- Zone voor open ruimten – zone voor voortuinen

      In deze zone is het oprichten van gebouwen niet toegelaten. 

      Een beplanting is verplicht en de verharding bedraagt max 35% van de oppervlakte.

Inritten naar eventuele garages onder het peil van de weg mogen een helling van 4 % voor de

eerste 5m vanaf de rooilijn niet overschrijden. Afritten naar garages onder het peil van de weg

zijn in de bouwvrije strook ten opzichte van de weg niet toegelaten.

Uitgravingen en aanvullingen: Trappen, terrasjes en aanvullingen van meer dan 0.45 m hoogte zijn verboden in de bouwvrije strook ten opzichte van de weg en de zijdelingse perceelsgrenzen. Uitgravingen in de zijdelingse bouwvrije strook ten behoeve van garageafritten naar garages in het achtergevelgebied, moeten minimum 1m van de perceelsgrens verwijderd blijven.

Aftoetsing aanvraag:

De strook voor voortuinen van het eigen terrein bedraagt ca. 955m² waarvan maximaal 335m² verhard mag worden. De (aangepaste) inritten hebben een oppervlakte van 203m². De resterende zone wordt aangelegd met gras en inheemse beplanting.

Er zijn geen uitgravingen en aanvullingen voorzien binnen deze zone. Er wordt voldaan aan de voorschriften.

  • Artikel 12 - Zone voor open ruimten – bufferzone

      Een groene bufferzone is verplicht op de aangeduide plaatsen.

Zij heeft een esthetische en afschermende functie. Om deze afschermende functie te kunnen vervullen moet de beplanting een dichte structuur hebben, opgebouwd uit een bodembedekkende kruidlaag, heestermassieven en hoogstammig groen. 

Bij een geringe breedte (- 5m) is het aanplanten van haag of de plaatsing van een draadafsluiting in combinatie met klimplanten verplicht, ter vervanging van de gelaagde beplanting. De landschappelijke waarde van deze zones zal verhoogd worden door het gebruik van streekgroen, ecologisch groen als ook door haar esthetisch uitzicht.

Indien de breedte van de buffer 5m of meer bedraagt zullen de beplantingen gerealiseerd worden op een aarden wal met een minimum hoogte van 1,5m.

De beplanting moet permanent zijn over de volledige oppervlakte van de zone met de noodzakelijke verscheidenheid om haar functie te vervullen. Enkel normale snoeiing en onderhoud en vervanging zijn toegelaten.

Het doorbreken van de bufferzone is in geen enkel geval toegelaten, ook niet om een toegang tot de zone voor ambachtelijke bedrijven te realiseren, uitgezonderd daar waar op het plan een ontsluiting is aangeduid en onder de voorwaarden zoals deze in de betreffende voorschriften zijn bepaald.

Alle bebouwing, reclame of stapelen van materialen erin is verboden,

Aftoetsing aanvraag:

De bufferzone heeft een oppervlakte van zo’n 3230m² en loopt over een perceeldiepte van 25m vanaf de Boddenveldweg. Binnen deze bufferzone wordt in het voorgelegde ontwerp een overstromingsbekken (936m²) aangelegd evenals een infiltratiebekken (400m²). Daarnaast wordt nog een bijkomende ontsluitingsweg aangelegd (ca. 125m²). Er resteert nog ca. 1769m²  (3230 – 1461) rondom de diverse constructies.

De beplanting zal dus versnipperd voorkomen over slechts 55% van de oppervlakte van de bufferzone. De beplanting rond de bekkens bestaat uit “bodembedekkers, klimop, pachysandra”, in de bekkens zou men rietvelden voorzien wat echter niet toelaatbaar is (zie advies waterbeheerder: geen verlandingsvegetatie zoals riet).

De functie van de bufferzone is door de invulling niet realiseerbaar;  er resteert onvoldoende ruimte binnen de zone die bijkomend versnipperd is en de beplanting voldoet niet aan de vereiste dichte structuur. Bijkomend wordt de buffer doorbroken met een ontsluiting die principieel verboden is en niet voldoet aan de uitzonderingsvoorwaarden binnen art. 17.

  • Artikel 17 – overige aanduidingen – ontsluiting

      Het doorbreken van de bufferzone is op deze plaats toegelaten ter ontsluiting van het achterliggende bedrijventerrein op voorwaarde dat het niet bereikbaar is via de ontsluitingsweg.

      Bij herverkaveling binnen de zone voor bedrijventerrein dient dit zodanig te gebeuren dat de volledige zone kan ontsloten worden via de voorziene ontsluitingsweg.

      De breedte van de toegang bedraagt maximum 5m.

Aftoetsing aanvraag:

Het bedrijfsterrein van de aanvraag beschikt over 4 toegangen van 5m langsheen de ontsluitingsweg. Er wordt niet voldaan aan de bovenstaande voorwaarde zodat geen doorbreking van de bufferzone met een ontsluitingsweg doorgevoerd kan worden.

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende gewestplanbestemmingsvoorschriften voor wat betreft het gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO’s maar voldoet niet aan de geldende gewestplanbestemmingsvoorschriften van de bufferzone.

De aanvraag voldoet principieel aan de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg voor de zone voor voortuinen maar voldoet niet aan de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg voor wat betreft de zone voor bedrijventerreinen en bufferzone en ontsluiting.

Daarom wordt de aanvraag verder onderzocht op basis van de bepalingen van artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd door het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (zgn. Codextrein).

AFWIJKINGEN VAN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Handelingen sorterend onder voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dat ouder is dan 15 jaar

Art. 4.4.9/1.

Het vergunningverlenende bestuursorgaan mag bij het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg, voor zover dit plan ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag.

Afwijkingen kunnen niet toegestaan worden voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:

1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:

a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;

b) industriegebieden in de ruime zin;

c) dienstverleningsgebieden;

d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;

2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:

a) gebieden voor service-residentie;

b) kantoor- en dienstenzones;

c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;

d) lokale en regionale bedrijventerreinen;

e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;

f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;

g) businessparken;

h) teleport;

i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;

j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;

k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;

l) kleinhandelszones;

m) zones van handelsvestigingen;

n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;

o) zeehavengebieden;

p) gebieden voor watergebonden bedrijven;

q) transportzones;

r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;

s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;

t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;

u) gemengde woon- en industriegebieden;

v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;

w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;

x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;

y) gebieden voor kernontwikkeling.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.

Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

De aanvraag voldoet aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de zone voor bedrijventerrein met onderliggende gewestplanbestemming “industriegebieden in de ruime zin” maar er wordt niet voldaan aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de bufferzone met onderliggende gewestplanbestemming bufferzone (ruimtelijk kwetsbaar gebied):

De afwijkingsmogelijkheid kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor een ruimtelijk kwetsbaar gebied als onderliggende gewestplanbestemming.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De voorzieningen voor opvang en hergebruik worden berekend op basis van de bestaande en nieuwe gebouwen en verhardingen.

Vergunde toestand:

Assemblagehal met totale dakoppervlakte 5700m² waarvoor een infiltratievolume van 228000 liter of 228m³ voorzien diende te worden in de vorm van infiltratiegrachten met een inhoud van 74,01m³ en een infiltratiebekken met een inhoud van 154,87m³.

Uit de ingediende plannen blijkt dat de dakoppervlakte van het bestaande gebouw  5970m² bedraagt, dat het infiltratiebekken en de grachten een totaal volume hebben van 217,89m³.

Er is een hemelwaterput met hergebruik aanwezig van 10000 liter.

Voorgestelde:

De plannen geven aan dat voor de nieuw op te richten loods met een horizontale dakoppervlakte van 2180m²  een bijkomende hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 10000 liter. Het hergebruik neemt echter niet toe, de recuperatie van het hemelwater is voor het sanitair gebruik en een dienstkraan voor het poetsen van de burelen.

Het is niet verboden om een bijkomende hemelwaterput te voorzien, deze zal omwille van het lage hergebruik echter eerder als buffering dienstig zijn.

Onder de invulvelden voor motivatie afwijking voor groter hergebruik/ grotere inhoud wordt aangegeven:

“De bestaande RWA-putten worden afgekoppeld en 2 nieuwe worden vooraan de nieuwbouw geplaatst. Deze waren vroeger reeds zo voorzien en geplaatst”.

Per gebouw wordt vervolgens 60m² dakoppervlakte in mindering gebracht, er wordt geen bijkomende aftrek gevraagd. De berekening voor de infiltratievoorziening gaat bijgevolg uit van een horizontale dakoppervlakte van 8030m².

Minimale inhoud infiltratievoorziening: 200,75m³ oftewel 200 750 liter

Minimale infiltratieoppervlakte: 321,2m²

De overloop van de hemelwaterputten wordt aangesloten op een open infiltratievoorziening met een oppervlakte van 400m² en een inhoud van 220m³. Er ontbreekt een detailtekening van het infiltratiebekken waardoor niet kan nagegaan worden of men de werkelijke infiltratieoppervlakte aangeeft of de totale oppervlakte, ook de werkelijke opvangcapaciteit kan niet nagegaan worden aangezien de inloop/ uitloop niet gekend is. 

Men dient er vanuit te gaan dat er een werkelijke opvang zal zijn van 220000 liter en een werkelijke infiltratieoppervlakte van 400m².

Uit de voorwaarden van de waterbeheerder blijkt tevens dat de volledige verharde oppervlakte (bestaande en nieuwe gebouwen, parking en wegenis) moet worden aangesloten op de infiltratievoorziening. Uit de ingediende plannen en aanstiplijst van de aanvraag blijkt dat de verhardingen niet mee opgenomen werden om af te voeren. De bijkomende wegenis is voorzien in waterdoorlatende asfalt, de her aan te leggen parking in waterdoorlatende klinkers en de overige verhardingen (asfalt?) zouden afwateren naar de groenzones. Het is niet duidelijk of voor deze laatste nog een afwatering naar het infiltratiebekken kan aangelegd worden in praktijk.

In principe dienen waterdoorlatende verhardingen niet opgenomen te worden voor berekening van de infiltratievoorziening. De voorwaarde van de waterbeheerder kan echter gevolgd worden aangezien het om een totale oppervlakte van zo’n 3800m² gaat voor de verhardingen alleen al. De uitgevoerde terreinophogingen zorgen er tevens voor dat het infiltrerende water bij langdurig regenweer zal doorsijpelen naar lager gelegen gronden, vermoedelijk de Roosterbeek in dit geval. In alle redelijkheid dient de opvang van afvloeiend hemelwater dan ook naar het infiltratiebekken te verlopen.

Het bekken is niet berekend op de bijkomende oppervlakte. Indien men slechts de niet waterdoorlatende oppervlakte (1620m² + 225m² + 203m²) in rekening brengt volstaat de inhoud en oppervlakte niet.

De aanvraag voldoet niet geheel aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Het perceel is op het zoneringplan voor riolering, goedgekeurd bij Ministerieel besluit de dato 19 september 2008, gelegen in “centrale gebied”. 

Voor zover gekend is een gemengd rioleringssysteem aanwezig.

Met betrekking tot de riolering werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan rioleringsbeheerder Fluvius.

Het advies van 08/12/2021 van rioleringsbeheerder Fluvius is voorwaardelijk gunstig:

      “Rioleringsadvies 

      Naar aanleiding van uw brief/mail van 20-10-2021 over de stedenbouwkundige vergunning voor bovenvermeld project, afdeling 2, sectie C, nummer(s) 830G - 834E, kunnen we een gunstig advies geven, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de hierna volgende opmerkingen en aan de gewestelijke en/of provinciale stedenbouwkundige verordeningen inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater die in uw gemeente van kracht zijn.

1. Algemene bepalingen voor riolering en waterafvoer

  • De aanvrager dient het Algemeen Waterverkoopreglement, de aanvullende voorwaarden en de aanvullende technische voorschriften van Fluvius na te leven.
  • De aanvrager dient ook de voorwaarden zoals bepaald in afdeling 6.2.2. van Vlarem II voor de afvoer van hemel- en afvalwater na te leven.
  • De aanvrager staat in voor de plaatsing van de privériolering voor het bouwproject en is verplicht deze uit te voeren volgens de wettelijke bepalingen ter zake. Zo dient hij onder meer te voldoen aan de Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater (GSV ‘hemelwater’) van 5/07/2013.
  • Als voor het bouwproject een aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel noodzakelijk is, dient de aanvrager zo snel mogelijk na het bekomen van de bouwvergunning een aanvraag tot aansluiting op het openbaar rioleringsstelsel aan te vragen. Dit kan online via www.fluvius.be.
  • Van zodra de aansluitputjes (1 DWA- & 1 RWA-putje) geplaatst zijn, is de effectieve plaats en diepte van de aansluiting gekend. De privéwaterafvoer dient hierop afgestemd te worden. Alle maatregelen die de aanvrager dient te nemen tot het aanpassen van de privéwaterafvoer om te kunnen aansluiten, als niet aan deze voorwaarden voldaan wordt, zijn ten laste van de aanvrager.
  • Alleen Fluvius of een door ons aangestelde uitvoerder zorgt voor de realisatie van het gedeelte van de aansluiting op het openbaar domein tot aan de perceelsgrens van het privédomein.
  • Als de privériolering niet correct en volledig volgens deze wettelijke bepalingen werd uitgevoerd, zelfs als dit niet expliciet door de stedenbouwkundige vergunning werd opgelegd, behoudt Fluvius zich het recht voor om dit perceel niet aan te sluiten op het openbaar rioleringsstelsel.
  • Als de bouwplannen en meer specifiek het rioleringsplan niet in overeenstemming zijn met deze voorschriften, hebben deze voorschriften voorrang.

We raden aan om:

  • Geen sifonputjes te plaatsen op de vuilwaterafvoerleiding(en) aangezien deze putjes vaak verstoppen en in principe alle waterafvoeren in de woning een waterslot/sifon hebben.
  • Het opgeslagen water van de hemelwaterput optimaal te gebruiken voor eventueel het spoelen van de toiletten, een buitenkraan voor het wassen van de auto, het besproeien van de tuin, … en eventueel voor de wasmachine.
  • Een ontluchting te voorzien op het private vuilwaterafvoerstelsel, eventueel via een ontluchtingspijp door het dak.

2. Keuring privéwaterafvoer

      Door het in voege treden van het Algemeen Waterverkoopreglement is de keuring van de privéwaterafvoer verplicht sinds 1 juli 2011. Elke rioleringsaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel dient een keuring van de privéwaterafvoer te ondergaan conform artikel 12/1, §1 van het Algemeen Waterverkoopreglement. De keuring dient uitgevoerd te worden vóór de eerste ingebruikname van de privéwaterafvoer.

      Enkel de door Fluvius erkende keurders komen voor deze keuring in aanmerking (zie Keuring riolering | Fluvius).

      Alvast bedankt om bovenstaande voorwaarden mee op te nemen in de stedenbouwkundige vergunning.

Kosten voor het voorzien / verleggen of uitbreiden van de nutsleidingen moeten gedragen worden door de aanvrager.

Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige omgevingsaanvraag zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting/ herstel op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Voor de uitvoering van werken op bermen, stoepen en wegen dient er voor de aanvang der werken een staat van bevinding opgemaakt te worden door de aannemer en dit in samenspraak met een afgevaardigde van het gemeentebestuur.

Toegankelijkheid

De aanvraag werd voor advies voorgelegd aan Inter Vlaanderen betreffende valt de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juni 2009 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid. Dit besluit trad in werking op 1 maart 2010.

Volgens het advies van Inter Vlaanderen verleend op 15/11/2021 valt de aanvraag niet onder toepassing van deze stedenbouwkundige verordening:

“Advies toegankelijkheid bij de aanvraag van een omgevingsvergunning / melding

      In toepassing van art. 4.3.7.i, art. 4.3.3.ii en art. 4.3.4.iii van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

      In toepassing van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheidiv.

      Advies : Niet van toepassing

      Het project valt niet onder de toepassing van het Besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009 tot vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake toegankelijkheid.

      Dit advies bekijkt de wettelijke voorschriften op basis van de op plan afleesbare elementen in de vergunningsfase. Dit advies doet geen uitspraak over de integrale toegankelijkheid van het gebouw na volledige afwerking. Afwerkingselementen die niet op plan staan, bepalen immers in grote mate mee de toegankelijkheid van het geheel. U kan, tijdens het project, bij ons inlichtingen verkrijgen of een begeleidingstraject volgen om de integrale toegankelijkheid van uw project te garanderen.

      1 Bijlage B26 verantwoordingsnota omgevingsvergunning: Toegankelijkheidstoelichting / checklist inzake toegankelijkheidv

      • Er is geen toegankelijkheidstoelichting aanwezig.

      • Er worden geen afwijkingen aangevraagd

      2 Verplichting advies

      • Niet verplicht.

      3 Toepassingsgebied

      Dit advies is van toepassing op het (deel van het) gebouw dat gebouwd, herbouwd, verbouwd of uitgebreid wordt.

      De aanvraag betreft:

      • Art 2 §1, 2°: Het betreft handelingen waarvoor in dit besluit geen normen worden opgelegd.

      De nieuw te bouwen opslagloods bevat geen publiek toegankelijke ruimten en valt daarom buiten het toepassingsgebied van de verordening.

      Indien een aanvraag valt onder de toepassing van de Vlaamse stedenbouwkundige verordening toegankelijkheid, dan dienen de normbepalingen van hoofdstuk IIIvi te worden nageleefd. De normen, principetekeningen en bijkomende info kan teruggevonden worden op www.toegankelijkgebouw.be.

      4 Normen

      Niet van toepassing.

      5 Bijkomende eisen bij verplicht advies volgens art. 4.3.4 VCRO

      Niet van toepassing.

      6 Bijkomende informatie

      Evacuatie bij brand:

      De evacuatie van personen met een beperking bij brand dient door de ontwerper besproken met de plaatselijke brandweer en worden voorzien overeenkomstig het wijzigingsbesluit van 12 juli 2012 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen.

Aanbevelingen voor het realiseren van een integraal toegankelijk gebouw: 

• Handboek Toegankelijkheid Publieke Gebouwen (www.toegankelijkgebouw.be

• Vademecum ‘Publiek toegankelijk domein’”

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft een vrij omvangrijke oppervlakte en ligt in een effectief overstromingsgevoelig gebied. Tevens worden reliëfwijzigingen uitgevoerd en grenst het terrein aan een waterloop 2de categorie.

Gelet op de mogelijke negatieve impact op oppervlaktewater en de mogelijke effecten die de aanvraag kan hebben op de omliggende terreinen/ omgeving alsook de mogelijke effecten op het eigen terrein, dient de aanvraag met de nodige voorzichtigheid onderzocht te worden!

Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Met betrekking tot de impact op oppervlaktewater, werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan de waterbeheerder.

Het advies van 22/11/2021 van de waterbeheerder, de provinciale dienst Water en Domeinen, is voorwaardelijk gunstig:

      “ Hierbij kan ik u meedelen dat het dossier 

      • voor wat betreft de bindende bepalingen ivm de waterloop (afstandsregels en machtigingen) voorwaardelijk gunstig beoordeeld werd 

      • in het kader van de watertoets voorwaardelijk gunstig beoordeeld werd. Ik verzoek u evenwel de voorwaarden in de omgevingsvergunning op te nemen zoals ze geformuleerd werden in de bijgaande adviezen.

      Als de omgevingsvergunning verleend wordt en de voorwaarden zoals opgenomen in bijgaande adviezen worden overgenomen, wordt deze ook beschouwd als machtiging voor de uitvoering van inrichtingswerken of andere werken aan, over of onder de ROOSTERBEEK. 

DOSSIER: HET BOUWEN VAN EEN NIEUWE LOODS, KAPPEN VAN BOMEN, E.A. 

DEEL 1  WATERADVIES I.V.M. DE WATERTOETS  

(art. 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018) 

1 Beschrijving van het watersysteem 

 Het betreft een activiteit binnen het stroomgebied van een onbevaarbare waterloop van 2de categorie. 

 Het perceel is volgens het gewestplan gelegen in industriegebied 

• Het perceel is daarenboven gelegen in:   

o het bekken van de Demer 

o het deelbekken Midden-Demer 

2 Waterplannen  

Het stroomgebiedbeheerplan van de Schelde is van toepassing. 

3 Toetsen aan de doelstellingen decreet integraal waterbeheer, gecoördineerd op 15 juni 2018 – artikel 1.2.2 

De adviesvraag handelt over:  

• richtlijn gewijzigd overstromingsregime 

• richtlijn gewijzigd afstromingsregime

Richtlijn gewijzigd overstromingsregime 

Het perceel is gelegen in een effectief overstromingsgevoelig gebied of aan de rand ervan : het kritisch overstromingspeil (bouwpeil) bedraagt 46m50 TAW.  

Er mag gebouwd worden omdat de berging die verloren gaat, beperkt blijft en dus geen bijkomende schade veroorzaakt wordt aan derden of aan het watersysteem voor zover voldaan wordt aan de onderstaande constructievoorwaarden

  1. Geen openingen in de constructie (in buitenmuren en bodem) mogen voorzien worden onder het   kritisch bouwpeil plus 10 cm.
  2. Kelders en ondergrondse garages zijn niet toegestaan. 
  3. Niet-waterdichte doorvoer van nutsleidingen en andere leidingen onder het kritisch bouwpeil is verboden.
  4. Inspectieputten op rioleringen, ontluchtingssystemen moeten waterdicht afgeschermd worden of opgesteld worden boven het kritisch bouwpeil 
  5. Stookolietanks moeten boven het grondwaterpeil/overstromingspeil gelegd worden. 
  6. Elektrische installaties die niet waterdicht afgeschermd zijn moeten 10 cm boven het kritisch bouwpeil opgesteld worden.  
  7. Aansluitingen op de riolering moeten afgeschermd worden met een terugslagklep en eventueel met een eigen pompinstallatie. 
  8. Kruipkelders onder het kritisch peil moeten overstroombaar blijven. 
  9. Ophoging van het gedeelte van het perceel onder 46m50 betekent inname van berging voor water en moet dus gecompenseerd worden. Dit gebeurt door de aanleg van een overstromingsbekken van 936 m³. De aanleg van dit overstromingsbekken moet gebeuren alvorens kan begonnen worden met de bouw van de opslagplaats. De goede uitvoering van het bekken moet worden goedgekeurd door de machtigingingverlener, zijnde de afdeling Waterbeheer van de Provincie Limburg. 
  10. Alleen waterdoorlatende verhardingen zijn toegelaten. Er kan hierop enkel uitzondering gemaakt worden indien om technische redenen geen waterdoorlatende verharding mogelijk is. 

Richtlijn gewijzigd afstromingsregime 

Vanaf een verharde oppervlakte van meer dan 1 000 m² moet door de vergunningverlenende instantie advies worden gevraagd aan de waterbeheerder met betrekking tot mogelijke schadelijke effecten op de toestand van het oppervlaktewater. In het kader daarvan moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

Het volume van de open infiltratievoorziening moet minimaal 250 m³/ha verharde oppervlakte bedragen (los van de aanwezige hemelwaterputten), de infiltratieoppervlakte moet minimaal 4 % van de verharde oppervlakte bedragen. Indien een infiltratieproef wordt uitgevoerd kan de dimensionering van de infiltratievoorziening aangepast worden aan de infiltratieoppervlakte en de infiltratiecapaciteit (rekening houdend met een terugkeerperiode van 20 jaar). Richtwaarden in dat verband zijn terug te vinden in onderstaande tabel. De infiltratiegracht/bekken moet minimaal 30 cm dekking behouden boven de hoogste grondwaterstand (aan te tonen), en moet vlak of in tegenhelling worden aangelegd. 

Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. De infiltratiegracht/bekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). 

infiltratiecap. 

minimale dimensioneringsvoorwaarden 

of 

20-50 mm/h (fijn zand) 

400 m³/ha verharde oppervlakte (v.o.), inf.opp. van min. 4 % vd v.o. 

250 m³/ha vo en 20 % inf.opp. 

50-100 

350 m³/ha vo en 4 % inf.opp. 

250 m³/ha vo en 10 % inf.opp. 

>100 

250 m³/ha vo en 4 % inf.opp. 

  

Infiltratievoorziening: 

Zie tekening in bijlage advies

Er moet een dwarsprofiel van het open bufferbekken bijgebracht worden met het niveau van de verschillende inloopleidingen en noodoverloop. Het volume dat voor nuttige buffering instaat is het volume onder de overloop. 

Aan deze voorwaarden is voldaan, mits de afwatering van de volledige verharde oppervlakte (bestaande en nieuwe gebouwen, parking en wegenis) wordt aangesloten op het voorziene infiltratiebekken.

      DEEL 2 CONCLUSIES ONDERZOEK WATERBEHEERDER 

      Uit de toepassing van de nadere regels voor de toepassing van de watertoets bij besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006, en latere wijzigingen, is gebleken dat het bouwen van een nieuwe loods, kappen van bomen, e.a. een verandering van de toestand van watersystemen (of bestanddelen ervan) tot gevolg heeft. Deze verandering heeft geen betekenisvol schadelijk effect op het milieu voor zover de volgende voorwaarden worden opgenomen in de vergunning:

  1. Geen openingen in de constructie (in buitenmuren en bodem) mogen voorzien worden onder het kritisch bouwpeil plus 10 cm. 
  2. Kelders en ondergrondse garages zijn niet toegestaan.
  3.  Niet-waterdichte doorvoer van nutsleidingen en andere leidingen onder het kritisch bouwpeil is verboden. 
  4. Inspectieputten op rioleringen, ontluchtingssystemen moeten waterdicht afgeschermd worden of opgesteld worden boven het kritisch bouwpeil 
  5. Stookolietanks moeten boven het grondwaterpeil/overstromingspeil gelegd worden. 
  6. Elektrische installaties die niet waterdicht afgeschermd zijn moeten 10 cm boven het kritisch bouwpeil opgesteld worden. 
  7. Aansluitingen op de riolering moeten afgeschermd worden met een terugslagklep en eventueel met een eigen pompinstallatie. 
  8. Kruipkelders onder het kritisch peil moeten overstroombaar blijven. 
  9. Ophoging van het gedeelte van het perceel onder 46m50 betekent inname van berging voor water en moet dus gecompenseerd worden. Dit gebeurt door de aanleg van een overstromingsbekken van 936 m³. De aanleg van dit overstromingsbekken moet gebeuren alvorens kan begonnen worden met de bouw van de opslagplaats. De goede uitvoering van het bekken moet worden goedgekeurd door de machtigingingverlener, zijnde de afdeling Waterbeheer van de Provincie Limburg. 
  10. Alleen waterdoorlatende verhardingen zijn toegelaten. Er kan hierop enkel uitzondering gemaakt worden indien om technische redenen geen waterdoorlatende verharding mogelijk is. 
  11. De infiltratiegracht/bekken moet minimaal 30 cm dekking behouden boven de hoogste grondwaterstand (aan te tonen), en moet vlak of in tegenhelling worden aangelegd. Bodem en wanden moeten in waterdoorlatende materialen worden uitgevoerd en ingezaaid met gras. De infiltratiegracht/bekken kan niet worden beplant met verlandingsvegetatie (bv. riet). 
  12. de afwatering van de volledige verharde oppervlakte (bestaande en nieuwe gebouwen, parking en wegenis) moet worden aangesloten op het voorziene infiltratiebekken.

Het wateradvies is dan ook voorwaardelijk gunstig.

Onder deze voorwaarden én mits de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd, is het ontwerp in principe verenigbaar met artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren wensen echter de bestaande en toekomstige waterproblematiek aan te halen, gelet op de zorgplicht die ze heeft voor de het project zelf en voor de omgeving.

Op de overstromingskaarten 2014/2017 is duidelijk dat de zone waarbinnen opgehoogd werd en bijkomende ophoging voorzien/ uitgevoerd wordt, effectief overstromingsgevoelig is. 

Ook de nieuwe pluviale kaarten geven de overstromingsgevoeligheid van het gebied weer, zij het dan met een gewijzigde zone omwille van de ophoging op het terrein van de aanvraag. 

Door de ophoging van het terrein van de aanvraag zelf wordt de kans op overstroming hier weliswaar veel lager, echter dient men te erkennen dat dit slechts een verplaatsing van de overstromingszones betreft en dit naar de lager gelegen aangrenzende terreinen.

Men kan hier dan ook terecht de vraag stellen of er ondanks het overstromingsbekken geen bijkomende waterschade zal ontstaan voor lager gelegen zones buiten het bedrijfsterrein. 

Een investering in ruimte voor water, de aanleg van het overstromingsbekken en tegelijk bijkomende bebouwing en verhardingen alsook terreinophoging voorzien binnen een watergevoelig gebied lijkt ons onvoldoende om de situatie te verbeteren. De aanvraag staat haaks op het beleid dat men wenst te voeren: creëren van ruimte voor water én tegelijk ontharden. Vlaams minister voor omgeving Demir verzocht de gemeenten om geen bijkomende bebouwing toe te laten in de gebieden die als watergevoelig gekend zijn om schadelijke effecten te vermijden.

Het overstromingsbekken zal sowieso uitgevoerd moeten worden aangezien dit reeds een voorwaarde was bij voorgaande aanvragen maar nooit uitgevoerd werd én er daarenboven niet vergunde verhardingen en ophogingen doorgevoerd werden in de effectief overstromingsgevoelige zone.

Indien men op het terrein de aangevraagde bebouwing en verhardingen, gepaard gaande met ophoging van het terrein, zal uitvoeren, wordt elke mogelijke ruimte die nog kan bestemd worden voor wateropvang, in beslag genomen.

Het bedrijfsterrein biedt nog enige ruimte voor uitbreiding van het bedrijfsgebouw, doch de huidige omvang is niet aanvaardbaar

Er wordt teveel ruimte voor groen en water ingenomen op een wijze die onomkeerbaar is. Indien de waterbuffering, nu en in de toekomst, onvoldoende blijkt om schade te vermijden, zijn geen opties meer beschikbaar.

Men houdt slechts rekening met de minimale verplichtingen inzake wateropvang, de zones voor groenbuffering worden in grote mate opgeofferd om de vereiste wateropvang te kunnen voorzien en daarnaast zet men maximaal in op uitbreiding van gebouwen en verhardingen en richt men zich slechts op de veiligheid van de constructies op het eigen terrein.

Het voorliggende project kan volgens ons het schadelijk effect niet geheel vermijden noch volledig compenseren. 

Om deze redenen is het ontwerp niet verenigbaar met het decreet integraal waterbeleid.

De gemeente doet de watertoets en legt desgevallend gepaste maatregelen op ter voorkoming van schadelijke effecten op de waterhuishouding van de omgeving. Hetzelfde geldt voor de toepassing van de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater met eventueel de daaraan gekoppelde verplichtingen. 

De gemeente is niet verantwoordelijk voor de juistheid van de aan haar bezorgde gegevens in het voorliggende dossier op basis waarvan eventueel de nodige maatregelen worden opgelegd. Het aanleveren van de juiste gegevens en het uitvoeren van de door de gemeente opgelegde verplichtingen blijft de verantwoordelijkheid van de architect en/of de bouwheer. Indien hieraan niet is voldaan, kan de gemeente niet verantwoordelijk gesteld worden indien door de geplande bouwwerken toch wateroverlast zou ontstaan in de omgeving.

De aanvraag doorstaat de watertoets niet. 

Overeenkomstig artikel 4.3.1.§1, 4° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kan geen vergunning afgeleverd worden.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is een bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de oppervlakte van de bodemingreep ruimer is dan 5 000m².

De aanvraag omvat een archeologienota:

https://loket.onroerenderfgoed.be/archeologie/notas/notas/19146 

De archeologienota werd voorgelegd aan het agentschap Onroerend Erfgoed.

De beslissing van 29/07/2021 van het agentschap Onroerend Erfgoed betreffende de archeologienota is een aktename met voorwaarden:

      “Projectcode(s): 2021B283 - bureauonderzoek

      Maatregel(en): uitgesteld vooronderzoek

      Gemeente(n): Zonhoven

      Beslissing: Aktename met voorwaarden

      Datum beslissing: 29-07-2021

      Behandelaar: Agentschap Onroerend Erfgoed

      Voorwaarden bij de beslissing

      Het programma van maatregelen voor steentijd is niet helemaal adequaat:

      Het criterium om van landschappelijke boringen over te gaan naar verkennende archeologische boringen is niet helder. Men stelt dat er een voldoende intacte bodem aanwezig moet zijn. Onder intacte bodem verstaat men het volgende: een bodem waarvan de archeologische relevante bodemlaag (grotendeels) bewaard is gebleven. Dit zijn de B- horizont, dan wel de top van de C- horizont; in het geval er een podzol aanwezig is moet een groot deel van de E-horizont bewaard zijn gebleven.  Volgens de bodemkaart zijn er plaggenbodems aanwezig in het onderzoeksgebied. Wanneer moet men dan overgaan tot verkennende archeologische boringen? Afhankelijk van hoe de plag gevormd werd, kan de E- horizont van de oorspronkelijke podzol opgenomen zijn in de plag en is de bewaring van een B-horizont onder de plag een goede bodembewaring om nog steentijd aan te treffen. Bij het aantreffen van een deels bewaarde B-horizont dient er dus overgegaan te worden tot verkennende archeologische boringen.

      Waarderende archeologische boringen worden enkel voorzien ter hoogte van verkennende boringen die vuurstenen artefacten of organische cultuurvondsten opleverden. De handleiding Prospecteren naar steentijd artefactensites geeft echter aan dat de resultaten van het verkennend booronderzoek best afgetoetst worden met de bodembewaring en het landschappelijk kader (Microsoft Word - Prospectie Steentijd (onroerenderfgoed.be; p.25).”

Overige regelgeving

Boscompensatie

De aanvraag ligt gedeeltelijk in een bufferzone, een ruimtelijk kwetsbaar gebied.

De kaart boskartering 1990 laat geen bebossing zien, er is evenwel een aanmerking als “biologisch waardevol” met jong loofbos en houtkant op de biologische waarderingskaarten.

In de zone waar men uitbreiding van het bedrijfsgebouw en verhardingen voorziet, is een zone van zo’n 795m² die men wenst te ontbossen.

Volgens de gegevens van de aanvraag gaat het om opgeschoten kreupelhout en coniferen die geen deel uitmaken van een bos.

Volgens het ingediende compensatieformulier is geen vrijstelling voor spontane bebossing mogelijk (dus geen bebossing jonger dan 22 jaar).

Voor het verwijderen van een zone van 795m² met jong bos, werd een boscompensatieformulier bij de aanvraag gevoegd.

Hiervoor werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan het agentschap voor Natuur en Bos.

Het  agentschap voor Natuur en Bos heeft volgende aangegeven:

“Het Bosdecreet is niet van toepassing. Vanuit onze administratie is er geen adviesplicht in dit dossier.”

De boscompensatiemaatregel is bijgevolg niet van toepassing.

Het verwijderen van beplanting kan enkel gebeuren buiten het broedseizoen. Het rooien is verboden van 15 maart tot 30 juni.

Slopen

Op het terrein is een gebouw van 131m² aanwezig dat men verwijdert.

De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden als groenzone voor zover er binnen deze zone geen nieuwe constructies vergund worden.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt dat een grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is van toepassing. Het perceel is  tevens opgenomen in het Grondeninformatieregister – OVAM- inventaris.

Wet houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek

De aanvraag werd getoetst aan hoofdstuk 3, afdeling 1 – Water.

De aanvraag is mogelijk in strijd met deze bepalingen van artikel 3.129 omdat de voorziene werken een verzwaring van de waterafvloeiing tot gevolg hebben door het bijkomend voorzien van verharde oppervlakte en terreinophogingen.

“4 FEBRUARI 2020. - Wet houdende boek 3 "Goederen" van het Burgerlijk Wetboek, inwerkingtreding 01/09/2021

HOOFDSTUK 3. - Wettelijke erfdienstbaarheden 

Afdeling 1. - Water

Art. 3.129. Waterafvloeiing tussen naburige percelen

Zonder afbreuk te doen aan artikel 3.131, moeten de lager gelegen percelen het natuurlijke water en andere zaken die het meevoert, afkomstig van de hoger liggende percelen, ontvangen.

De titularis van een lager gelegen perceel mag geen enkel bouwwerk tot stand brengen dat de afvloeiing bemoeilijkt.

De titularis van een hoger gelegen perceel mag die afvloeiing niet kwantitatief of kwalitatief verzwaren; die verplichting verhindert hem niet zijn perceel normaal te gebruiken volgens de bestemming ervan indien de omvang van de verzwaring redelijk is. Het onderhoud van de erfdienstbaarheid van afvloeiing gebeurt op kosten van de titularis van het heersend erf.

Voormelde rechten en verplichtingen zijn niet van toepassing in geval van overmacht.

Art. 3.130. Regeling voor bronnen en waterlopen

Een eigenaar van een bron of een oevereigenaar kan gebruik maken van het water voor zijn eigen behoeften en op voorwaarde dat hij de loop, de kwantiteit en de kwaliteit van het water niet substantieel wijzigt. Hij mag door dit gebruik de rechten van de naburige eigenaars niet in het gedrang brengen.”

Integratie van toestemmingen en machtigingen in de stedenbouwkundige vergunningverlening (reglementering van kracht sinds 30 april 2012).

Langsheen de linkerzijde van de percelen bevindt zich een waterloop 2de categorie. De aanvraag omvat naast reliëfwijzigingen van het aangrenzende terrein en de oprichting van een loods, ook de aanleg van een overstromingsbekken ter compensatie van te regulariseren/ nieuwe ophogingen. Er wordt een aansluiting met de waterloop voorzien.

Met de huidige aanvraag wordt eveneens een machtiging aangevraagd voor de werken aan de waterloop. De aanvraag werd voor advies voorgelegd aan de bevoegde waterbeheerder.

Het advies van 22/11/2021 van de waterbeheerder, de provinciale dienst Water en Domeinen is voorwaardelijk gunstig:

Advies in verband met bindende bepalingen en machtigingen rond onbevaarbare waterlopen van 2de of 3de categorie over:

  • de afstand van gebouwen, vaste constructies en beplantingen naast de waterloop 
  • het plaatsen van afsluitingen naast de waterloop 
  • machtigingen 

DOSSIER: het bouwen van een nieuwe loods, kappen van bomen, e.a.

DEEL 1 INLICHTINGENFICHE

Ligging van het perceel:

  • kadaster: gemeente Zonhoven, afdeling 2, sectie C, nrs. 830G & 834F
  • adres: Boddenveldweg 7
  • gelegen in een effectief overstromingsgevoelig gebied

Waterloop en machtiging

  • stroomgebied van de onbevaarbare waterlopen: ROOSTERBEEK, nr 43, 2de categorie
  • watering: neen
  • machtiging nodig: ja
  • reden machtiging: meerdere
  • voldoende uitgewerkt om machtigingsadvies af te leveren: ja

DEEL 2 AFSTAND TOT DE WATERLOOP: VIJFMETERZONE VRIJHOUDEN – ZONE NON

AEDIFICANDI

De vergunninghouder moet volgende voorwaarden naleven:

2.1 Afstand tot de waterloop

De minimumafstand voor het oprichten van gebouwen, vaste constructies en vaste beplantingen tot de taludinsteek van de waterloop moet vijf meter bedragen zowel op de linker- als de rechter oever zodat het recht van doorgang, het afzetten van ruimingsproducten en het onderhoud van de waterloop gewaarborgd blijft. Leidingen of verhardingen binnen de vijfmeterzone moeten overrijdbaar zijn voor voertuigen met aslast 15 ton en totaal gewicht tot 30 ton.

Geen grondbewerkingen zijn toegelaten op minder dan 1 m langs de waterloop volgens het decreet integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gecoördineerd op 15 juni 2018.

Binnen een afstand van 6 m langs de waterloop mogen geen naaldbomen geplant of herplant worden.

Nieuwe bomen en struiken worden alleen aangeplant binnen een afstand van vijf meter landinwaarts van de bovenste rand van het talud indien:

• een minimale tussenafstand van 12 m voor opgaande bomen gerespecteerd wordt

• de houtkant regelmatig teruggezet wordt en indien nodig voor de toegankelijkheid van de waterloop periodiek teruggezet wordt op vraag van de waterbeheerder

• voor een andere plantwijze geopteerd wordt nadat de waterbeheerder daarvoor een schriftelijke toestemming gaf.

Ophoging van de oever binnen de vijf meter vanaf de rand van de overwelving/taludinsteek van de waterloop is vergunningsplichtig en moet beoordeeld worden in kader van de watertoets.

De vijfmeterzone is niet aangeduid op het plan.

Aanplant van bomen en aanleg van inheemse beplanting in de vijfmeterzone kan enkel volgens de hier bovenstaande voorwaarden, dit is een voorwaarde voor de vergunning.

2.2. Afrasteringen en afsluitingen

      Om het talud te beschermen kan de waterbeheerder aangelanden verplichten om gronden die aan een waterloop of publieke gracht palen en die begraasd worden, af te rasteren.

      Bij afrastering bevindt het deel van de afsluiting aan de kant van de grond die aan de waterloop paalt, zich op een afstand van 0,75 meter tot 1 meter, landinwaarts gemeten vanaf het einde van het talud van de waterloop. De afsluiting mag niet hoger dan 1,50 meter boven de begane grond zijn.

      De afsluiting is zo opgesteld dat ze geen belemmering vormt bij het onderhoud van de waterlopen, of ze kan weggenomen worden.

      DEEL 3 MACHTIGINGEN

      Inrichtingswerken of andere werken aan, over of onder de waterloop: machtiging van de waterbeheerder is vereist voor:

  • ophoging van de oever binnen vijf meter vanaf de rand van de overwelving/taludinsteek van de waterloop: er is een ophoging op het plan aangeduid
  • aanbrengen van oeververdediging, overwelving, herprofilering, verlegging of andere werken aan de waterloop: er is een werk aan de waterloop op het plan aangeduid.
  • lozingen en lozingsconstructies (ook van regenwater ) in de waterloop (ook voor tijdelijke lozingen): er is een lozing op het plan aangeduid

      De vergunninghouder moet volgende voorwaarden naleven:

  • De werken moeten worden uitgevoerd volgens de plannen gevoegd bij de vergunning.
  • De aanleg van het nieuwe overstromingsbekken en het infiltratiebekken moeten uitgevoerd zijn voor de start van de bouw van de opslagloods. Dit is een voorwaarde voor de vergunning.
  • De machtiging is onderworpen aan de stipte naleving van volgende administratieve en technische voorwaarden.

3.1. Administratieve voorwaarden

3.1.1 Uitvoering der werken

Bij gemis aan een proces-verbaal van plaatsbeschrijving wordt vermoed dat de waterlopen en aanhorigheden zich in goede staat van onderhoud bevinden. Dergelijk proces-verbaal dient opgemaakt te worden in aanwezigheid van een afgevaardigde van de afdeling Waterbeheer die ten minste acht dagen op voorhand moet worden verwittigd en het proces-verbaal mee zal ondertekenen.

De afdeling Waterbeheer, alsook eventueel het bestuur van de desbetreffende watering, zal uiterlijk 5 dagen op voorhand verwittigd worden van de datum waarop de werken uitgevoerd zullen worden.

De uitvoering van de werken mag de normale en regelmatige afvoer van het water niet hinderen.

Uiterlijk tien dagen na de voltooiing van de werken zal de afdeling Waterbeheer schriftelijk verwittigd worden. Aan de personeelsleden van de afdeling Waterbeheer zal steeds toegang verleend worden voor nazicht.

De werken moeten worden uitgevoerd volgens de regels van de goede bouwkunst en voorschriften zoals vermeld in onderhavige machtiging. Indien ter zake gebreken worden vastgesteld, mag de afgevaardigde van de afdeling Waterbeheer de aannemer ter plaatse hierop wijzen, doch tevens zal hij de aanvrager inlichten van de vastgestelde gebreken.

Indien geen rekening wordt gehouden met onderhavige, algemene en specifieke voorwaarden of indien de werken niet volgens de regels der kunst worden uitgevoerd, kan de waterbeheerder, na

bovenvermelde aanvrager in gebreke te hebben gesteld, alle maatregelen nemen of laten nemen die hij nodig acht. Deze maatregelen kunnen gaan van het aanpassen van de uitgevoerde werken tot het opbreken van deze werken. De hieruit voortvloeiende kosten zullen worden verhaald op de aanvrager overeenkomstig de gewone rechtsmiddelen.

3.1.2 Aansprakelijkheid en opheffing

De aanvrager blijft verantwoordelijk gedurende een periode van tien jaar voor alle noodzakelijke herstellingswerken van de aangepaste waterloop, die het gevolg zijn van onzichtbare gebreken bij de oplevering. Deze termijn begint te lopen vanaf de datum van de voorlopige oplevering. Herstellingen van oever- en bodemverstevigingen blijven voor altijd ten laste van de aanvrager.

De machtiging kan ingetrokken worden of onderworpen worden aan bijkomende voorwaarden of verplichtingen wanneer redenen van algemeen belang dit vereisen. Indien de waterbeheerder werken moet uitvoeren aan de waterloop, moet de machtigingshouder de nutsleidingen op zijn kosten verplaatsen, verdiepen of verwijderen indien dit nodig is voor de uitvoering van de werken.

Indien machtigingen vervallen of opgeheven worden om welke reden dan ook, dient de

machtigingshouder de afdeling Waterbeheer te verwittigen en alle geplaatste constructies te verwijderen uit de bedding en de vijfmeterzone langs de waterloop. Hij dient de waterloop te herstellen na consultatie van de afdeling Waterbeheer. De herstelling gebeurt in de regel volgens de detailplannen en principeschetsen in bijlage tenzij de afdeling Waterbeheer andere richtlijnen oplegt.

Alle hierbij opgelegde voorwaarden verbinden de rechtverkrijgenden van de vergunninghouder.

3.2 Technische voorwaarden

3.2.1 Algemene voorwaarden

  • overstorten en lozingen :

Indien blijkt dat in de toekomst de waterloop het debiet afkomstig van overstorten niet kan afvoeren kan de beheerder van de waterloop zonder recht op schadevergoeding de overstortdebieten laten beperken op kosten van de machtigingshouder.

  • omleidingswerken of waterkeerwerken :

Indien de waterloop omgeleid wordt moeten de doorgraven taluds met schanskorven hersteld worden volgens detailplan 1.

  • Wijzigingen

voor werken die anders uitgevoerd worden dan op de bijgevoegde plannen voorzien werd, stelt de aanvrager een nieuw plan op dat hij aan de provincie Limburg en de betrokken gemeente bezorgt ter goedkeuring.

  • Tijdelijke afdamming

Indien een tijdelijke afdamming nodig is vraagt de machtigingshouder hiervoor een afzonderlijke toestemming van de afdeling Waterbeheer.

  • Herstellingen

Beschadigingen en doorgravingen van de waterloop worden hersteld met schanskorven volgens de richtlijnen van de afdeling Waterbeheer.

Alle beschadigingen aan kunstwerken worden hersteld volgens de richtlijnen van de afdeling

Waterbeheer.

3.2.2 Specifieke voorwaarden:

1. Uit te voeren volgens volgende plannen;

Ontwerper: Peeters Lucien architect - Datum: 2021-09-23

      Nrs.: BA_INDUSTRIE_D_N_15_Detail, I_N_9_inplanting, T_N_10 Terreinprofiel ,

T_N_11Terreinprofiel, motivatienota

Tabellen met overzicht der werken en hun voorwaarden:

3.2.2.1. Aanleg van een bufferbekken en infiltratiezone met leegloop op de Roosterbeek, nr 43, 2de cat waterloop, afwaarts de Boddenveldweg, ter compensatie van inname van overstromingsgebied en uitbreiding activiteit op de site

Aanduiding op plan nr.: BA_INDUSTRIE_D_N_15_Detail, I_N_9_inplanting, T_N_10 Terreinprofiel , T_N_11Terreinprofiel, motivatienota

Coordinaten X Y: 221.072 - 187.408

Infiltratiebekken: 400 m², 220 m³ - Meer dan nodig

Overstromingsbuffer: 936 m³

  • De werken moeten worden uitgevoerd volgens de plannen gevoegd bij de vergunning.
  • De aanleg van het nieuwe overstromingsbekken en het infiltratiebekken moeten uitgevoerd zijn voor de start van de bouw van de opslagloods. Dit is een voorwaarde voor de vergunning.
  • De machtiging is onderworpen aan de stipte naleving van de hierboven geformuleerde administratieve en technische voorwaarden.
  • Schanskorven moeten geplaatst worden volgens de voorwaarden geformuleerd in Standaard bestek 250, hoofdstuk 13, en mogen niet gevuld worden met Silex.

3.2.3 Bijgevoegde plannen – zie bijlagen

  • Principeschets 1: Schanskorven achter ronde houten palen
  • Principeschets 3: Schanskorven met funderingsschanskorven
  • Principeschets 7: Uitmonding buis in waterloop

DEEL 4 CONCLUSIE

Het dossier wordt in het kader van de bindende bepalingen rond onbevaarbare

waterlopen voorwaardelijk gunstig beoordeeld.

De voorwaarden onder Deel 2 en 3 moeten worden opgenomen in de vergunning.

Bijlagen wetgeving (zie bijlage)” 

In de beslissing tot vergunningverlening kan de machtiging geïntegreerd worden. 

Gelet op het feit dat de overbrugging voor de bijkomende toegangsweg in strijd is met de regelgeving, de grondslag voor de werken aan de waterloop niet wenselijk is in functie van de invulling van de bufferzone, en de groenbuffer langsheen de waterloop zich nagenoeg volledig binnen de 5m-zone bevindt waardoor geen afdoende groenbuffering kan gerealiseerd worden (2.1. afstandsregels) is een integratie van de machtiging niet aan de orde.

De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving omwille van volgende redenen:

  • Er wordt niet voldaan aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de bufferzone met onderliggende gewestplanbestemming bufferzone (ruimtelijk kwetsbaar gebied):
  • De afwijkingsmogelijkheid kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor een ruimtelijk kwetsbaar gebied als onderliggende gewestplanbestemming;
  • Er wordt niet geheel voldaan aan de hemelwaterverordening omdat de niet waterdoorlatende verhardingen niet worden aangesloten op de infiltratievoorziening en de inhoud en infiltratieoppervlakte van de voorziening evenmin berekend werd voor deze verharde oppervlakte;
  • De aanvraag doorstaat de watertoets niet. Het voorliggende project kan volgens ons het schadelijk effect niet geheel vermijden noch volledig compenseren. Om deze redenen is het ontwerp niet verenigbaar met het decreet integraal waterbeleid;
  • De groenbuffer langsheen de waterloop, zoals aangegeven op plan nagenoeg volledig binnen de 5m-zone, kan niet uitgevoerd worden in een volwaardige vorm omwille van de afstandsregels van de waterbeheerder. De aanleg van een voldoende toereikende groenbuffer op het bedrijfsterrein gelegen aan de overgang van een bestemmingsgebied is echter verplicht.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het bouwen van een nieuwe loods, kappen van bomen, slopen bijgebouw en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verhardingen, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, en een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De aanvraag is gelegen in een gebied dat geordend wordt door een bijzonder plan van aanleg waarvan niet op geldige wijze afgeweken wordt. Dit plan bevat voorschriften die de aandachtspunten, vermeld in art. 4.3.1 §2 1° van de Vlaamse Codex ruimtelijke ordening, behandelen en regelen. Deze voorschriften worden geacht de criteria van de goede ruimtelijke ordening weer te geven.

Handelingen sorterend onder voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dat ouder is dan 15 jaar ( dus geen RUP! )
Artikel 4.4.9/1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening stelt dat in een vergunning – na een openbaar onderzoek – afwijkingen kunnen worden toegestaan van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg of een wijziging ervan, voor zover dit plan ouder is dan 15 jaar op het ogenblik van de indiening van de aanvraag
Het hierboven genoemde bijzonder plan van aanleg is goedgekeurd dd. ( datum aanvullen ) en dus kan er principieel worden afgeweken van de voorschriften
 Evenwel kan de afwijking niet worden toegestaan voor wat betreft wegenis, openbaar groen en erfgoedwaarden. 

De afwijkingsmogelijkheid kan slechts worden toegepast voor stedenbouwkundige voorschriften van bijzondere plannen van aanleg die een aanvulling vormen op:

1° de volgende gebiedsaanduidingen, vermeld in het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen:

a) woongebieden, met uitzondering van woonparken;

b) industriegebieden in de ruime zin;

c) dienstverleningsgebieden;

d) gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen;

2° de volgende aanvullende voorschriften van het gewestplan:

a) gebieden voor service-residentie;

b) kantoor- en dienstenzones;

c) gebieden voor handelsbeursactiviteiten en grootschalige activiteiten;

d) lokale en regionale bedrijventerreinen;

e) luchthavengebonden bedrijventerreinen;

f) gebieden voor luchthavengerelateerde kantoren en diensten;

g) businessparken;

h) teleport;

i) gebieden voor hoofdkwartierfunctie;

j) gebieden hoofdzakelijk bestemd voor de vestiging van grootwinkelbedrijven;

k) zones voor kleinhandel en kleine en middelgrote ondernemingen;

l) kleinhandelszones;

m) zones van handelsvestigingen;

n) gebieden voor zeehaven- en watergebonden bedrijven;

o) zeehavengebieden;

p) gebieden voor watergebonden bedrijven;

q) transportzones;

r) regionale gemengde zones voor diensten en handel;

s) research-, universiteits- en wetenschapsparken;

t) bedrijfsgebied met stedelijk karakter;

u) gemengde woon- en industriegebieden;

v) gemengde gemeenschapsvoorzienings- en dienstverleningsgebied;

w) stedelijke ontwikkelingsgebieden;

x) gebieden voor duurzame stedelijke ontwikkeling;

y) gebieden voor kernontwikkeling.

De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor agrarisch gebied, ruimtelijk kwetsbaar gebied of recreatiegebied in afwijking van het gewestplan of voor gebieden die in uitvoering van artikel 5.6.8 van deze codex aangeduid zijn als watergevoelig openruimtegebied.

Elke aanvraag tot afwijking overeenkomstig het eerste lid, wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek.

De aanvraag voldoet aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de zone voor bedrijventerrein met onderliggende gewestplanbestemming “industriegebieden in de ruime zin” maar er wordt niet voldaan aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de bufferzone met onderliggende gewestplanbestemming bufferzone (ruimtelijk kwetsbaar gebied):

De afwijkingsmogelijkheid kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor een ruimtelijk kwetsbaar gebied als onderliggende gewestplanbestemming;

De aanvraag dient getoetst aan de goede ruimtelijke ordening. ( Deze wordt verderop uitgevoerd )

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

De percelen van de aanvraag zijn gelegen aan de Boddenveldweg, een gemeenteweg ten oosten van het centrum van Zonhoven. De wegenis situeert zich tussen de Genkerbaan en de Grote Hemmenweg en ontsluit een via een insteekweg 3 bedrijfsterreinen die gelegen zijn in een KMO-zone met beperkte omvang die historisch ontstaan is.

De omgeving rond de bedrijfszone wordt aan de noordelijke en zuidelijke zijde gekenmerkt door een bufferstrook die de overgang vormt naar de voornamelijk residentiële bebouwing in open en halfopen verband. Aan de westelijke zijde is een groen ingevuld woonuitbreidingsgebied aanwezig, grenzend aan bedrijf Limelco. Aan de oostelijke zijde weilanden en groene ruimte alsook een woonlint langsheen de Katschotseweg.

In een straal van 100m rond het bedrijfsterrein van de aanvraag bevinden zich enkele weilanden met daarachter een 8-tal woningen langs de Katschotseweg, zo’n 17 residentiële gebouwen langsheen de Genkerbaan, een supermarkt, een gedeelte van bedrijf Limelco en tenslotte de gebouwen van I.G.L. opleidingscentrum aan de overzijde van de insteekweg.

Omschrijving van de aanvraag

Het terrein van de aanvraag bestaat uit 2 percelen die deels gelegen zijn in de zone voor bedrijventerrein en deels in een bufferzone. Aan noordelijke en westelijke zijde grenst het terrein aan een ander bedrijfsterrein, de bufferzone langsheen Boddenveldweg vormt de overgang naar het agrarisch gebied en aan zuidelijke zijde is nog een bufferzone aanwezig die de overgang vormt naar het woongebied.

In 2008 werd het goed ontbost en in 2009 werd de bouw van een assemblagehal met stockage- en kantoorruimte vergund, later werd nog een HS-cabine gebouwd.

Een aantal vrij essentiële onderdelen qua waterbeheersing werden niet uitgevoerd zoals aangevraagd en opgenomen in de voorwaarden van het bedrijfsgebouw. Het gaat vnl. over de aanleg van overstromingsbekken tussen de waterloop en het bedrijfsgebouw en aan de achterzijde van het gebouw. Deze dienden de ophoging van het terrein te compenseren maar werden nooit uitgevoerd. Er werd wel een bijkomende ophoging en verharde oppervlakte aangelegd. Het niet uitvoeren van dergelijke voorwaarden in een overstromingsgevoelig gebied is nefast voor een goede waterhuishouding.

De huidige aanvraag omvat het bouwen van een nieuwe opslagloods met kantoorruimte(uitbreiding), kappen van bomen, slopen van een bijgebouw en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verhardingen, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, alsook een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij.

Uit een vergelijking van de vergunde plannen waarover de gemeente beschikt en de ingediende plannen, kan worden vastgesteld dat de vergunde toestand op diverse vlakken afwijkt van de bestaande toestand. Het betreft het niet uitvoeren van de opgelegde overstromingsbekkens ifv de ophogingen, verruimen van verhardingen en opgehoogde zones, inrichting van het bestaande gebouw.

Uit het fotodossier van de aanvraag blijkt tevens dat er reeds voorbereidende werken werden uitgevoerd om de bijkomende toegangsweg te realiseren. Feitelijk is de wegenis reeds in gebruik (en niet als brandweg), is een poort geplaatst en werd het groen verwijderd.

Er dient opgemerkt dat een regularisatie met dezelfde criteria beoordeeld moet worden als een nieuwe aanvraag. Het kan immers niet zijn dat de regularisatie soepeler zou beoordeeld worden om reden dat de werken reeds uitgevoerd zijn. 

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De functie van de nieuwe opslagloods met kantoorruimte sluit aan bij de bestaande bedrijfsactiviteit en de initiële bestemming van perceel binnen de zone voor bedrijventerrein.

Mobiliteitsimpact

Het stallen van voertuigen dient op eigen terrein georganiseerd te worden. Er dient eenvormigheid nagestreefd te worden, rekening houdend met zo realistisch mogelijke gegevens. Het aantal standplaatsen dient overeen te stemmen met 1 parkeerplaats per 50m² bedrijfsruimte, vermeerderd met 1 parkeerplaats per 200m² magazijn en vermeerderd met 1 parkeerplaats per 20m² kantoorruimte.

Op de her aan te leggen parking aan de voorzijde van het gebouw worden 45 autostaanplaatsen voorzien (1 minder valide) voor personeel en bezoekers.

De aanvraag bevat onvoldoende gegevens betreffende de oppervlakte van de kantoorruimte/ overige bedrijfsruimte en magazijnruimte om een exact aantal te bepalen; evenmin werd informatie aangeleverd over het aantal werknemers en bedrijfsvoertuigen. Een exacte parkeerbehoefte kan niet vastgesteld worden bijgevolg. Op basis van de beschikbare afmetingen op de ingediende plannen en de vergunde plannen waarover de gemeente beschikt kan bij benadering het volgende berekend worden:

  • Magazijnen bestaand + nieuw: 7325m²
  • Kantoorruimte bestaand en nieuw: 991,44m²
  • Overige bedrijfsruimte (o.a. gangen, sanitair, refter, kleedkamers…): 303,32m²

De parkeerbehoefte op basis van de verschillende oppervlaktes bedraagt in totaal 92,27 autostaanplaatsen.

Aangezien geen enkele motivatie aanwezig is voor het halveren van het aantal parkeerplaatsen, is dit niet aanvaardbaar.

Wat betreft de verkeersgeneratie en het voorzien van een bijkomende toegang rechtstreeks op de Boddenveldweg, werd de aanvraag voor advies voorgelegd aan de mobiliteitsambtenaar.

Het advies van 29/11/2021 van de dienst Mobiliteit is ongunstig:

“Dienst mobiliteit

Betreft: OMV_2021028123 - Boddenveldweg 7

Situatie

Het dossier omvat de aanvraag voor het bouwen van een nieuwe loods, kappen van bomen, slopen bijgebouw, regularisatie en herinrichting terrein en verandering uitbating voor aluminium schrijnwerkerij

Bespreking

  • De Boddenveldweg is in het mobiliteitsplan Zonhoven gecategoriseerd als lokale weg type 2. Dit is een gebiedsontsluitingsweg. Hoofdfunctie van de weg is ‘verzamelen’ c.q. ‘ontsluiten’ op lokaal niveau. De weg heeft slechts in tweede instantie een verbindende functie. De ontsluitingsfunctie primeert op deze weg.  Het ‘toegang geven’ neemt ook een belangrijke plaats in. De ontsluitingsfunctie omvat het verzamelen van het uitgaand verkeer naar een weg van hogere orde en de verdeling van het ingaand verkeer in het gebied. De weg ontsluit een lokaal gebied (bijv. stad, dorpskern, wijk, industrie- of dienstenzone) naar een weg van hogere categorie. Het lokaal gebied kan verschillende schaalniveaus omvatten: het stedelijk gebied, de gemeente, een deelkern, het stads- of dorpscentrum, wijk, campus, industriegebied.
  • De breedte van Inrit 1 en inrit 2 moet beperkt worden tot 5,00 meter. Hieraan is voldaan.
  • Fietsenstallingen worden bij voorkeur het dichtst bij de ingang voorzien.
  • De nieuwe toegangsweg (verbindingsweg met de brug) is ingericht in de bufferzone. Conform de richtlijnen zoals aangegeven in het BPA en het gewestplan wordt gesteld dat het doorbreken van de bufferzone op deze plaats enkel toegelaten is ter ontsluiting van het achterliggende bedrijventerrein op voorwaarde dat het niet bereikbaar is via de ontsluitingsweg. Bij herverkaveling binnen de zone voor bedrijventerrein dient dit zodanig te gebeuren dat de volledige zone kan ontsloten worden via de voorziene ontsluitingsweg. 

Advies dienst:

Vanuit de dienst mobiliteit wordt de aanvraag ongunstig geadviseerd.

De nieuwe toegangsweg (verbindingsweg met de brug) is ingericht in de bufferzone. Dit is niet conform de richtlijnen zoals aangegeven in het BPA.”

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen

Met de aanvraag wenst men een rechtzetting te bekomen van een niet vergunde situatie en bijkomend een uitbreiding van de bedrijfsgebouwen te realiseren.

In eerste instantie wordt hiervoor het verwijderen van een beboste zone van 795m² gevraagd en het verwijderen van een niet vergund gebouw van zo’n 131m².

Voor de uitbreiding van het bedrijfsgebouw met een nieuwe opslagloods en kantoorruimte wordt een bijkomende oppervlakte van 2180m² voorzien aan de linkerzijde van de bestaande bedrijfsgebouwen. Door de omvang van het gebouw is binnen de zone voor bedrijven geen ruimte meer voorradig voor de aanleg van een brandweg (voor zover deze vereist is), overstromingsbekken, infiltratiebekken en de realisatie van afdoende groenbuffers.

De nieuwe bedrijfshal met een breedte van 44,40m, een bouwdiepte van 47,60m en een bouwhoogte van 12m tov het op te hogen maaiveld, wordt vooraan tot tegen de grens met de bufferzone gebouwd en links tot op minder dan 12m afstand tot de perceelgrens/ waterloop. Men wenst daarbij een verruiming van de verhardingen te voorzien, deels te regulariseren en deels nieuw aan te leggen, eveneens aan de linkerzijde van de bebouwing. Het opgehoogde te regulariseren gedeelte verharding heeft een oppervlakte van 225m² en een nieuwe wegenis in waterdoorlatende asfalt met rechtstreekse doorgang naar de Boddenveldweg, volgens de aangeleverde info te gebruiken als brandweg, heeft een oppervlakte van 378m².

De inplanting en omvang van deze constructies zijn niet aanvaardbaar.

De inplanting is voorzien in een effectief overstromingsgevoelige zone en de oppervlakte van de loods zorgt ervoor dat de nodige groenbuffers niet aangelegd kunnen worden in de daartoe bestemde zones. In die zones dient men door het ontwerp namelijk een brandweg en 2 zeer ruime waterbekkens te voorzien.

Het is niet uitgesloten om een beperkt gedeelte van de bestemming bufferzone te gebruiken voor constructies voor waterbeheersing, doch voorgestelde invulling is dusdanig ruim dat de eigenlijke functie en bestemming niet meer realiseerbaar is. Bovendien is de invulling van de bufferzone in strijd met de regelgeving.

De strijdigheid heeft tot gevolg dat de constructies in de bufferzone elders op het bedrijfsterrein uitgevoerd dienen te worden, ze zijn immers verplicht zoals aangegeven werd in de aanvraag en door de waterbeheerder en volgens de gewestelijke verordening hemelwater.

Door de omvang van de loods en verhardingen is hiervoor echter geen ruimte meer.

Het is belangrijk dat bij het inrichten van de ruimte, de draagkracht van het gebied en het terrein zelf niet overschreden wordt. De draagkracht van de ruimte wordt omschreven als de mogelijkheid om nu en in de toekomst activiteiten op te nemen zonder dat dit tot conflicten leidt. Zo mag de te realiseren bestemming de aanwezige en de te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengen. 

Meer bepaald kan onbestaanbaarheid met de bestaande/ te realiseren functies in de omgeving worden veroorzaakt  door het niet realiseren van een afdoende groenbuffer alsook is een realistische kans op bijkomende wateroverlast aanwezig door de omvang en inplanting van hetgeen voorzien wordt.

Er moet op perceelniveau gezocht worden naar een beter ruimtelijk evenwicht. Er dient gestreefd te worden naar een aanvaardbaar evenwicht tussen de onverharde ruimte voorbehouden voor  groen en water en de verharde ruimte voor de bedrijfsactiviteiten zonder hierbij de bestemming van het perceel, zijnde bedrijventerrein en bufferzone, uit het oog te verliezen.

Het perceel is onvoldoende groot gelet op de voorgestelde bebouwde en verharde oppervlakte; er resteert onvoldoende open ruimte die kan ingericht worden als groenbuffer en onvoldoende ruimte voor waterbeheersing.

Bodemreliëf

De zone voor uitbreiding van de gebouwen en verhardingen wordt opgehoogd.

Uit de terreinsnedes blijkt niet duidelijk  waar de te regulariseren ophoging werd uitgevoerd, de bestaande en vergunde toestand wordt hetzelfde weergegeven. De weergave van de hoogtepeilen is tevens niet uniform door enerzijds de weergave van TAW-peilen en anderzijds hoogtepeilen tov een niet aangegeven maaiveld of referentiepiel op de weg.

De eigenlijke ophoging kan bijgevolg niet vastgesteld worden waardoor evenmin kan nagegaan worden of er een evenredig volume voorzien is binnen het overstromingsbekken, dit bovenop het nog uit te voeren bekken voor de bestaande ophogingen.

Normaliter worden binnen een overstromingszone geen reliëfwijzigingen toegestaan. Enkel ter hoogte van de aan te leggen toegangen tot de bedrijfsgebouwen kan in principe een beperkte reliëfwijziging aanvaard worden. De ophoging werd echter reeds uitgevoerd (voor de bestaande te regulariseren toestand) en de compensatie door de aanleg van een overstromingsbekken werd eerder vergund. 

De bijkomende ophoging is pas aanvaardbaar met aanlevering van de nodige gegevens en mits de nodige compensatie binnen het overstromingsbekken dat bovendien niet geheel in de bufferzone mag aangelegd worden.

Alle overtollige grond die vrijkomt bij het afgraven van de bekkens, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende stortplaats.

De aanvraag voldoet niet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

De inplanting is voorzien in een effectief overstromingsgevoelige zone en de oppervlakte van de loods zorgt ervoor dat de nodige groenbuffers niet aangelegd kunnen worden in de daartoe bestemde zones. In die zones dient men door het ontwerp namelijk een brandweg en 2 zeer ruime waterbekkens te voorzien.

Het perceel is onvoldoende groot gelet op de voorgestelde bebouwde en verharde oppervlakte; er resteert onvoldoende open ruimte die kan ingericht worden als groenbuffer en onvoldoende ruimte voor waterbeheersing. De draagkracht van het terrein wordt overschreden.

BESPREKING ADVIEZEN

  • De adviezen van 22/11/2021 inzake de watertoets en machtiging werken aan de waterloop van de provinciale dienst Water en Domeinen zijn voorwaardelijk gunstig zoals hoger aangehaald (zie “Watertoets” en “Overige regelgeving - Integratie van toestemmingen en machtigingen”).

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij deze adviezen en merken bijkomend op dat het voldoen aan de gestelde voorwaarden, impliceert dat geen voldoende groenbuffer kan aangelegd worden langsheen de perceelgrens aan de waterloop én dat de noodzakelijke constructies voor de compensatie van de ophogingen (overstromingsbekken) en de hemelwaterverordening (infiltratiebekken) de vereiste invulling van de bufferstrook langsheen Boddenveldweg verhinderen. 

  • Het advies van 09/11/2021 van de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg is voorwaardelijk gunstig. 

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies met toevoeging van opmerkingen. Er dienen aanpassingen doorgevoerd te worden om te voldoen aan de brandveiligheid. Indien er structurele ingrepen nodig zijn of een wijziging van de plannen, dient een aangepaste omgevingsaanvraag ingediend te worden.

  • Het advies van 26/10/2021 van de dienst Facilitair Management is ongunstig:

Ongunstig voor de werken zoals voorgesteld in de aangeleverde plannen, omwille van het feit dat de bufferzone niet wordt ingericht conform de richtlijnen zoals aangegeven in het BPA en het gewestplan. Zo zijn volgende voorgestelde werken in strijd met de bepalingen van het BPA en/of gewestplan:

  • overstromingsbekken en regenwaterinfiltratiebekken wordt aangelegd binnen de zone voorzien voor buffer,
  • wordt er een toegangsweg aangelegd binnen de bufferzone,
  • wordt er in de zone voor buffer ook niet streekeigen groen aangeplant”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

  • Het advies van 16/11/2021 van de dienst Patrimonium is ongunstig:

Ongunstig voor de werken zoals voorgesteld in de aangeleverde plannen, omwille van het feit dat de bufferzone niet wordt ingericht conform de richtlijnen zoals aangegeven in het BPA en het gewestplan. Zo zijn volgende voorgestelde werken in strijd met de bepalingen van het BPA en/of gewestplan:

  • overstromingsbekken en regenwaterinfiltratiebekken wordt aangelegd binnen de zone voorzien voor buffer,
  • wordt er een toegangsweg aangelegd binnen de bufferzone,
  • wordt er in de zone voor buffer ook niet streekeigen groen aangeplant”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

  • Het advies van 29/11/2021 van de dienst Mobiliteit is ongunstig zoals reeds hoger aangehaald.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies en merken bijkomend op dat niet voldaan wordt aan de parkeerbehoefte, berekend op basis van de oppervlakte van diverse functies binnen het bedrijfsgebouw.

Het advies van het agentschap Natuur en Bos werd niet ontvangen. Er wordt aangegeven dat het Bosdecreet niet van toepassing is en dat er vanuit de administratie geen adviesplicht is binnen het dossier. Bijgevolg wordt aan de adviesvereiste voorbij gegaan.

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de voorgenomen aanvraag de ruimtelijke draagkracht van het gebied overschrijdt en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving in het gedrang kunnen brengen of verstoren. De aanvraag is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening zoals hoger gemotiveerd.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

De aanvraag betreft een 

  1. verandering door uitbreiding: 

De aanvraag houdt in: aluminiumschrijnwerkerij

Met volgende aangevraagde rubrieken: 

  • 6.5.1° - een brandstofverdeelslang;
  • 12.2.1° - een transformator van 400 kVA, opgesteld in een aparte cabine nabij de straatzijde;
  • 12.3.2° - 2 acculaders tbv een vorklift en een veegmachine;
  • 15.1.1° - 8st, waaronder vrachtwagen, bestelwagen, vorklift, aanhangwagens;
  • 16.3.2°a) - persluchtcompressor van 40 kW, plaatsing 38 warmtepomp-units à 3,5 kW elk = 133 kW - Totaalvermogen: 173 kW;
  • 17.3.2.1.1.1°b) - een dieseltank van 3.550 l = 3,05 ton; bovengronds, dubbelwandig;
  • 17.4 - de opslag van 150 kg gevaarlijke stoffen in kleinverpakking, waaronder siliconen, butyl, lijmen etc;
  • 19.3.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 23.2.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 29.5.2.1°a) - metaalbewerking - totaalvermogen 191,6 kW

Volgende onderdelen zijn niet-vergunningsplichtig en aldus niet opgenomen:  

  • Lozen van huishoudelijk afvalwater (< 600 m³/jaar)

OMGEVINGSVEILIGHEIDSRAPPORT

Het voorwerp van de aanvraag heeft geen betrekking op het hogedrempelinrichting. Het opstellen van een omgevingsveiligheisdrapport is dan ook niet van toepassing.

MILIEU-ASPECTEN

De productie wordt opgesplitst als volgt :   De activiteiten hebben betrekking op de productie van aluminumschrijnwerk waarbij deze activiteiten allen plaatsvinden binnen de bestaande en reeds aanwezige bedrijfsgebouwen.

Ligging ten opzichte van de buurt

De inrichting is volgens het gewestplan gelegen in industriegebied. 

In een straal van 100 meter zijn zo’n 7 woningen gelegen.  

Op ca. 70 meter van de perceelsgrenzen en op ca. 84 meter van de bedrijfsgebouwen staat de meest nabije woning. 

Dit maakt dat de inrichting voor hinder kan zorgen voor de buurt. 

AFWIJKING OP DE MILIEUVOORWAARDEN

Het bedrijf vraagt volgende afwijkingen aan algemene en/of sectorale milieuvoorwaarden: NVT.In het verleden heeft het bedrijf reeds volgende afwijkingen bekomen: NVT.

In het verleden voldeed het bedrijf aan volgende algemene en/of sectorale voorwaarden.

BODEM

Het bedrijf valt met volgende rubrieknummers uit de Vlaremindelingslijst onder de categorie van risico-inrichting: 29.5.2.1°a); waarbij categorie 

O - oriënterend bodemonderzoek verplicht bij overdracht, sluiting en faillissement: 

van toepassing is.  

De uitgevoerde activiteit vormt een risico voor bodemverontreiniging omwille van de opslag en verdeling van diesel.

Volgende maatregelen neemt het bedrijf:  De opslag van diesel gebeurt in een bovengrondse, dubbelwandige opslaghouder en het bevoorraden van de voertuigen gebeurt binnen de bedrijfsgebouwen op een vloeistofdichte ondergrond. Tevens is voorzien in absorptiemiddelen.

Volgende maatregelen dienen nog genomen te worden:   Uit het overgemaakte keuringsattest blijkt dat voor de opslaghouder geen eindbesluit kon genomen worden. De exploitant dient aan te tonen dat de opslaghouder voldoet aan de vigerende wetgeving, zie bijzondere voorwaarde.

milieubeleidsdecreet

Het bedrijf heeft volgende verplichtingen volgens de indelingslijst:

  • coördinator: 1ste of 2de niveau:  niet van toepassing
  • milieuaudit: éénmalige of periodieke audit: niet van toepassing
  • jaarverslag: niet van toepassing

GELUIDSHINDER

Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kan geluidshinder waar te nemen zijn buiten het bedrijf: 

De aan- en afvoer van onderdelen, alsook de productie-activiteiten betreffen potentiële bronnen van geluid. 

Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen: Alle activiteiten inzake productie worden binnen in de bedrijfsgebouwen uitgevoerd. De laad- en losactiviteiten vinden volgens het dossier hoofdzakelijk plaats aan de noordwestelijke kant, ter hoogte van Limelco. Hierdoor zijn deze activiteiten op ruime afstand gesitueerd van woningen.

Het geluid kan in dergelijke mate storend zijn dat dit een probleem vormt en volgende maatregelen getroffen moeten worden: niet van toepassing. 

Indien de exploitatie laad- en losverrichtingen behelst en rubriek 16.3.1. is van toepassing, dan neemt de exploitant alle nodige maatregelen (BBT) om dit geluid te beperken en te verhinderen dat het geluid voortgebracht door laad- en losverrichtingen een bron van hinder is voor de omgeving (Vl II; afd. 4.5.7).

GEURHINDER

Door de aard van de activiteiten van het bedrijf kunnen volgende geuren waargenomen worden: niet van toepassing

Het bedrijf neemt reeds volgende maatregelen: niet van toepassing.   

LUCHTVERONTREINIGING

De verwarming van de gebouwen gebeurt met : warmtepompen.

Er zijn geen emissies naar de lucht te verwachten t.g.v. de gemelde activiteiten.

AFVALGASSEN 

Mbt afvalgassen afkomstig van het productieproces zijn volgende hinderlijke gassen waar te nemen: niet van toepassing

STOFHINDER

In het bedrijf wordt geen stof geproduceerd. 

Het bedrijf neemt volgende maatregelen om het stop op te vangen: niet van toepassing. 

LICHTBEHEERSING

Het bedrijf gebruikt lichtreclame en verlichting voor de veiligheid/uitbating en zorgt voor lichthinder.  

Gelet op hoofdstuk 4.6 van Vlarem II: het gebruik en de intensiteit van lichtbronnen in open lucht zijn beperkt tot de noodwendigheden inzake uitbating en veiligheid.  Niet-functionele lichtoverdracht naar de omgeving wordt maximaal beperkt. Klemtoonverlichting wordt gericht op de inrichting of onderdelen ervan.  

Lichtreclame mag de normale intensiteit van de openbare verlichting niet overtreffen. 

LOZING VAN AFVALWATER

Volgende waterstromen komen vrij:

  • hemelwater
  • huishoudelijk afvalwater

en worden geloosd in de gemengde riolering, gescheiden riolering, al dan niet ingebuisde gracht, hemelwaterputten, oppervlaktewater e.a.). 

De inrichting ligt overeenkomstig het gemeentelijk zoneringsplan in een centraal gebied. 

HEMELWATER

Er is een gescheiden hemelwaterafvoer aanwezig waarbij het hemelwater wordt opgevangen in hemelwaterputten met een totale inhoud van 20.000 liter.  De overloop van de hemelwaterputten loopt naar het infiltratiebekken.  Het water wordt hergebruikt voor onder meer de spoeling van toiletten. 

Het bedrijf voldoet aan artikel 4.2.1.3.§5 Onverminderd andere wettelijke bepalingen, milieuvoorwaarden uit dit reglement of milieuvergunningsvoorwaarden, moet voor de afvoer van hemelwater de voorkeur gegeven worden aan de afvoerwijzen zoals hierna in afnemende graad van prioriteit vermeld:

1° opvang voor hergebruik;

2° infiltratie op eigen terrein;

3° buffering met vertraagd lozen in een oppervlaktewater of een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater;

4° lozing in de regenwaterafvoerleiding in de straat. 

Volgende voorwaarden worden opgelegd inzake hergebruik van hemelwater, met doeleinden: 

niet van toepassing. 

HUISHOUDELIJK AFVALWATER

Het huishoudelijk afvalwater is afkomstig van de sanitaire installaties ten dienste van het personeel. 

De inrichting ligt in een centraal gebied wat maakt dat een septische put niet geplaatst moet worden.  

GRONDWATERWINNINGEN

Het bedrijf vraagt volgende grondwaterwinningen aan, voor de toepassing: niet van toepassing. 

Volgende meetinrichting is aanwezig: niet van toepassing. 

AFVALSTOFFEN

Het dossier omvat geen info over de geproduceerde afvalstoffen. De exploitant wordt gewezen op de bepalingen opgenomen in artikel 4.3.2 van het Vlarema inzake het gescheiden inzamelen van bedrijfsafvalstoffen. 

LIGGING IN KWETSBAAR GEBIED

De uitbating is niet gelegen in een speciale beschermingszone of in VEN gebied

Gelet op de aard van de activiteiten en de ligging van de inrichting zijn er geen negatieve effecten te verwachten.

Volgende voorwaarden worden opgenomen als bijzondere voorwaarden in het besluit: 

De exploitant dient binnen de 3 maanden na de aktename van de klasse 3-activiteiten een keuringsattest voor te leggen waaruit blijkt dat de aanwezige opslaghouder voldoet aan de vigerende wetgeving

Programmatische aanpak stikstof: niet van toepassing

AANGEVRAAGDE RUBRIEKEN

Volgende onderdelen uit het bedrijf dienen nog voorzien van een omgevingsvergunning :

  • 6.5.1° - een brandstofverdeelslang;
  • 12.2.1° - een transformator van 400 kVA, opgesteld in een aparte cabine nabij de straatzijde;
  • 12.3.2° - 2 acculaders tbv een vorklift en een veegmachine;
  • 16.3.2°a) - persluchtcompressor van 40 kW, plaatsing 38 warmtepomp-units à 3,5 kW elk = 133 kW - Totaalvermogen: 173 kW;
  • 17.3.2.1.1.1°b) - een dieseltank van 3.550 l = 3,05 ton; bovengronds, dubbelwandig;
  • 17.4 - de opslag van 150 kg gevaarlijke stoffen in kleinverpakking, waaronder siliconen, butyl, lijmen etc;
  • 19.3.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 23.2.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 29.5.2.1°a) - metaalbewerking - totaalvermogen 191,6 kW

Gelet op het ongunstige advies inzake het bijkomend oprichten van een bedrijfsgebouw en gelet op het feit dat het stallen van voertuigen binnen dit gebouw voorzien wordt, kan geen akte genomen worden van rubriek 15.1.1°.

Volgende onderdelen uit het bedrijf dienen niet vergund te worden :

Lozen van huishoudelijk afvalwater (< 600 m³/jaar)

vergunningstermijnen

Gelet op de hierboven aangehaalde motivering, adviseren wij dat de vergunning deels geweigerd moet worden, voor volgend onderdeel: 

  • 15.1.1° - 8st, waaronder vrachtwagen, bestelwagen, vorklift, aanhangwagens.

ADVIES –VOORWAARDEN – DUUR:

Advies – voorwaarden:

Gelet op het onderzoek dat ingesteld werd door de gemeentelijke omgevingsambtenaar, gebaseerd op de gegevens die beschikbaar werden gesteld door de bedrijfsleiding binnen het omgevingsproject wordt volgende geadviseerd:

Ten dele gunstig voor de volgende onderdelen:

  • 6.5.1° - een brandstofverdeelslang;
  • 12.2.1° - een transformator van 400 kVA, opgesteld in een aparte cabine nabij de straatzijde;
  • 12.3.2° - 2 acculaders tbv een vorklift en een veegmachine;
  • 16.3.2°a) - persluchtcompressor van 40 kW, plaatsing 38 warmtepomp-units à 3,5 kW elk = 133 kW - Totaalvermogen: 173 kW;
  • 17.3.2.1.1.1°b) - een dieseltank van 3.550 l = 3,05 ton; bovengronds, dubbelwandig;
  • 17.4 - de opslag van 150 kg gevaarlijke stoffen in kleinverpakking, waaronder siliconen, butyl, lijmen etc;
  • 19.3.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 23.2.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 29.5.2.1°a) - metaalbewerking - totaalvermogen 191,6 kW

Gunstig mits volgende voorwaarden worden opgelegd: 

De algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II:

  • Algemene milieuvoorwaarden
    • Hoofdstuk 4.1 algemeen
    • Hoofdstuk 4.2 oppervlaktewaterverontreiniging
    • Hoofdstuk 4.3 bodem- en grondwaterverontreiniging
    • Hoofdstuk 4.4 luchtverontreiniging
    • Hoofdstuk 4.5 geluidshinder
    • Hoofdstuk 4.6 lichthinder
  • Sectorale milieuvoorwaarden
    • Hoofdstuk 5.6 Brandstoffen en brandbare vloeistoffen
      • Afdeling 5.6.2 Brandstofverdeelinstallaties voor motorvoertuigen
    • Hoofdstuk 5.12 Elektriciteit
    • Hoofdstuk 5.16 Behandelen van gassen
      • Afdeling 5.16.1. Gemeenschappelijke bepalingen
      • Afdeling 5.16.3. Installaties voor het fysisch behandelen van gassen
    • Hoofdstuk 5.17 Opslag van gevaarlijke producten
      • Afdeling 5.17.1 Algemene bepalingen
      • Afdeling 5.17.4 Gevaarlijke vaste stoffen en vloeistoffen
        • Subafdeling 5.17.4.1. Algemene bepalingen
        • Subafdeling 5.17.4.3. Opslag van gevaarlijke vloeistoffen in bovengrondse houders
    • Hoofdstuk 5.19 Hout
    • Hoofdstuk 5.23 Kunststoffen
    • Hoofdstuk 5.29 Metalen

Bijzondere voorwaarde: 

  • De exploitant dient binnen de 3 maanden na de aktename van de klasse 3-activiteiten een keuringsattest voor te leggen waaruit blijkt dat de aanwezige opslaghouder voldoet aan de vigerende wetgeving.

De brandweervoorschriften van de hulpverleningszone Zuid-West Limburg d.d. 10 november 2021 zoals hoger aangehaald (“Bespreking adviezen”) moeten nageleefd worden. Op het ogenblik van de beëindiging van de inrichtingswerken, dient de aanvrager de korpsbevelhebber van hulpverleningszone hiervan in te lichten, teneinde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandweervoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven.

Duur:

De vergunningsduur kan verleend worden voor onbepaalde duur.

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag niet geheel in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp niet verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

  • De aanvraag is niet verenigbaar met de regelgeving omwille van volgende redenen:
  1. Er wordt niet voldaan aan de afwijkingsbepalingen voor wat betreft de bufferzone met onderliggende gewestplanbestemming bufferzone (ruimtelijk kwetsbaar gebied): de afwijkingsmogelijkheid kan niet worden toegepast voor bijzondere plannen van aanleg die voorzien in stedenbouwkundige voorschriften voor een ruimtelijk kwetsbaar gebied als onderliggende gewestplanbestemming;
  2. Er wordt niet geheel voldaan aan de hemelwaterverordening omdat de niet waterdoorlatende verhardingen niet worden aangesloten op de infiltratievoorziening en de inhoud en infiltratieoppervlakte van de voorziening evenmin berekend werd voor deze verharde oppervlakte;
  3. De aanvraag doorstaat de watertoets niet. Het voorliggende project kan volgens ons het schadelijk effect niet geheel vermijden noch volledig compenseren. Om deze redenen is het ontwerp niet verenigbaar met het decreet integraal waterbeleid;
  4. De groenbuffer langsheen de waterloop, zoals aangegeven op plan nagenoeg volledig binnen de 5m-zone, kan niet uitgevoerd worden in een volwaardige vorm omwille van de afstandsregels van de waterbeheerder. De aanleg van een voldoende toereikende groenbuffer op het bedrijfsterrein gelegen aan de overgang van een bestemmingsgebied is echter verplicht.
  • De aanvraag voldoet niet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving:
  1. De inplanting is voorzien in een effectief overstromingsgevoelige zone en de oppervlakte van de loods zorgt ervoor dat de nodige groenbuffers niet aangelegd kunnen worden in de daartoe bestemde zones. In die zones dient men door het ontwerp namelijk een brandweg en 2 zeer ruime waterbekkens te voorzien. Het perceel is onvoldoende groot gelet op de voorgestelde bebouwde en verharde oppervlakte; er resteert onvoldoende open ruimte die kan ingericht worden als groenbuffer en onvoldoende ruimte voor waterbeheersing.

De aanvraag is niet vatbaar voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe loods met kantoorruimte, kappen van bomen, slopen bijgebouw en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verhardingen, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, en een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier ongunstig voor het bouwen van een nieuwe loods met kantoorruimte, kappen van bomen, slopen bijgebouw en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verhardingen, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, en een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden.

In navolging van artikel 34 van het omgevingsvergunningsdecreet wordt volgende aangegeven:

Met behoud van de toepassing van artikel 5.2.1, § 3 en § 4, van het DABM wordt de aktename van de melding in de beslissing geacht zonder voorwerp te zijn als een project bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, onderworpen is aan zowel de meldings- als de vergunningsplicht en de omgevingsvergunning uitdrukkelijk of stilzwijgend wordt geweigerd.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar van 27/01/2022 omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en het afwijken van de stedenbouwkundige voorschriften maar volgt niet het advies tot het weigeren van de omgevingsaanvraag.

Het college van burgemeester en schepenen wenst de bestaande industriegronden in de gemeente maximaal te benutten. De gemeente Zonhoven heeft slechts een beperkt aantal industriegronden en wenst geen nieuwe grote industriezones te creëren. Het is dan ook een doordachte keuze om de beperkte industriegronden in de gemeente maximaal te benutten. Om die reden wordt de grootte van de uitbreiding aanvaardbaar geacht.

Het college van burgemeester en schepenen volgt het advies en de voorwaarden van de waterbeheerder. De nieuwe inplanting, inclusief bufferbekken, is een stap vooruit voor de waterhuishouding en waterbeheersing in onze gemeente en in het bijzonder voor het verdere traject van de Roosterbeek. Het college van burgemeester legt echter een bijkomende borgvoorwaarde op om de realisatie van het bufferbekken te garanderen.

  • Het college vraagt een borg ten bedrage van 50.000 euro, gestort op de gemeentelijke rekeningen die zal vrijgegeven worden na aanleg van de bekkens en bijhorende aanplantingen. 
  • In de vergunningsvoorwaarden wordt bijkomend opgenomen dat de bekkens en aanhorigheden uitgevoerd worden vooraleer de uitvoering van de overige zaken (bv. uitbreiding) start, uitgezonderd de grondwerken. Deze mogen om praktische redenen samenvallen. 
  • Na bewijs hiervan aangeleverd bij de dienst Vergunningen & handhaving wordt de borg terug vrijgegeven. 

Het college van burgemeester en schepenen acht de inplanting van het bufferbekken in de bufferzone langs straatzijde aanvaardbaar. Het geheel van water dient aangevuld te worden met hoogstambomen en streekeigen lage beplanting in de zones waar dit kan. Dit zal een mooi geheel vormen en zowel visueel als inzake biodiversiteit bufferen naar de Boddenveldweg en andere bestemmingen. 

De extra toegang is volgens de bepalingen in het BPA enkel mogelijk op voorwaarde dat het achterliggende gedeelte niet bereikbaar is via de ontsluitingsweg. Het college van burgemeester en schepenen oordeelt dat dit op basis van het brandweerverslag het geval is. De toegang is essentieel voor de veiligheid in het geval van calamiteiten en is dus conform de bepalingen in het BPA. 

De aanvraag voldoet niet aan de standaard parkeernorm. Er zijn echter parkeerplaatsen op het openbaar domein aanwezig die niet in rekening zijn gebracht. In combinatie met sensibilisering naar het personeel om met de fiets, openbaar vervoer of een combinatie van openbaar vervoer en deelfietsen naar het bedrijf te komen, is de huidige parkeercapaciteit echter aanvaardbaar. Het college van burgemeester en schepenen neemt hierbij in overweging dat er momenteel extra parkeercapaciteit is én dat de uitbreiding vooral opslagruimte betreft. 


Het college van burgemeester en schepenen vindt de grootte van de bufferzone aan de zijde van de Roosterbeek aanvaardbaar. Wel legt ze een voorwaarde op voor de aanplant van minstens 6 hoogstambomen van 2e orde tussen de brandweg en de Roosterbeek. Dit kan door de brandweg langs het gebouw te beperken tot een breedte van ca 4 meter. De bomen dienen bij aanplant een minimummaat te hebben van 20/25 en vormen, aangevuld met beperkt struikgewas op de grond, een extra buffer op eigen terrein t.o.v. de aanliggende percelen. De inplanting en de boomkeuze dient afgestemd te worden met de waterloopbeheerder. 

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het vergunnen van de omgevingsaanvraag voor het bouwen van een nieuwe loods met kantoorruimte, kappen van bomen, slopen bijgebouw en de regularisatie en herinrichting van het terrein met verhardingen, overstromingsbekken, infiltratiebekken en groenvoorziening, en een verandering van de uitbating voor aluminium schrijnwerkerij, zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden, onder voorwaarden.

Er wordt akte genomen van de ingedeelde activiteiten dewelke worden geëxploiteerd in de bestaande en vergunde gebouwen, waarbij het volgende rubrieken betreffen:

  • 6.5.1° - een brandstofverdeelslang;
  • 12.2.1° - een transformator van 400 kVA, opgesteld in een aparte cabine nabij de straatzijde;
  • 12.3.2° - 2 acculaders tbv een vorklift en een veegmachine;
  • 15.1.1° - 8st, waaronder vrachtwagen, bestelwagen, vorklift, aanhangwagens;
  • 16.3.2°a) - persluchtcompressor van 40 kW, plaatsing 38 warmtepomp-units à 3,5 kW elk = 133 kW - Totaalvermogen: 173 kW;
  • 17.3.2.1.1.1°b) - een dieseltank van 3.550 l = 3,05 ton; bovengronds, dubbelwandig;
  • 17.4 - de opslag van 150 kg gevaarlijke stoffen in kleinverpakking, waaronder siliconen, butyl, lijmen etc;
  • 19.3.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 23.2.1°a) - paneelzaagmachine voor isolatieplaten en houten plaatmateriaal (5,5 kW);
  • 29.5.2.1°a) - metaalbewerking - totaalvermogen 191,6 kW

Gunstig mits volgende voorwaarden worden opgelegd: 

De algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II zoals aangehaald in het milieuadvies.

Volgende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd:

De exploitant dient binnen de 3 maanden na de aktename van de klasse 3-activiteiten een keuringsattest voor te leggen waaruit blijkt dat de aanwezige opslaghouder voldoet aan de vigerende wetgeving.

De vergunningsduur kan verleend worden voor onbepaalde duur.

Artikel 3

Volgende voorwaarden dienen strikt nageleefd te worden:

  • De bekkens en aanhorigheden dienen uitgevoerd te worden vooraleer de uitvoering van de overige zaken (bv. uitbreiding) start, uitgezonderd de grondwerken. Deze mogen om praktische redenen samenvallen.  De goede uitvoering van het bekken moet worden goedgekeurd door de machtigingsverlener, zijnde de afdeling Waterbeheer van de Provincie Limburg. Het bewijs van de uitvoering én goedkeuring van het overstromingsbekken dient aangeleverd te worden bij de dienst Vergunningen & handhaving.
  • De bufferzone langs straatzijde dient, buiten de bekkens, aangeplant te worden met streekeigen hoogstambomen en lage beplanting in de zones waar dit mogelijk is;
  • Er dienen min. 6 inheemse hoogstambomen te worden aangeplant tussen de brandweg en de Roosterbeek, op de afstand tot de Roosterbeek zoals bepaald door de Waterbeheerder.  Het dient te gaan om bomen van 2e orde met een min. plantmaat van 20/25.  Zowel inplanting als boomkeuze dient te worden afgestemd met de Waterbeheerder.  Deze bomen dienen aangeplant te worden in het plantseizoen na voltooiing van de werken.  Bewijs hiervan dient uiterlijk 3 maanden na aanplant aangeleverd te worden aan de dienst Vergunningen en handhaving.  Wanneer deze bomen afsterven, dient er een heraanplant te gebeuren;
  • I.f.v. de aanplant van deze bomen dient de breedte van de brandweg beperkt te worden tot 4m;
  • De ontsluitingsweg blijft de prioritaire toegang. De brandweg mag enkel gebruikt worden in functie van veiligheid of calamiteiten;
  • Er dient strikt voldaan te worden aan de voorwaarden en opmerkingen gesteld in de adviezen van de Waterbeheerder, de provinciale dienst Water en Domeinen, zoals gevoegd in bijlage;
  • De beplantingen dienen uitgevoerd met streekeigen groen.

Milieu

  • Er dient voldaan te worden aan de algemene en sectorale voorwaarden van Vlarem II zoals aangehaald in het milieuadvies;
  • Volgende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd:  de exploitant dient binnen de 3 maanden na de aktename van de klasse 3-activiteiten een keuringsattest voor te leggen waaruit blijkt dat de aanwezige opslaghouder voldoet aan de vigerende wetgeving.

Riolering:

  • Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  • De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  • Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool . De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke; 
  • Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.

Terrein en gelijkgrondse berm:

  • Ophogingen van het bodemreliëf zijn slechts toegelaten zoals voorzien in de aanvraag. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  • Voor de aanvang van de werken dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen) voor wat betreft de uit te graven gronden;
  • Uitgezonderd de inritten zoals aangegeven op het inplantingsplan nieuwe toestand, dient het perceel ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inritten dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  • De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  • De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingsplan als te rooien, dienen behouden te blijven. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni.

Andere voorwaarden:

  • De voorwaarden van het agentschap Onroerend Erfgoed, aangegeven bij de beslissing betreffende de archeologienota, dienen strikt nageleefd te worden; 
  • Het advies van de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg, zoals als bijlage hierbij gevoegd, dient integraal gevolgd te worden; 
  • Op het ogenblik van de beëindiging der werken, en vóór de ingebruikname  van het pand, zal de aanvrager de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg hiervan in kennis stellen, ten einde de burgemeester op de hoogte te kunnen brengen van het feit of er al dan niet aan de opgelegde brandvoorzorgsmaatregelen gevolg werd gegeven. Gezien de veiligheid van het pand in het gedrang kan komen, worden geen omgevingsvergunningen meer afgeleverd alvorens voldaan werd aan de opgelegde brandbeveiligingsmaatregelen.  Indien voor de uitvoering van de voorschriften van de brandweer Hulpverleningszone Zuid-West Limburg een wijziging van de omgevingsvergunning noodzakelijk is, dient deze voor de aanvang van de werken ingediend te worden.


  • De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden als groenzone voor zover geen nieuwe constructies voorzien zijn. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.


  • Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;

  • Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;

  • De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

  • Voor de aanvang van de werken dient een staat van bevinding opgemaakt van het openbaar domein. Deze staat van bevinding dient aangevraagd te worden bij de gemeentelijke dienst openbare werken.

  • Alle kosten ten gevolge van schade aan het openbaar domein, voortvloeiend uit de werken op privaat terrein zijn ten laste van de aanvrager.

Alvorens een nieuwe omgevingsvergunning aan te vragen dient bewezen te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de reeds afgeleverde omgevingsvergunningen.

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

De bezwaarindieners worden op de hoogte gebracht van de beslissing van het schepencollege.

Artikel 4

Aan de vergunning wordt volgende last verbonden:

Er dient een borg te worden betaald, ten bedrage van 50.000 euro, om zo de aanleg van de bekkens te garanderen.  Deze zal vrijgegeven worden na aanleg van de bekkens en bijhorende aanplantingen en de goedkeuring hiervan.