Terug
Gepubliceerd op 01/06/2022

2022_CBS_00555 - OMV - Vergunning - Kapelbergweg 93 - 2021/00374 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 24/05/2022 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Verontschuldigd

Bram De Raeve, 1ste schepen; Johan Schraepen, 5de schepen

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2022_CBS_00555 - OMV - Vergunning - Kapelbergweg 93 - 2021/00374 - Goedkeuring 2022_CBS_00555 - OMV - Vergunning - Kapelbergweg 93 - 2021/00374 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

STEDENBOUWKUNDIG EN MILIEUTECHNISCH advies - verslag GEMEENTELIJKE omgevingsambtenaar

De aanvraag betreft het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 4 bomen en het bouwen van een vrijstaande woning en een zwembad.

De aanvraag werd op 30 december 2022 ontvangen.

Op 27 januari 2022 werd aanvullende informatie opgevraagd.

Op 7 februari 2022 werd de gevraagde aanvullende informatie aangeleverd.

Op 17 februari 2022 werd de aanvraag ontvankelijk en volledig verklaard.

De gewone vergunningsprocedure wordt gevolgd.

Er werd een openbaar onderzoek gehouden, lopende van 27 februari 2022 tot en met 28 maart 2022.

De eigenaars van de aanpalende percelen werden verzocht hun standpunt kenbaar te maken.

Het openbaar onderzoek werd gesloten zonder bezwaarschriften.

HISTORIEK VAN HET EIGENDOM WAAROP DE AANVRAAG BETREKKING HEEFT

Stedenbouwkundig

Op 14 augustus 2018 werd een stedenbouwkundige vergunning afgeleverd voor het vellen van 4 acaciabomen.   (2018/00116)

(VB_2019_013)

De aanvraag werd op 18 november 2021 in overleg gebracht met de gemeentelijke administratie, nl.:

“agrarisch gebied is louter bestemd voor (para-) agrarisch gebruik, dus zelfs wanneer dit bij een woonperceel behoort is het in principe niet de bedoeling dit te vertuinen.  Constructies (zoals verhardingen, een zwembad) en bijgebouwen zijn niet vergunbaar binnen het agrarisch gebied.

Deze constructies en bijgebouwen kunnen uitsluitend volgens de voorwaarden van het vrijstellingenbesluit worden toegelaten binnen het agrarisch gebied (zie art. 2.1, 8° en 11°).

Let wel, wanneer er binnen het agrarisch gebied constructies/bijgebouwen worden geplaatst volgens het vrijstellingenbesluit en men wenst in de toekomst bijkomende constructies/bijgebouwen te voorzien die het maximaal toegelaten volgens het vrijstellingenbesluit overschrijden, zullen deze in principe niet vergunbaar zijn.  Gezien de vrij ruime tuinzone binnen woongebied raad ik bijgevolg aan alle constructies/bijgebouwen binnen het woongebied in te planten, ongeacht de mogelijkheden van het vrijstellingenbesluit, om de eigen mogelijkheden in de toekomst niet te hypothekeren.

Wat de afstand van het dak van het overdekt terras tot het agrarisch gebied betreft, in principe zijn hier geen richtlijnen voor.  Gezien perceel 110L2 waarschijnlijk niet meer in gebruik zal worden genomen voor agrarische doeleinden, en gezien dit niet bebouwbaar is, lijkt het me geen probleem af te wijken van de bouwvrije zone van 3m.  Ik zou er echter wel naar streven een afstand van 1m tot het agrarisch gebied te bewaren.

Let wel, hierin zullen we het advies van het Departement Landbouw en Visserij volgen, dat we dienen te vragen bij een omgevingsaanvraag.  Een préadvies van deze instantie lijkt me daarom aangewezen.  Dit kan bekomen worden via Adviesvraag.limburg@lv.Vlaanderen.be

Vooraan op de percelen bevindt zich een KLE (Klein Landschaps Element), met name een houtkant/bomenrij.  Deze dient behouden te blijven.  Ik vind deze niet duidelijk terug op het inplantingsplan, noch wat er mogelijk dient gekapt te worden i.f.v. bv. de inrit.  Dit dient duidelijk te worden weergegeven, zodat dit ter advies kan worden voorgelegd aan de groenambtenaar.

De verhouding tussen verharding/bebouwing dient in evenwicht te zijn (dit zal voor deze locatie beoordeeld worden aan de hand van de oppervlakte binnen woongebied), op eerste zicht lijkt me dat binnen het voorstel het geval te zijn.  Een correcte beoordeling hiervan kan worden gemaakt indien we beschikken over alle oppervlakte-gegevens.

Wordt het bezoekersparkeren op de inrit voorzien?  Het is nl. niet de bedoeling de berm te verharden.

Voor het overige raden wij aan het gedeelte binnen het agrarisch gebied zo ecologisch mogelijk aan te planten en ook op dat vlak niet te vertuinen (wat in principe ook niet toelaatbaar is binnen het agrarisch gebied).  Dit levert een enorme bijdrage op vlak van duurzaamheid, wat overal aangewezen is, maar zeker op deze locatie, grenzend aan natuurgebied de Teut en grenzend aan zowel VEN- als habitatrichtlijngebied.  Het perceel in landbouwgebied is trouwens momenteel gekarteerd als een complex van biologisch minder waardevolle en zeer waardevolle elementen.  We vragen om hier rekening mee te houden. (op het inplantingsplan staat dit deel aangegeven als gazon, wat ecologisch gezien geen waarde heeft)

Wij wensen u erop te wijzen dat het afleveren van een vergunning te allen tijde afhankelijk is van de eigenschappen van een concreet dossier, de ruimtelijke context, het openbaar onderzoek en de in te winnen adviezen.”

De aanvraag houdt rekening met de resultaten van het voorafgaandelijk overleg / advies.

Uit de gegevens waarover de gemeente beschikt, blijkt niet dat voor het voorwerp van de aanvraag een PV is opgesteld noch dat een meerwaarde werd opgelegd of dat op het goed een vonnis of arrest rust. Er zijn ook geen geschriften bekend waaruit zou blijken dat er wederrechtelijke werken werden uitgevoerd.

Milieu

Het perceel is niet opgenomen in het Grondeninformatieregister.

OPENBAAR ONDERZOEK

Overeenkomstig artikel 17 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning en hoofdstuk 3 Toepassingsgebied van de gewone en vereenvoudigde procedure, artikels 11 t.e.m. 14 van het besluit tot uitvoering van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, werd dit dossier volgens de gewone procedure behandeld.

Er werd bijgevolg een openbaar onderzoek gehouden.

Het openbaar onderzoek werd georganiseerd van 27 februari 2022 tot en met 28 maart 2022.

Er werden geen bezwaren ingediend.

ADVIEZEN

Agentschap Natuur en Bos

Fluvius

Dienst Facilitair Management

MILIEUEFFECTENRAPPORTAGE

De aanvraag valt niet onder het toepassingsgebied van bijlage I, II en III van het besluit inzake projectmilieueffectrapportage van 10 december 2004 en latere wijzigingen.

STEDENBOUWKUNDIG ADVIES

TOETSING AAN DE REGELGEVING EN VOORSCHRIFTEN

OVEREENSTEMMING MET BESTEMMINGS- EN STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN

Gewestplan

De aanvraag is volgens het geldende gewestplan Hasselt - Genk, goedgekeurd bij Koninklijk besluit op 3 april 1979, deels gelegen in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch waardevol gebied.

De voorgestelde werken bevinden zich volledig in het woongebied met landelijk karakter.

De woongebieden met landelijk karakter zijn in hoofdzaak bestemd “voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven”. Zowel bewoning als landbouw zijn bijgevolg de hoofdbestemmingen van het gebied, en beide bestemmingen staan er op gelijke voet. Daarnaast kunnen eveneens de andere inrichtingen, voorzieningen en activiteiten, zoals in woongebied worden toegelaten (artikel 6 van het Koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen).

De aanvraag voldoet principieel aan de geldende bestemmingsvoorschriften.

Stedenbouwkundige verordeningen

Hemelwater

De aanvraag valt onder de toepassing van het besluit van de Vlaamse regering van 5 juli 2013 en latere wijzigingen, houdende vaststelling van een gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater.

De plannen geven aan dat voor de nieuw opgerichte woning met een horizontale dakoppervlakte van 368,67m² een hemelwaterput wordt voorzien met een inhoud van 10 000 liter en recuperatie van het hemelwater voor het sanitair gebruik en een buitenkraan. De overloop van de hemelwaterput wordt aangesloten op een infiltratievoorziening waarvan de oppervlakte (17,12m²) en het volume (10 000 liter) voldoen aan de verordening.

De verordening is niet van toepassing voor wat betreft de aanleg van de voorziene verhardingen omdat het hemelwater dat op de verharding valt niet wordt opgevangen en afgevoerd, maar op natuurlijke wijze op eigen terrein in de bodem kan infiltreren.

De aanvraag voldoet aan deze stedenbouwkundige verordening.

Riolering

Op 22 februari 2022 verleende Fluvius een voorwaardelijk gunstig advies, nl.:

“Het betreft hier een eengezinswoning, hiervoor verwijzen wij graag naar www.fluvius.be/aansluitingen.

Via het Omgevingsloket geven wij enkel advies voor appartementen, meergezinswoningen, verkavelingen en wegenis.

Voor uw rioleringsaansluiting geven we u volgende advies:

Bij de sloop van een pand dient de bestaande huisaansluiting op het openbaar rioleringsstelsel tijdelijk buiten gebruik gesteld te worden door de aanvrager en wel op zo een manier dat de huisaansluiting water- en gronddicht afgesloten wordt en detecteerbaar blijft op eigen terrein.

Bij de aanleg van een nieuwe privéwaterafvoer dient de bouwheer de bestaande rioleringsaansluiting te detecteren en te hergebruiken. De nieuwe privéwaterafvoer voor vuilwater en eventueel hemelwater dient ter hoogte van de rooilijn tot aan en niet dieper dan de bestaande huisaansluiting gebracht te worden. Ter hoogte van de bestaande huisaansluiting voorziet de bouwheer aan de rooilijn op het privéterrein aparte controleputjes, één voor de vuilwaterafvoer en één voor de hemelwaterafvoer, indien deze nog niet aanwezig zijn. Dit ontslaat de bouwheer niet van het indienen van een aanvraag tot heraansluiting op het openbaar rioleringsstelsel bij Fluvius. De aanvraag is terug te vinden op www.fluvius.be.

Volgens het definitief zoneringsplan ligt de woning in collectief te optimaliseren buitengebied. In deze zone wordt op termijn wel een collectieve zuivering van het vuilwater (via riolering) voorzien. De timing voor deze werken moet nog worden vastgelegd. Indien binnenkort een project van start gaat in de straat, kan u best met Fluvius contact opnemen voor de voorwaarden naar voorbehandeling van het vuilwater.

In afwachting van deze collectieve afvalwaterzuivering moet het afvalwater gezuiverd worden, dit kan door alle afvalwater, zowel zwart afvalwater (toiletten) als grijs afvalwater (gootsteen, vaatwas, douche, bad, …) aan te sluiten op een septische put of door twee afzonderlijke septische putten. Het minimale putvolume voor een gezin tot vijf personen is 3.000 liter, met 600 liter per bijkomende inwoner.

De afvoer van niet-waterdoorlatende verhardingen (buitenterras/oprit/parking) dient aangesloten te worden op een infiltratievoorziening of mag op eigen terrein afwateren in de naastliggende groenzones.

Het spoelwater van de filters van het zwembad dient bij chemische filters aangesloten te worden op de vuilwaterafvoer en moet bij zuivere biologische filters (zonder toevoeging chloor of andere chemicaliën) aangesloten worden op de infiltratievoorziening.

De overloop van een buitenzwembad dient aangesloten te worden op de infiltratievoorziening of mag op eigen terrein in de naastliggende groenzones infiltreren. Als het zwembad in 1 keer geledigd gaat worden, dient de infiltratievoorziening hierop berekend te worden. De chloordosering dient 14 dagen voor de lediging uitgeschakeld te worden.

Gelet op de omzendbrieven, decreten en de code van goede praktijk voor de herwaardering van grachtenstelsels;

Gelet op de overname door Fluvius van riolering- en grachtenstelsels van de gemeente Zonhoven; is Fluvius van mening dat baangrachten enkel mits grondige motivering mogen overwelfd worden. Er wordt slechts 1 overwelving per perceel toegestaan. Fluvius geeft positief advies voor een grachtinbuizing van 5 meter. Na het ontvangen van de vergunning kan de bouwheer zijn verzoek tot inbuizing baangracht indienen bij Fluvius via een aanvraag op www.fluvius.be.

Voor alle andere vragen verwijzen wij graag naar onze website, www.fluvius.be of het algemeen nummer 078 35 35 34.

Bovenstaande informatie geven we mee onder voorbehoud van latere wijzigingen.

Mocht later bijvoorbeeld blijken dat de definitieve vermogens toch buiten de standaardnormen vallen, dan kan ons advies nog wijzigen.”

Watertoets

Het decreet betreffende het integraal waterbeleid van 18 juli 2003, gewijzigd door het wijzigingsdecreet Integraal Waterbeleid van 19 juli 2013,verplicht de vergunningverlenende overheid om de watertoets uit te voeren bij elke aanvraag tot omgevingsvergunning. Dit decreet vormt het juridisch kader voor het integraal waterbeleid in Vlaanderen. Het decreet bevat ook de omzetting van de kaderrichtlijn Water en de Overstromingsrichtlijn.

Het voorliggende bouwproject heeft geen omvangrijke oppervlakte en ligt niet in een recent overstroomd gebied of een risicozone voor overstromingen, zodat in alle redelijkheid dient geoordeeld te worden dat het schadelijk effect beperkt is. Enkel wordt door de toename van de verharde oppervlakte de infiltratie van het hemelwater in de bodem plaatselijk beperkt. Voor het betrokken project werd de watertoets uitgevoerd volgens de richtlijnen van het uitvoeringsbesluit van 20 juli 2006. Dit Watertoetsbesluit werd gewijzigd bij Besluit van de Vlaamse Regering van 14 oktober 2011. Dit besluit is in werking getreden op 1 maart 2012.

Daaruit volgt dat een positieve uitspraak mogelijk is indien de gewestelijke stedenbouwkundige verordening hemelwater wordt nageleefd. Zoals hoger aangehaald voldoet het voorliggende ontwerp aan deze verordening. Het ontwerp is verenigbaar met de doelstellingen van artikel 5 van het decreet integraal waterbeleid.

De aanvraag doorstaat de watertoets.

Decretale beoordelingselementen

Art. 4.3.5. Uitgeruste weg

§ 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een gebouw met als hoofdfunctie “wonen”, “verblijfsrecreatie”, “dagrecreatie”, met inbegrip van sport, “detailhandel”, “dancing”, “restaurant en café”, “kantoorfunctie”, “dienstverlening”, “vrije beroepen”, “industrie”, “bedrijvigheid”, “gemeenschapsvoorzieningen” of “openbare nutsvoorzieningen”, kan slechts worden verleend op een stuk grond, gelegen aan een voldoende uitgeruste weg, die op het ogenblik van de aanvraag reeds bestaat.

§ 2. Een voldoende uitgeruste weg is ten minste met duurzame materialen verhard en voorzien van een elektriciteitsnet. De Vlaamse Regering kan bepalen in welke gevallen, en onder welke voorwaarden, gelet op de plaatselijke toestand, van deze minimale uitrusting kan worden afgeweken.

Een voldoende uitgeruste weg voldoet voorts aan de uitrustingsvoorwaarden die worden gesteld in stedenbouwkundige voorschriften of vereist worden door de plaatselijke toestand, daaronder begrepen de voorzieningen die in de gemeente voorhanden zijn en het ruimtelijk beleid van de gemeente.

De percelen zijn gelegen langs de Kapelbergweg, een gemeenteweg.

De aanvraag voldoet aan deze bepaling.

Archeologienota

Conform het Onroerenderfgoeddecreet de dato 12 juli 2013 en latere wijzigingen is geen bekrachtigde archeologienota verplicht voor de aanvraag gezien de perceelsoppervlakte kleiner is dan 3 000m².

Indien men niet verplicht is tot het opstellen van een archeologienota en tijdens de uitvoering komen er toch archeologische sporen of vondsten aan het licht, dan dient de bouwheer dit te melden binnen de 3 dagen aan het agentschap Onroerend Erfgoed (www.onroerenderfgoed.be).

Overige regelgeving

Decreet rookmelders

Het decreet van 10 maart 2017, houdende wijziging van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat het verbeteren van de brandveiligheid door het algemeen invoeren van optische rookmelders voor woningen betreft, bepaalt dat alle woningen in Vlaanderen moeten uitgerust worden met correct geïnstalleerde rookmelders of dienen te beschikken over een branddetectiesysteem.

De voorliggende aanvraag voldoet hieraan gezien er een rookmelder geplaatst wordt in de technische ruimte, de achter inkom en de bureau.

Energiedecreet

De aanvraag dient te voldoen aan het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere aanvullingen en wijzigingen.

Slopen

De afbraak dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand.

Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het Vlarem II, omgevingsvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden.

Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw- , sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.

Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.

Grondverzet

Uit het ingediende dossier blijkt dat een grondverzet   (met aanvoer/ afvoer) van meer dan 250m³ zal plaatsvinden. De regelgeving omtrent grondverzet is van toepassing.

De aanvraag is verenigbaar met de regelgeving.

Toetsing AAN DE goede ruimtelijke ordening

OMSCHRIJVING VAN DE FEITELIJKE AANVRAAG

De aanvraag omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 4 bomen en het bouwen van een vrijstaande woning en een zwembad.

BEOORDELING VAN DE GOEDE RUIMTELIJKE ORDENING

De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen:

1°         het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;

2°         het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in 1°, in rekening brengen;

Omschrijving ligging en omgeving

De percelen zijn gelegen langs de Kapelbergweg, een gemeenteweg.

De omgeving wordt gekenmerkt door voornamelijk residentiële bebouwing in open verband.

De naastliggende en achterliggende percelen zijn gelegen in agrarisch waardevol gebied volgens het gewestplan Hasselt-Genk.   De overzijde van de straat is natuurgebied.

Omschrijving van de aanvraag

Het perceel is momenteel bebouwd met een hoeve met schuur en bijgebouwen.

De huidige aanvraag omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 4 bomen en het bouwen van een vrijstaande woning en een zwembad.

Functionele inpasbaarheid in de onmiddellijke en ruime omgeving

De functie als eengezinswoning is functioneel inpasbaar in de omgeving.

Mobiliteitsimpact

Het ontwerp voorziet een dubbele carport in de woning.

Bijgevolg wordt het stallen van voertuigen opgevangen op eigen terrein en niet afgeschoven naar het openbaar domein.

De schaal van de voorgenomen werken, het ruimtegebruik, de bouwdichtheid en de visueel-vormelijke elementen

De aanvraag betreft het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 4 bomen en het bouwen van een vrijstaande woning en een zwembad.

De bestaande bebouwing wordt volledig gesloopt waarna er een nieuwe vrijstaande eengezinswoning zal opgericht worden.

De woning wordt ingeplant op 9m achter de rooilijn / voorste perceelgrens, op minimum 6m van de rechter perceelgrens en op minimum 1m van het agrarisch waardevol gebied aan de linkerzijde van de percelen.

De woning heeft een bouwbreedte van maximaal 31,70m en een maximale bouwdiepte van 16,80m op het gelijkvloers en 9,24m op het verdiepingsniveau.

De woning wordt afgewerkt met een plat dak en heeft een maximale dakrandhoogte van 6,57m ten opzichte van het maaiveld (= 6,66m ten opzichte van de as van de weg).

De woning wordt uitgevoerd in licht grijze gevelsteen gecombineerd met keramische geveltegels en zwarte aluminium panelen.

De voorgestelde inplanting, bouwdieptes en bouwhoogte vallen binnen de algemeen gehanteerde normen waardoor de woning niet als storend ervaren zal worden in het bestaande straatbeeld.

De aanvraag omvat tevens het aanleggen van een zwembad.

Het zwembad wordt deels ingeplant in de linker zijtuinstrook en deels in de achtertuin.

Het zwembad wordt ingeplant op minimum 1,83m van de linker perceelgrens, op ca. 1,20m van de linker zijgevel van de woning en op minimum 1,60m van de achtergevel van de woning.

Het zwembad heeft een oppervlakte van 36m² (9m x 4m).

Behoudens de bebouwing worden ook verhardingen voorzien.

In de voortuin en de rechter zijtuinstrook wordt een inrit aangelegd die toegang biedt tot de dubbele carport.  Aansluitend wordt een toegangspad naar de achterzijde van de woning aangelegd.  Deze verhardingen hebben een totale oppervlakte van 118,43m².

In de voortuin wordt nog een toegangspad aangelegd naar de voordeur van de woning.  Dit pad met een oppervlakte van 10,8m² wordt uitgevoerd in kiezelverharding.

Aan de linker- en deels aan de achterzijde van de woning, aansluitend op het zwembad wordt een niet-overdekt terras aangelegd.  Deze verharding, uitgevoerd in waterdoorlatend materiaal heeft een oppervlakte van 45,45m².

Tot slot omvat de aanvraag het rooien van 4 bomen, nl. zomereiken.

De stamomtrek van de te rooien bomen varieert tussen 1,13m en 2,01m.

De zomereik met een stamomtrek van 1,13m situeert zich ter hoogte van de bouwzone.

De zomereiken met een stamomtrek van 1,24m en 1,78m bevinden zich net langs de op te richten gevels (respectievelijk achter- en voorgevel) waardoor het behoud van deze bomen niet realistisch is.

De laatste boom (omtrek 2,01m) bevindt zich ter hoogte van de inrit.

Hieromtrent wordt het advies van de dienst Facilitair Management, omtrent een heraanplant, zoals aangehaald en besproken onder de titel ‘bespreking adviezen’, gevolgd en uitgebreid.

De nieuw aan te planten bomen dienen ingeplant te worden op minimum 2m van de perceelgrenzen (= conform burgerlijk wetboek).

De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.

Indien de bomen afsterven, dient de heraanplanting herhaald te worden.  Dit wordt herhaald tot de bomen aanslaan.

Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst vergunningen en handhaving, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.

Bodemreliëf

Het bestaande terreinniveau is gelegen op 0,31m onder de as van de weg ter hoogte van de rooilijn / voorste perceelgrens en loopt af naar de achterzijde van het perceel.  Uit het terreinprofiel blijkt dat het bestaande maaiveld gelegen is op maximum 2,43m onder de as van de weg.

Uit de dwarssnede blijkt dat het bestaande maaiveld 0,72m lager is gelegen dan het rechter aanpalende perceel.

Uit de ingediende terreinprofielen blijkt dat het bestaande terreinniveau ter hoogte van de woning wordt opgehoogd tot 0,09m boven de as van de weg en aansluit op het niveau van de rechter buur.

Vanaf ca. 3m achter de achtergevel van de woning (= ca. 30m achter de rooilijn / voorste perceelgrens) zal het nieuwe maaiveld afgevlakt worden zodat het terug aansluit bij het bestaande terreinniveau.

De aanvraag voldoet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving.

BESPREKING ADVIEZEN

Op 22 februari 2022 verleende Fluvius een voorwaardelijk gunstig advies, zoals hoger aangehaald.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich aan bij dit advies.

De voorwaarden en opmerkingen gesteld in het advies zoals hoger aangehaald, dienen gevolgd te worden.

Op 24 februari 2022 verleende de dienst Facilitair Management een voorwaardelijk gunstig advies, nl.:

“Gunstig voor de werken zoals voorgesteld mits er voldaan wordt aan volgende voorwaarden:

  • aanplanten van minstens 2 streekeigen hoogstammige bomen in een maat niet kleiner dan 18/20 ter compensatie van de gerooide eiken.  Deze aangeplante bomen dienen ook minstens van 2de grootte te zijn.

Bomen van 2de grootte zijn bomen die op volwassen leeftijd een hoogte tussen de 6 en 12 meter bereiken.”

De gemeentelijke omgevingsambtenaren sluiten zich gedeeltelijk aan bij dit advies.

De gemeentelijke omgevingsambtenaren wensen bijkomende voorwaarden op te leggen omtrent het rooien van de 4 zomereiken.

Er dienen 4 nieuwe streekeigen bomen aangeplant te worden aangeplant om de 4 te kappen bomen te compenseren.  Het perceel is hiervoor voldoende ruim.  De bomen dienen allen te voldoen aan de voorwaarden gesteld door de dienst Facilitair Management.

De nieuw aan te planten bomen dienen ingeplant te worden op minimum 2m van de perceelgrenzen (= conform burgerlijk wetboek).

De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.

Indien de bomen afsterven, dient de heraanplanting herhaald te worden.  Dit wordt herhaald tot de bomen aanslaat.

Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst vergunningen en handhaving, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.

Op 5 april 2022 liet het Agentschap Natuur en Bos weten geen advies te verlenen voor de huidige aanvraag, nl.:

“De te kappen bomen maken geen deel uit van een bos. Binnen de gewestplanbestemming woonzone is er geen adviesvereiste vanwege onze administratie.”

Uit de bovenstaande motivering blijkt dat de schaal en het uiterlijk van de voorgenomen werken op voldoende wijze ruimtelijk inpassen in de onmiddellijke en ruime omgeving. De aanvraag is verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening mits voldaan wordt aan volgende voorwaarden:

  • Er dienen minimaal 4 nieuwe streekeigen hoogstammige bomen aangeplant te worden op minimum 2m van de perceelgrenzen.

De plantmaat van de bomen dient minimum 18/20 te zijn en dient minstens van de 2de grootte te zijn (= grootte van de boom als die volwassen is tussen 6m en 12m);

De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.

Indien de bomen afsterven, dient de heraanplanting herhaald te worden.   Dit wordt herhaald tot de bomen aanslaan.

Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst vergunningen en handhaving, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.

MILIEUTECHNISCH ADVIES

Indien een droogzuiging noodzakelijk is voor de realisatie van de werken, dient op voorhand een omgevingsvergunning/melding voor de droogzuiging aangevraagd te worden via www.omgevingsloket.be;

GECOÖRDINEERD EINDADVIES

Uit bovenstaande motiveringen blijkt dat de aanvraag in overeenstemming is met de wettelijke bepalingen inzake milieu en ruimtelijke ordening, en dat het voorgestelde ontwerp verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening en met zijn onmiddellijke omgeving. 

De aanvraag is vatbaar voor een omgevingsvergunning mits het opleggen van voorwaarden.

Bijgevolg adviseert de omgevingsambtenaar het dossier voorwaardelijk gunstig voor het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 4 bomen en het bouwen van een vrijstaande woning en een zwembad zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan de aanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden:

  1. Er dienen minimaal 4 nieuwe streekeigen hoogstammige bomen aangeplant te worden op minimum 2m van de perceelgrenzen.
    De plantmaat van de bomen dient minimum 18/20 te zijn en dient minstens van de 2de grootte te zijn (= grootte van de boom als die volwassen is tussen 6m en 12m);
    De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
    Indien de bomen afsterven, dient de heraanplanting herhaald te worden.  Dit wordt herhaald tot de bomen aanslaan.
    Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst vergunningen en handhaving, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
    Riolering:
  2. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  3. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  4. De aanvrager dient de nodige stappen te ondernemen voor het afsluiten van de nutsleidingen;
  5. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool. De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke;
  6. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  7. Terreinophogingen mogen maximaal uitgevoerd tot op 30 meter van de rooilijn/ voorste perceelgrens en tot op één meter van de zijdelingse perceelgrenzen. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinprofiel behouden te blijven of dient aangesloten te worden op het terreinprofiel van de buren. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  8. Indien het grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) meer dan 250m³ bedraagt, is de regelgeving omtrent grondverzet van toepassing.
  9. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  10. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  11. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  12. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  13. De groenelementen die niet weergegeven werden op de ingediende plannen dienen behouden te blijven;
  14. Enkel de op plan aangegeven bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
  15. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
  16. Indien haagbeplanting aangebracht wordt op minder dan 0,50 meter van de perceelgrenzen moet alvorens de aanplanting uitgevoerd wordt, de aangrenzende(n) hun schriftelijk akkoord geven voor deze aanplanting;
    Andere voorwaarden:
  17. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  18. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
  19. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  20. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  21. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  22. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen volgt integraal het advies van de gemeentelijk omgevingsambtenaar omtrent het sluiten van het openbaar onderzoek en tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

Artikel 2

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het afleveren van een omgevingsvergunning met voorwaarden aan de aanvrager.

De omgevingsvergunning omvat het slopen van de bestaande bebouwing, het rooien van 4 bomen en het bouwen van een vrijstaande woning en een zwembad zoals voorgesteld op de voorgebrachte plannen die als bijlage aan deze omgevingsaanvraag zijn verbonden en voor zover rekening gehouden wordt met de gestelde voorwaarden.

Artikel 3

De omgevingsvergunning wordt aldus afgegeven onder volgende voorwaarden:

  1. Er dienen minimaal 4 nieuwe streekeigen hoogstammige bomen aangeplant te worden op minimum 2m van de perceelgrenzen.
    De plantmaat van de bomen dient minimum 18/20 te zijn en dient minstens van de 2de grootte te zijn (= grootte van de boom als die volwassen is tussen 6m en 12m);
    De nieuwe aanplanting dient uitgevoerd te worden het 1ste plantseizoen volgend op de kapping.
    Indien de bomen afsterven, dient de heraanplanting herhaald te worden.   Dit wordt herhaald tot de bomen aanslaan.
    Bewijs van de nieuwe aanplanting (foto’s, aankoopbewijs,…) dient overgemaakt te worden aan de dienst vergunningen en handhaving, uiterlijk 1 maand na de nieuwe aanplant.
    Riolering:
  2. Er dient voldaan te worden aan de voorwaarden en aanbevelingen opgelegd in het advies van Fluvius, zoals gevoegd in bijlage;
  3. De initiatiefnemer handelt volgens en voldoet aan de reglementering van de nutsmaatschappijen en draagt alle kosten die noodzakelijk zijn voor aansluiting op de nutsleidingen;
  4. De aanvrager dient de nodige stappen te ondernemen voor het afsluiten van de nutsleidingen;
  5. Bij het gebruik van een droogzuiging voor het realiseren van de werken, dient voldaan te worden aan de Vlarem meldingsplicht via de gemeentelijke dienst Milieu & Duurzaamheid.  Niet verontreinigd bemalingswater moet bij voorkeur opnieuw in de bodem gebracht worden. Wanneer dit redelijkerwijze niet mogelijk is, moet geloosd worden in een oppervlaktewater, een kunstmatige afvoerweg voor hemelwater of een leiding voor het hemelwater. Indien de droogzuiging aangesloten moet worden op de openbare riolering dient hiervoor een toelating bekomen te worden. Indien een gescheiden rioleringsstelsel aanwezig is in de straat kan, indien niet anders mogelijk, de tijdelijke aansluiting enkel op het RWA-riool. De droogzuiging dient daarenboven beperkt te worden in tijd tot het hoogstnoodzakelijke;
  6. Aanpassingen aan inrichtingen, constructies of beplantingen op het openbaar domein naar aanleiding van deze of toekomstige aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn steeds ten laste van de aanvrager. Alle kosten naar aanleiding van een heraanplanting en/ of herstelwerken op/ aan het openbaar domein, uitgevoerd naar aanleiding van een omgevingsaanvraag van een particulier, blijven ten laste van de aanvrager.
    Terrein en gelijkgrondse berm:
  7. Terreinophogingen mogen maximaal uitgevoerd tot op 30 meter van de rooilijn/ voorste perceelgrens en tot op één meter van de zijdelingse perceelgrenzen. Voorbij deze afstanden dient het bestaande terreinprofiel behouden te blijven of dient aangesloten te worden op het terreinprofiel van de buren. Alle overtollige grond die vrijkomt bij het graven van de funderingen, dient verwijderd te worden via een erkende grondwerker of naar een erkende grondreinigingsplaats;
  8. Indien het grondverzet  (met aanvoer/ afvoer) meer dan 250m³ bedraagt, is de regelgeving omtrent grondverzet van toepassing.
  9. Indien vastgesteld wordt bij het grondverzet dat de bodem van het perceel zou verontreinigd zijn, dient voldaan te worden aan het Vlaams Reglement betreffende de bodemsanering (VLAREBO, Vl. Reg. 13 oktober 2001 en zijn latere wijzigingen);
  10. Uitgezonderd de inrit met een breedte van 3 meter, dient het perceel ter hoogte van de rooilijn/ voorste perceelgrens, ontoegankelijk te worden gemaakt voor voertuigen. Het hemelwater van de inrit dient opgevangen te worden op eigen terrein en mag niet afgevoerd worden naar de openbare weg. Naast de inrit dient een ruimte beschikbaar te zijn voor een mogelijk groenzone en infiltratie van het afvloeiend hemelwater;
  11. De verharding van de inrit moet, in de gelijkgrondse berm, uitgevoerd worden in een vast, kleinschalig materiaal, waterdoorlatend aangelegd (geen gebroken steenslag). De gelijkgrondse berm moet als groenzone behouden te blijven behoudens de toegestane inrit. Het verhogen van de gelijkgrondse berm is altijd verboden;
  12. De hoogstammige bomen die niet aangegeven zijn op het inplantingplan als te rooien, dienen behouden te blijven. De werkelijke inplanting van de te behouden bomen dient bij uitpaling van de woning gecontroleerd te worden. Bij niet correct aangeduide inplanting van de bomen, en hinder om het perceel te betreden, dient een nieuwe omgevingsvergunning aangevraagd te worden rekening houdend met de juiste inplanting en het maximale behoud van de groenelementen;
  13. De groenelementen die niet weergegeven werden op de ingediende plannen dienen behouden te blijven;
  14. Enkel de op plan aangegeven bomen mogen gerooid worden. Het rooien van de bomen mag niet gebeuren tijdens het broedseizoen van 15 maart tot 30 juni;
  15. Voor de aanplant van bomen, hagen… nabij perceelscheidingen, dient rekening gehouden te worden met de bepalingen van het Veldwetboek;
  16. Indien haagbeplanting aangebracht wordt op minder dan 0,50 meter van de perceelgrenzen moet alvorens de aanplanting uitgevoerd wordt, de aangrenzende(n) hun schriftelijk akkoord geven voor deze aanplanting;
    Andere voorwaarden:
  17. Bij de uitvoering van de bouwwerken moet rekening gehouden worden met het energiedecreet van 8 mei 2009 en het energiebesluit van 19 november 2010 en hun latere wijzigingen;
  18. In de voortuinstrook mogen geen gesloten afsluitingen geplaatst worden hoger dan 1m;
  19. De bouwheer dient, conform artikel 8 van het decreet op het archeologisch patrimonium de dato 30 juni 1993 en zijn latere wijzigingen, elk roerend of onroerend goed dat hij vindt of vermoedt gevonden te hebben, te melden binnen de 3 dagen aan het Onroerend Erfgoed Limburg, Hendrik Van Veldekegebouw, Koningin Astridlaan 50 bus 1 te 3500 Hasselt (www.onroerenderfgoed.be/een-vondst-melden);
  20. De afbraak van de constructies dient te gebeuren tot in de grond en de plaats moet hersteld worden in de vorige toestand. Aan de afbraak is geen milieuvergunningsplicht verbonden, wel dient rekening gehouden te worden met de wettelijke verplichtingen opgenomen in het milieuvergunningsdecreet, het bodemsaneringsdecreet en het materialendecreet. Vooraleer te starten met de afbraakwerken dienen de constructies volledig ontruimd te worden. De afvalstoffen die vrijkomen bij de afbraakwerken dienen selectief ingezameld te worden. Alle bouw-, sloop- en infrastructuurwerken in open lucht dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II, hoofdstuk 6.12 Beheersing van stofemissies tijdens bouw-, sloop- en infrastructuurwerken”, indien deze uitgevoerd worden door een aannemer.
    Het verwijderen van asbest dient te gebeuren conform de bepalingen van Vlarem II Beheersing van asbest, hoofdstuk 6.4.;
  21. Indien vastgesteld wordt dat er straatmeubilair en/of laanbeplanting aanwezig is die dienen verplaatst en/of verwijderd te worden voor de uitvoering van deze vergunning, of bij de ingebruikname van het project, en er voor aanvang van de werken geen toelating bekomen wordt tot het verplaatsen van het straatmeubilair, moet er een gewijzigde vergunning aangevraagd worden die rekening houdt met het straatmeubilair en/of de laanbeplanting;
  22. De aanvrager is ertoe verplicht het college van burgemeester en schepenen op de hoogte te brengen van het begin van de stedenbouwkundige handelingen en/of exploitatie(s);

Deze vergunning stelt de aanvrager niet vrij van het aanvragen en verkrijgen van eventuele andere vergunningen of machtigingen.