Terug
Gepubliceerd op 08/11/2023

2023_CBS_01071 - OMV - Ongunstig advies tegen het beroep ingediend tegen omgevingsvergunning 2023/00057 - Viartenstraat 26 - Goedkeuring

College van burgemeester en schepenen
di 17/10/2023 - 13:30 schepenzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Johny De Raeve, burgemeester; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Bart Telen, Algemeen directeur

Verontschuldigd

Bram De Raeve, 1ste schepen

Secretaris

Bart Telen, Algemeen directeur
2023_CBS_01071 - OMV - Ongunstig advies tegen het beroep ingediend tegen omgevingsvergunning 2023/00057 - Viartenstraat 26 - Goedkeuring 2023_CBS_01071 - OMV - Ongunstig advies tegen het beroep ingediend tegen omgevingsvergunning 2023/00057 - Viartenstraat 26 - Goedkeuring

Motivering

Feiten context en argumentatie

Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het schrijven van de provincie Limburg van 14 september 2023, nl.:

“Hierbij deel ik u mee dat het beroep van advocaat Andy Beelen namens mevrouw Hilde Vanheukelom, ingesteld tegen de beslissing d.d. 18 juli 2023 van het schepencollege van Zonhoven waarbij een omgevingsvergunning gedeeltelijk werd verleend voor het regulariseren en uitbreiden van de woning, de verbouwing van het bijgebouw en de aanleg van het terrein met verhardingen op het terrein Viartenstraat 26 als administratief volledig en ontvankelijk wordt beschouwd. Het onderzoek van het beroep wordt heden gestart.

Dit beroep werd ingediend en opgeladen via het omgevingsloket.

Het college van burgemeester en schepenen wordt verzocht om advies uit te brengen over het ingediende beroep binnen een termijn van 50 dagen.”

Volgende argumentatie werd gevoegd bij het beroepsdossier:

“III. GRIEVEN

III.1. Duiding van de specifieke draagwijde van de aanvraag inzake bijgebouwen en bijhorende verharding.

Beroepster stelt vast dat het CBS van de gemeente Zonhoven verschillende beschrijvingen geeft aan haar aanvraag voor zover betrekking hebbend op bijgebouwen en verharding. Dit werkt verwarrend. Bovendien vergeet het CBS ook te vermelden dat het inzake de bijgebouwen niet alleen gaat om een aanvraag tot verbouwing maar om een aanvraag tot afbraak (nl. bestaande carport). Die afbraak brengt zij niet in rekening.

In concreto behelst de aanvraag van beroepster inzake de bijgebouwen en de bijhorende verharding het volgende:

*bijgebouwen

-het sedert 1977-78 bestaande bijgebouw (schuur) gelegen rechts achteraan op het perceel blijft naar inplanting en oppervlakte (140m² c.q. b: 10m x l: 14m) ongewijzigd. De oude gevelafwerking wordt vervangen door grijze volkernplaten. Het bestaande hellende dak in metaalprofielen (h-max: 3,43m) wordt vervangen door een plat dak (h: 3,25m). Het bijgebouw gaat fungeren als carport met lounge en ruimte voor tuinberging en opslag.

-de bestaande carport (l: 8,30m x b: 3,80m x h: 2m), gelegen rechts schuins achter de woning, wordt afgebroken

*verharding

De bestaande inrit in waterdoorlatende klinkers tot de bestaande (af te breken) carport wordt behouden en doorgetrokken tot aan het bijgebouw dat thans gaat fungeren als nieuwe carport.

III.2. Het bijgebouw geniet een vermoeden van vergunning => geen toetsing van afmetingen en inplanting aan de verkavelingsvoorschriften en, zo deze toetsing wel zou dienen te gebeuren. is deze toetsing i.c. geenszins negatief.

Het CBS treedt in de bestreden beslissing het standpunt van de gemeentelijke omgevingsambtenaar d.d. 06.07.2023 bij waar deze concludeert dat de historische luchtfoto's van het perceel (NGI) anno 1977 en 1983 zoals gevoegd bij de aanvraag niet staven dat het bijgebouw van een vermoeden van vergunning geniet, wel integendeel, aldus de gemeentelijke omgevingsambtenaar.

Te dien einde voert de gemeentelijke omgevingsambtenaar aan dat de historische luchtfoto van 1977 een constructie afbeeldt links achteraan op de kavel en dat de luchtfoto van 1983 een grotere constructie rechts achteraan op de kavel (cf. "Op de luchtfoto van 1977 is een constructie zichtbaar, links achteraan op de kavel, nagenoeg tot tegen de linker perceelgrens en langsheen het bijgebouw van de aanpalende buur links. Op de luchtfoto van 1983 is een veel grotere constructie zichtbaar, rechts achteraan op het terrein.")

Dit is niet juist. De gemeentelijke omgevingsambtenaar vergist zich in haar advies van 06.07.2023.

*detail luchtfoto 1977 (zie beroepschrift)

*detail luchtfoto 1983 (zie beroepschrift)

Anders dan de gemeentelijke omgevingsambtenaar beweert, beeldt de luchtfoto van 1977 links achteraan op de kavel geen bestaande "constructie” af, maar bouwmaterialen. Die bouwmaterialen liggen alsdan klaar om rechts achteraan het bijgebouw op te richten.

Dit laatste was voordien trouwens al maanden voordien door de aanvrager zelve gemeld aan de omgevingsambtenaar. Het is vreemd dat de gemeentelijke omgevingsambtenaar in het advies d.d.06.07.2023 opgenomen in de bestreden beslissing zelfs geen melding maakt van de e-mail d.d. 07.1 1.2022 waarmee haar de historische luchtfoto's van het NGI werden overgemaakt. In de betrokken e-mail d.d. 07.11.2022 werd reeds volgende duiding bij deze luchtfoto's gegeven:

"Geachte Mevrouw Gypen,

lk verwijs naar de aangename bespreking van 05.09.2022 waarbij wij noteerden dat er verdere duiding gevraagd werd bij het onderdeel bijgebouw van de principe-aanvraag.

Wii mochten intussen de info van het NGI omtrent het bijgebouw ontvangen (zie bijlagen). Op de historische foto van 1977 is zichtbaar dot het bijgebouw in verbouwing was (bouwmaterialen zichtbaar op foto) en de foto van 1983 beeldt het bijgebouw af na voltooiing van de werken.

Het lijkt mij dan ook dat i.c. voor het bijgebouw voldaan is aan het enig bewijsmiddel i.f.v. het vermoeden van vergunning ex. 4.2.14 VCRO.

Er is nooit een PV / niet-anoniem bezwaarschrift opgesteld, laat staan binnen een termijn van 5 jaar na de plaatsing."

Bij vergelijking van de historische luchtfoto's ziet men ook dat de bleke kleur (van de bouwmaterialen) zichtbaar op de luchtfoto van 1977 los van - 6 jaar verwering door zonlicht, wind en neerslag - wederkeert als de kleur van het dak van de afgewerkte constructie, zichtbaar op de foto van 1983.

In de rechtspraak van de RvVb over het vermoeden van vergunning komt naar voren dat het aan het bestuur is om de bewijsstukken te appreciëren waarbij de kennelijke onredelijkheid de grens vormt (arrest l5 januari 2019 met nummer RvVb-A-l819-0493, www.dbrc.be):

Artikel 4.2.14, $2 VCRO luidt: "... $ 2. Bestaande constructies waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel wordt aangetoond dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarbinnen zij gelegen zijn, worden voor de toepassing van deze codex geacht te zijn vergund, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. Het tegenbewijs, vermeld in het eerste lid, kon niet meer worden geleverd eens de constructie één jaar als vergund geacht opgenomen is in het vergunningenregister. 1 september 2009 geldt als eerste mogelijke startdatum voor deze termijn van één jaar. Deze regeling geldt niet indien de constructie gelegen is in een ruimtelijk kwetsbaar gebied. ..." Uit artikel 4.2.14, S2 VCRO volgt dat er een weerlegbaar vermoeden van vergunning gevestigd wordt na het bewijs dat de constructie in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan waarin ze gelegen is, gebouwd werd.

De appreciatie van de bewijsstukken behoort tot de door de rechter te eerbiedigen beoordelingsbevoegdheid van het bestuur. De Raad mag zijn appreciatie van de stukken niet in de plaats stellen, tenzij de waardering van het bewijs kennelijk onredelijk zou zijn.

En nog (arrest van 1 0 maart 2020 met nummer RvVb-A-1920-065 1, www.dbrc.be)

In de memorie van toelichting wordt toegelicht wat onder "enig rechtens toegelaten bewijsmiddel" wordt verstaan (Parl.St, W.Parl. 2008-09, 201 l/1, 89): "Telkens wanneer het vergunningenluik van het DRO verwijst naar "rechtens toegelaten bewijsmiddelen" (bvb. bij het weerlegbaar vermoeden van vergunning, zie nieuw artikel 106, $2, DRO), worden daarmee de bewijsmiddelen uit het Burgerlijk Wetboek bedoeld: de authentieke akte, de onderhandse akte en bepaalde geschriften met gelijkaardige bewijswaarde, andere geschriften ("begin van schríftelijk bewijs"), de gerechtelijke bekentenis, de eed (in 2 vormen), de getuigenverklaring, het gerechtelijk deskundigenbericht, de mondelinge buitengerechtelijke bekentenis, c.q. de aanwijzingen waaruit een vermoeden kan worden afgeleid. Het is aangewezen dat de Vlaamse Regering deze bewijsmiddelen en hun respectieve bewijswaarde in een indicatieve omzendbrief verduidelijkt. "

Algemeen wordt aangenomen dat naast voormelde bewijsmiddelen eveneens gebruik mag worden gemaakt van foto's, kadastrale stukken, en dergelijke meer die kunnen helpen om het vermoeden van vergunning te staven.

Het behoort niet tot de bevoegdheid van de Raad om vast te stellen of het pand waarvan de opname in het vergunningsregister gevraagd wordt, al dan niet gedekt wordt door het vermoeden van vergunning. De Raad kan, bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel nagaan of de verwerende partij de haar ter zake toegekende bevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of ze is uitgegaan van de juiste voorgelegde feitelijke gegevens en of de waardering van het bewijs niet kennelijk onredelijk zou zijn.

Een kennelijk onredelijke beslissing zal slechts voorliggen wanneer de Raad vaststelt dat de beslissing van verwerende partij dermate afwijkt van het normaal te verwachten beslissingspatroon dat het ondenkbaar is dat een ander zorgvuldig handelend bestuur, in dezelfde omstandigheden, tot dezelfde besluitvorming zou komen.

Er is inzake geen enkele kennelijke onredelijkheid aanwezig bij het weerhouden door Uw deputatie van een vermoeden van vergunning voor het bestaande bijgebouw.

Het perceel voorwerp van de aanvraag is immers gelegen binnen het gewestplan Hasselt-Genk. Dit gewestplan werd goedgekeurd bij KB van 03.04.1979 en trad in werking op 07.06.1979.

Rekening houdende met het feit dat (a) de luchtfoto van 1983 rechts achteraan op het perceel het bijgebouw als afgewerkte constructie afbeeldt, dat (b) blijkens de luchtfoto van 1977 de bouwmaterialen voor deze constructie reeds 6 jaar voor 1983 aanwezig waren en klaar lagen achteraan op het terrein, dat (c) de (bleke) materiaalkleuren op beide foto's rekening houdend met zonlicht/ wind/ regen corresponderen, dat (d) het i.c. om een eenvoudige rechthoekige constructie gaat (bergplaats van l0m x 14m, wanden zijn gewoon grote houten platen - zie ook de foto's in het aanvraagdossier) die m.a.w. zéér snel opgericht was, is een concluderende beslissing van Uw Deputatie die stelt dat aldus voldoende naar recht is aangetoond dat deze constructie per 07.06.1979 opgericht was en i.c. een vermoeden van vergunning geniet, wel degelijk voorzien van de nodige grondslag. Alleszins is dergelijke concluderende beslissing inpasbaar in de beoordelingsbevoegdheid die Uw Deputatie toekomt en geenszins kennelijk onredelijk in de zin van de rechtspraak van de RvVb (noot; zie ook verder: er is ook nooit enig protest of klacht geweest van omwonenden tegen het intussen meer dan veertig jaren lange bestaan, de omvang en de inplanting van deze constructie en ook tijdens het openbaar onderzoek over de aanvraag werd wederom geen enkel bezwaar ingediend).

Doordat het bijgebouw ad 140m² van een vermoeden van vergunning geniet, dient de aanvraag voor wat (de verbouwing van) dit bijgebouw betreft niet zoals het CBS aanneemt eerst als een regularisatie te worden beschouwd en is een toetsing van haar afmetingen en haar inplanting aan de verkavelingsvoorschriften hierbij niet aan de orde.

Zie en vgl. DeputatieLimburg,03.02.2022,Kenmerk: 139.01.004/2021N087232-vergunning voor het verbouwen van een zonevreemde woning binnen een bestaand vergund geacht bouwvolume, gelegen te Gingelom, dossier S. Booten):

"...dat uit onderzoek van het aanvraagdossier en bijkomende gegevens blijkt dat bouwvolume dateert van voor de inwerkingtreding van het gewestplan en dat in 1991, 1998 en 2000 vergunningen werden verleend voor het verbouwen van het volledige bouwvolume als woning en woningbijgebouwen; dat het bouwvolume en de woonfunctie vergund zijn;"

Ondergeschikt,

Niettegenstaande de aanvraag dus als vergund geacht moet worden beschouwd (wat dezelfde rechten schept als een schriftelijke vergunning) en aldus inzake afmetingen, inplanting, etc. in casu niet aan de verkavelingsvoorschriften dient te worden getoetst, is het bovendien zo dat garages-bergplaatsen conform art. II.3 van de algemene verkavelingsvoorschriften vergunbaar zijn in de zone voor tuinen. Daarbij zijn er in dit artikel II.3 van de algemene geen maximale afmetingen bepaald.

Aldus moet o.a. gekeken worden naar wat het CBS van de gemeente Zonhoven in het verleden passend heeft geacht. Hiervoor werd navraag gedaan bij de gemeente zelve die dan o.m. gemeld heeft dat zij vlakbij op Viartenstraat 32 een regularisatie-vergunning heeft afgeleverd voor een garage bijgebouw-tuinberging met overdekt terras en alles tezamen een oppervlakte van 131,64m². Dit is zeer vergelijkbaar aan de constructie voorwerp van deze aanvraag.

Het is andermaal vreemd dat de gemeentelijke omgevingsambtenaar hiervan geen melding maakt in de bestreden beslissing (zie andermaal e-mail d.d. 07.11.2022 + e-mail van de dienst RO van de gemeente Zonhoven d.d. 06.09.2022):

*E-mail d.d. 07.11.2022 aan mevrouw Gypen:

"Geachte Mevrouw Gypen,

Op basis van de info verkregen van de gemeente blijken er in de nabije omgeving trouwens diverse vrij omvangrijke bijgebouwen aanwezig te zijn. Zo is er een bijgebouw van 131,64m² vergund door de gemeente op Viartenstraat 32. "

*E-mail d.d. 06.09.2022 van de dienst RO van de gemeente Zonhoven:

"Geachte, 

Hierbij bezorg ik u de gevraagde gegevens betreffende eventuele vergunningen voor bij gebouwen op aangeduide constructies :

Nr. 2: vergunning voor het regulariseren van een garage/bijgebouw, verbouwen van de garage en het bijbouwen van een overdekt terras-tuinberging van 131,64m2.

Met vriendelijke groeten,

Dienst RO."

Zoals het bijgevoegd plan aangeeft, betreft 'Nr. 2" het perceel aan de Viartenstraat 32, eveneens een lot binnen dezelfde verkaveling.

Dit leidt tot de conclusie dat - anders dan in de bestreden beslissing is te lezen - het bijgebouw ad 140m² zo nodig ook wel degelijk regulariseerbaar is als een beperkte afwijking ex art. 4.4.1 VCRO (onverminderd het feit dat het die regularisatie niet behoeft omdat het een vermoeden van vergunning geniet).

Feit is trouwens dat de aanvraag ook nog voorziet dat de max. hoogte van het bijgebouw verlaagt van 3,43m naar 3,25m en dat de aanvraag mede de afbraak van de bestaande carport (1: 8,30m x b: 3,80m x h: 2m) behelst.

De totale oppervlakte en het totale volume bijgebouw op de percelen neemt met deze aanvraag dus niet toe, maar integendeel af.

Tenslotte verdient het evenzeer de nodige aandacht dat het kwestieuze bijgebouw aan de Viartenstraat 26 alleszins al meer dan 40 jaar ter plaatse aanwezig is (noot: zelfs indien slechts zou kunnen worden gerekend vanaf 1983 - zoals de omgevingsambtenaar voorhoudt - en niet van 1979, dan staat het er op heden al 40 jaar...) en de ordening mede bepaalt.

Gedurende al die jaren is er nooit enige klacht (visuele hinder/ geluidshinder/...) geweest vanwege omwonenden over het bestaan, de omvang (breedte, lengte, hoogte) en de inplanting van dit bijgebouw op het perceel,

Zoals de bestreden beslissing vermeldt, werd ook tijdens het openbaar onderzoek dat n.a.v. deze aanvraag plaatsvond, andermaal geen enkel bezwaar ingediend.

Zie bestreden beslissing :

"Resultaten van het openbaar onderzoek. Er werden geen bezwaren ingediend."

Dus zelfs als men geen vermoeden van vergunning zou weerhouden voor de bestaande constructie, dan is de aangevraagde verbouwing van het bijgebouw (gekoppeld aan de afbraak van de carport) nog verenigbaar met de verkavelingsvoorschriften en de goede ruimtelijke ordening.

III.3. Nopens de inrit tot de carport in het bijgebouw

De Dienst Patrimonium van de gemeente Zonhoven heeft op 10.05.2023 een voorwaardelijk gunstig advies afgeleverd over de inrit stellende “de inrit dient aangelegd te worden in waterdoorlaten of water-passerende materialen".

Beroepster heeft geen probleem met die voorwaarde van de Dienst Patrimonium.

De bestreden beslissing geeft verder aan dat de gemeentelijke omgevingsambtenaar zich enerzijds heeft aangesloten bij dit advies van de Dienst Patrimonium (cf. "de gemeentelijke omgevingsambtenaar sluit zich aan bij dit advies, de voorwaarden en bemerkingen gesteld in het advies, moeten gevolgd worden") maar anderzijds de inrit overbodig acht omdat het bijgebouw volgens haar niet-regulariseerbaar is.

Hoger is aangetoond dat het bijgebouw een vermoeden van vergunning geniet, minstens wel degelijk regulariseerbaar is.

Waar de bestaande carport (l: 8,30m x b: 3,80m x h: 2m) op basis van de aanvraag afgebroken wordt, moet de aanvrager uiteraard wel met het voertuig de nieuwe carport (die ondergebracht wordt in het bestaande bijgebouw) kunnen bereiken. Het is dus niet overbodig maar noodzakelijk dat de verharding tot aan het bijgebouw reikt.

Artikel 4 van de bijzondere voorschriften van de verkaveling bepaalt trouwens ook dat de aanleg van een inrit om de garage te bereiken toegelaten is, de inrit mag enkel niet aangelegd worden onder het peil van de stoep (voetpad). Dit artikel 4 wordt niet vermeld in het advies van de gemeentelijke omgevingsambtenaar.

Beroepster wil, uiterst ondergeschikt, nog aanbieden om - zo Uw Deputatie die noodzakelijk zou achten - een gedeelte van de inrit (= zone vanaf de straat tot aan het bijgebouw) aan te leggen als 'karrespoor" om zodoende de omvang van de verharding verder te beperken.

De beroepster vraagt om deze redenen dan ook om het administratief beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de beslissing van het CBS van de gemeente Zonhoven d.d. 18.07.2023 (OMV 2023044611) voor zover strekkende tot weigering van de aanvraag voor het bijgebouw en de verharding bij het bijgebouw teniet te doen, minstens op te heffen en deze aanvraag te vergunnen, alleszins uiterst ondergeschikt onder voorwaarden (cf. supra: deel inrit in de vorm van karrespoor).”

Advies dienst:
De gemeentelijk omgevingsambtenaar (GOA) blijft bij het voorgaand standpunt en wenst hiervoor te verwijzen naar het verslag GOA d.d. 6 juli 2023 

De GOA wenst als volgt te reageren op de beroepsargumenten:

Het argument m.b.t. tot de afbraak van de carport:

Het klopt dat in de bestreden beslissing van het CBS d.d. 18 juli 2023 de afbraak van de carport niet expliciet werd overgenomen in de beschrijving van de aanvraag dewelke als volgt luidt: “De aanvraag gaat over het regulariseren en uitbreiden van de woning, de verbouwing van het bijgebouw en de aanleg van het terrein met verhardingen”.

Ook werd de afbraak van de carport niet expliciet overgenomen in het besluit van 18/07/2023 dat als volgt luidt: 

“Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het gedeeltelijk voorwaardelijk afleveren van de omgevingsvergunning aan mevrouw Hilde Vanheukelom wonende te Viartenstraat 26 te 3520 Zonhoven voor het regulariseren en uitbreiden van de woning, de verbouwing van het bijgebouw en de aanleg van het terrein met verhardingen, gelegen te Viartenstraat 26 kadastraal gekend als afdeling 2 sectie D nrs. 14P en 101P.

Het college van burgemeester en schepenen beslist tot het voorwaardelijk afleveren van de omgevingsvergunning aan mevrouw Hilde Vanheukelom wonende te Viartenstraat 26 te 3520 Zonhoven voor het regulariseren en uitbreiden van de woning.

Het college van burgemeester en schepenen weigert de omgevingsaanvraag voor het bijgebouw en de (nieuw aan te leggen) verharding voor het bijgebouw, gelegen te Viartenstraat 26 kadastraal gekend als afdeling 2 sectie D nrs. 14P en 101P.”

Evenwel werd wel vermeld in het onderdeel “beschrijving omgeving en aanvraag” dat:  

•    “De inplanting van de woning stemt niet geheel overeen met de vergunning anno 1994, aan de achterzijde werd de woning uitgebreid zonder vergunning en in de achtertuin bevinden zich een carport en een schuur/bijgebouw van 140m² waarvoor geen vergunning gekend is.

•    de bestaande carport wordt afgebroken (zie laatste zin in dit onderdeel).”

Los van het al dan niet expliciet vermelden van de afbraak van de carport in de omschrijving van de aanvraag en in de besluitvorming dient te worden opgemerkt dat de afbraak van de carport niet had moeten worden opgenomen in de aanvraag tot omgevingsvergunning, aangezien de constructie valt onder de bepalingen van artikel 13.2 van het Vrijstellingsbesluit. Bijkomend mogen vrijstaande “niet-vergunde” constructies ten alle tijden afgebroken worden zonder hiervoor een omgevingsvergunning te hebben bekomen. 

Tenslotte dient opgemerkt te worden dat er geen rekening kan worden gehouden met het volume, de oppervlakte en de eventuele bijhorende verharding van een onvergunde constructie (de carport is niet waarneembaar op de luchtfoto van 1977 en 1983, alsook is er geen vergunning voor bekend) bij de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening. Het al dan niet expliciet vermelden van de afbraak van de carport heeft aldus geen impact op de genomen beslissing.

Het argument dat het bijgebouw geniet van een vermoeden van vergunning 

In het beroep wordt gesteld dat het bijgebouw geniet van het vermoeden van vergunning en men baseert zich ook nu op de reeds aangeleverde bewijsstukken, met name 2 luchtfoto's van het Nationaal Geografisch lnstituut. Echter de twee luchtfoto’s van 1977 en 1983 staven deze veronderstelling niet, integendeel.

Op de luchtfoto van 1977 is een constructie zichtbaar, links achteraan op de kavel, nagenoeg tot tegen de linker perceelgrens en langsheen het bijgebouw van de aanpalende buur links. Dus alleszins niet op de plaats waar het huidig bijgebouw zich nu bevindt. Het is onmogelijk vast te stellen op basis van deze luchtfoto dat het hier mogelijks gaat over louter bouwmaterialen. Alleszins laat de vormgeving iets anders vermoeden en toont deze luchtfoto niet aan dat het huidige bijgebouw er staat van voor de goedkeuring van het gewestplan Hasselt-Genk (dit gewestplan werd goedgekeurd bij KB van 03.04.1979 en trad in werking op 07.06.1979).

Op de luchtfoto van 1983, is een constructie zichtbaar, rechts achteraan het terrein. Maar dit bewijsmiddel toont niet aan dat het bijgebouw effectief werd gerealiseerd voor de goedkeuring van het gewestplan Hasselt-Genk d.d. 03.04.1979 en in werking getreden op 07.06.1979. Tussen de datum van de luchtfoto (09/08/1983) en de inwerkingtreding van het gewestplan (07/06/1979) ligt immers een periode van meer dan 4 jaar. 

Conclusie: Beide luchtfoto’s tonen niet aan dat het bijgebouw kan genieten van het vermoeden van vergunning. De aanvraag met betrekking tot het bijgebouw dient bijgevolg beschouwd te worden als het regulariseren en verbouwen van een niet vergund gebouw van 140m².

Het argument dat het bijgebouw voldoet aan de voorschriften van de verkaveling en de goede ruimtelijke ordening.

In het beroepsschrift wordt aangehaald dat mocht het bijgebouw niet kunnen genieten van het vermoeden van vergunning, dat garages-bergplaatsen conform art. II.3 van de algemene verkavelingsvoorschriften vergunbaar zijn in de zone voor tuinen en men verwijst hiervoor naar het vergunde bijgebouw van 131,64m² bij de woning Viartenstraat 32, dewelke gelegen is in dezelfde verkaveling.

Er dient te worden opgemerkt dat er voor het vergunnen van het bijgebouw bij woning nr. 32 er eerst een verkavelingswijziging heeft plaatsgevonden op 23/08/2010 voor o.a. het samenvoegen van de loten 3 en 4 en de oppervlakte van het bijgebouw: 131,64m² i.p.v.  afzonderlijke kleine en lage bergplaatsen, kiekenhokken, beschuttingen.

Er kan hier worden uit besloten dat een bijgebouw van 140m² niet conform art. II.3 van de algemene verkavelingsvoorschriften is en er aldus van afwijkt. 

De omvang van het bijgebouw kan ook niet aanzien worden als een beperkte afwijking. Ondanks het feit dat er geen oppervlakte werd gespecifieerd voor het bijgebouw in de verkavelingsvoorschriften, kan in alle redelijk gesteld worden dat een oppervlakte van 140m² niet onder de omschrijving "klein" valt. Getuige ook het feit dat de oorspronkelijk vergunde woning slechts een oppervlakte had van 88m². De aanvraag voldoet hier niet aan de afwijkingsbepalingen. Aangezien het bestaande bijgebouw in strijd is met de verkavelingsvoorschriften en niet voldoet aan de afwijkingsbepalingen van art.4.1.1. kan het bijgebouw noch geregulariseerd worden, noch verbouwd worden.

Tenslotte maar niet onbelangrijk is het feit dat het eigendom woning nr. 32 gelegen is in woongebied met landelijk karakter en dat voorliggende eigendom nagenoeg volledig gelegen is in bufferzone volgens de gewestplanbestemming. Gezien de onderliggende gewestplanbestemming bufferzone, waar een principieel bouwverbod geldt, kan evenmin gebruikt gemaakt worden van artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening

(zgn. Codextrein) om zich in regel te stellen.

Bijkomend dient de te regulariseren en te verbouwen constructie te worden afgetoetst aan de huidige regelgeving én vooropgestelde beleid. Er wordt algemeen gestreefd naar ontharden. Garages/carports in de achtertuin behoeven algemeen genomen een te ruime noodzakelijke toegang. Er wordt bijgevolg naar gestreefd om autostalplaatsen, al dan niet overdekt, zover mogelijk naar voren te brengen. Voorliggende aanvraag beantwoordt hier niet aan aangezien zo'n 152m² aan klinkerverharding enkel voor de oprit voorzien wordt. Aangezien het bijgebouw niet opgenomen wordt in de omgevingsvergunning, is de nieuw aan te leggen klinkerverharding met een oppervlakte van ca. 65m² overbodig en niet aanvaardbaar.

Bijkomend bedraagt het bijgebouw bij woning nr. 32 minder dan 10% van de kaveloppervlakte (131,64 m² op een eigendom met een oppervlakte van 1.427m², d.i. 9,22%), hetgeen vroeger als aanvaardbare richtnorm werd gebruikt bij het oprichten van bijgebouwen. Het bijgebouw op voorliggende eigendom voldoet niet aan deze richtnorm (140m² op een eigendom met een oppervlakte van 1.231m², d.i. 11,37%).

De aanvraag voldoet niet aan de criteria voor de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke en ruime omgeving voor wat betreft het bijgebouw en de nieuw aan te leggen klinkerverharding met een oppervlakte van ca. 65m² naar het bijgebouw/ de garage.

Besluit

Het college van burgemeester en schepenen beslist:

Artikel 1

Het college van burgemeester en schepenen beslist het ingediende beroep negatief te beoordelen en behoudt het standpunt van 18 juli 2023.