Terug
Gepubliceerd op 24/10/2023

2023_GR_00165 - Aanvaarding rooilijn - project Rosmolenweg - Weigering

Gemeenteraad
ma 23/10/2023 - 20:00 raadzaal
Goedgekeurd

Samenstelling

Aanwezig

Sofie Vanoppen, voorzitter ; Johny De Raeve, burgemeester; Bram De Raeve, 1ste schepen; Frederick Vandeput, 2de schepen; Johan Vanhoyland, 3de schepen; Frank Vandebeek, 4de schepen; Johan Schraepen, 5de schepen; Ria Hendrikx, voorzitter BCSD; Yannick Aerts; Pol Bos; Jean-Paul Briers; Nathalie Claes; Libera Crescente; Bart Heleven; Katrien Hoebers; Lennert Kippers; Kris Knuts; Johny Lenskens; Sven Lieten; Steven Reynders; Céderique Schellis; Karen Schillebeeks; Dominic Tholen; Lieve Vandeput; Martin Vandereyt; Bart Vanhorenbeek, raadsleden; Bart Telen, algemeen directeur

Verontschuldigd

Inge Becks

Secretaris

Bart Telen, algemeen directeur
2023_GR_00165 - Aanvaarding rooilijn - project Rosmolenweg - Weigering 2023_GR_00165 - Aanvaarding rooilijn - project Rosmolenweg - Weigering

Motivering

Verwijzingsdocumenten

Het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt in artikel 31 in het bijzonder de exclusieve bevoegdheid van de gemeenteraad om zich uit te spreken over de beoogde wijzigingen aan het lokaal wegennet die, overeenkomstig artikel 12, §2, van het Decreet Gemeentewegen, door het gevoegde rooilijnplan bij de omgevingsvergunningsaanvraag voorzien worden. 

Artikel 31, §1, van het Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt als volgt: 

“§ 1. Als de aanvraag de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van een gemeenteweg omvat, roept het college van burgemeester en schepenen, in voorkomend geval op verzoek van de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15, de gemeenteraad samen om te beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg. 

De gemeenteraad spreekt zich uit over de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg, en over de eventuele opname in het openbaar domein. Hierbij wordt rekening gehouden met de doelstellingen en principes, vermeld in artikel 3 en 4 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen, en in voorkomend geval met het gemeentelijk beleidskader en afwegingskader, vermeld in artikel 6 van het decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen. De gemeenteraad kan daarbij voorwaarden opleggen en lasten verbinden, die de bevoegde overheid in de eventuele vergunning opneemt. 

§ 2. Als het college van burgemeester en schepenen niet de bevoegde overheid is die in eerste aanleg over de aanvraag beslist, dan bezorgt de gemeente de beslissing van de gemeenteraad over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg binnen zestig dagen na het verzoek aan de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15.” 

De gemeenteraad is bij haar beoordeling op grond van artikel 31 van het Omgevingsvergunningsdecreet ertoe gehouden om de ingediende bezwaren met betrekking tot de “zaak van de wegen” te behandelen, en dit overeenkomstig artikel 47 van het Omgevingsvergunningsbesluit. 

Het omgevingsvergunningsbesluit bepaalt in artikel 47 het volgende: 

“Als de vergunningsaanvraag wegenwerken omvat waarvoor de gemeenteraad beslissingsbevoegdheid heeft, neemt de gemeenteraad daarover een besluit. De gemeenteraad neemt daarbij kennis van de standpunten, opmerkingen en bezwaren die zijn ingediend tijdens het openbaar onderzoek. Uiterlijk tien dagen na de gemeenteraadszitting stelt de gemeente de gemeenteraadsbeslissing ter beschikking hetzij van de bevoegde omgevingsvergunningscommissie als die advies moet verlenen, hetzij van het bevoegde bestuur als geen advies van een omgevingsvergunningscommissie vereist is.” 

Uit de parlementaire toelichting bij zowel het Omgevingsvergunningsdecreet als bij het Omgevingsvergunningsbesluit blijken volgende krachtlijnen aanwezig te zijn betreffende de “zaak van de wegen” waarvoor de gemeenteraad bevoegd is. 

Samenvattend stellen beide toelichtingen dat: 

  • Het Omgevingsvergunningsdecreet voorziet in de mogelijkheid van het tussenkomen van de gemeenteraad inzake de “zaak van de wegen”, waarbij de gemeenteraad bevoegd is om zich uit te spreken over de wijzigingen die aangebracht worden aan het lokaal wegennet, zonder echter zich te mogen uitspreken over de omgevingsvergunningsaanvraag; 

  • Een ongunstige beslissing inzake de “zaak van de wegen” heeft tot gevolg dat de vergunningverlenende overheid de omgevingsvergunning niet kan verlenen, ook niet in graad van beroep; 

  • Indien de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat een vergunning verleend kan worden, zal een beslissing betreffende de “zaak van de wegen” gevraagd worden aan de gemeenteraad. Bijgevolg kan een beslissing aangaande de “zaak van de wegen” terzijde geschoven worden indien de vergunningverlenende overheid oordeelt dat een rechtstreekse weigering zich opdringt; 

  • De regeling inzake de “zaak van de wegen” en de bevoegdheid van de gemeenteraad hiertoe bestaat voor zowel omgevingsvergunningsaanvragen met betrekking tot stedenbouwkundige handelingen alsook voor omgevingsvergunningsaanvragen tot het verkavelen van gronden; 

Met de inwerkingtreding van het Decreet Gemeentewegen op 1 september 2019 werden tevens aanpassingen aangebracht aan de bestaande regeling in het Omgevingsvergunningsdecreet aangaande de “zaak van de wegen”. Uit de parlementaire voorbereiding hiertoe blijken volgende krachtlijnen: 

  • Indien een aanvraag wegeniswerkzaamheden bevat, dient de gemeenteraad – ongeacht de vergunbaarheid van de vergunning – hierover een beslissing te nemen, waarbij de rechtstreekse weigering niet langer voorzien wordt in het thans geldende artikel 31 van het Omgevingsvergunningsdecreet; 

  • De geïntegreerde mogelijkheid waarbij op basis van artikel 31 van het Decreet Gemeentewegen een beslissing inzake de “zaak van de wegen” genomen kan worden door de gemeenteraad is thans slechts mogelijks indien aan de omgevingsvergunningsaanvraag een rooilijnplan gehecht is dat voldoet aan de vereisten van artikel 16, §§2-3 van het Decreet Gemeentewegen; 

  • Betreffende de rechtsbescherming inzake beslissingen van de gemeenteraad betreffende de “zaak van de wegen” is een beroepsmogelijkheid gecreëerd in hoofde van de Vlaamse regering tot het behandelen van administratieve beroepen tegen de gemeenteraadsbeslissingen inzake de zaak van de wegen. De Vlaamse regering beschikt hiertoe, conform artikel 31/1, §5, van het Omgevingsvergunningsdecreet over een beperkt toetsingskader; 

  • Tot slot dient de beslissing van de gemeenteraad inzake de “zaak van de wegen” in overeenstemming te zijn met de principes en doelstellingen van de artikelen 3, 4 en 6 van het Decreet Gemeentewegen; 

Feiten context en argumentatie

De aanvraag voor een omgevingsvergunning met dossiernummer OMV_2022167350 (intern nummer 2023/00078) op 13/04/2023 ingediend bij de gemeente Zonhoven door vennootschap Rosmolen (Bastiaensen Dirk) voor het rooien van 3 bomen, het bouwen van 3 meergezinswoningen met 39 wooneenheden, een ondergrondse parking en een hoogspanningscabine, plaatsen van 39 warmtepompen, aanleg van een trage verbinding en terreinaanleg in Zonhoven, Rosmolenweg, kadastraal gekend als afdeling 3, sectie E, nummers 88E, 88C,61E, 59C, 88D. 

Het aanvraagdossier omvat een rooilijnplan voor een trage verbinding (fietspad), zoals opgesteld door ingenieur Peter Gijsen, Geotec van 14 maart 2023. 

Binnen voorliggende omgevingsvergunningsaanvraagprocedure werd een openbaar onderzoek georganiseerd van 8 juli 2023 tot en met 6 augustus 2023 waarbij in totaal vier bezwaarschriften ontvangen werden. 

Overeenkomstig artikel 47 van het Omgevingsvergunningsbesluit is de gemeenteraad gehouden om de ingediende bezwaren die betrekking hebben op de “zaak van de wegen” te behandelen in haar beraadslaging, waarbij het niet toekomt aan de gemeenteraad om zich uit te spreken over elementen die ruimtelijke ordening raken en behoren tot de bevoegdheid van het vergunningverlenend orgaan. 

De bevoegdheid van de gemeenteraad is beperkt tot de ligging, breedte en uitrusting van de gemeentewegen, waarbij zij acht dient te hebben op de mobiliteitseffecten, waterhuishouding alsook ontsluiting en verkeersveiligheid, dewelke allen aspecten zijn die tevens bij de behandeling van de bezwaren aan bod kan komen. 

De bespreking van de ingediende bezwaarschriften in zitting van heden; 

Bezwaarschrift 1, ingediend op 21/07/2023, luidt als volgt:  

"Na het ontvangen van de aangetekende brief voor bekendmaking openbaar onderzoek aanvraag (omgevingsvergunning) heb ik inzage gehad van de dossierstukken betreft verwijzing omgevingsloket te Zonhoven. 

Op basis van deze dossierstukken stel ik vast dat dit bouwproject een nadelig gevolg heeft voor de privacy van mijn woonst (perceel 34). Volledig inkijk. 

Dit kan ook met gevolg de waardebepaling van mijn woonst negatief beïnvloeden. 

Om deze reden dien ik officieel bezwaar aan te tekenen tegen de bouw van dit project. 

Echter sta ik open voor dialoog (HOGE BOMEN). "

De raad neemt volgend gemotiveerd standpunt in voor bezwaar nr. 1: 

Tegen de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg (trage verbinding (fietspad)), en over de eventuele opname in het openbaar domein worden er geen specifieke bezwaren geuit.   

De bezwaarindiener uit zijn bezorgdheid betreffende de mogelijke privacy-hinder die zou kunnen ontstaan bij uitvoering van het project. 

Het komt niet aan de gemeenteraad toe om zich hierover uit te spreken. De gemeenteraad kan enkel uitspraak doen over de zaak van wegen, zonder zich over de vergunningsaspecten te mogen buigen. 

Bezwaarschrift 2, ingediend op 03/08/2023, luidt als volgt:  

"Wij hebben verschillende bezwaren tegen de bouw van dit project en hopen dan ook dat hier rekening mee gehouden wordt: 

Eerst en vooral betreft het de afwatering: we zitten nu al met problemen maar nog extra afvoer via onze niet bestaande riolering gaat voor overlast zorgen. Op regelmatige tijdstippen moet de afwatering van onze appartementsblokken reeds ontstopt worden door de firma Jaspers van Zonhoven. Uiteraard zullen nog meer aansluitingen hierop voor nog meer problemen zorgen. 

Ten tweede betreft het zware vervoer van vrachtwagens om materialen aan en/of af te voeren. Vermits het Eggepark familie is van de nieuwe appartementsblokken ( firma Dethier) willen we ijveren om alle vrachtverkeer over de weg rond het Eggepark te laten rijden ipv onze straat te gebruiken. 

Deze weg wordt nu ook gebruikt door verhuiswagens, brandweerwagens, allerlei firma's om werkzaamheden uit te voeren, de firma die de tuin onderhoud met aanhangwagens met zwaar materieel rijden ook over die weg. Dit om beschadigingen aan de weg te vermijden en zodat de vrachtwagens kunnen rond rijden ipv in onze straat, waar geen mogelijkheid tot omkeren is en de vrachtwagens achteruit dus onze straat moeten verlaten. 

Twee vrachtwagens naast elkaar kan niet in onze straat omdat deze te smal is met als gevolg dat de volgende lading op de Grote Eggestraat moet blijven wachten tot de straat vrij is. Dit zou uiteraard gevaarlijke verkeerssituaties creëren. Dit vooral sedert de gewijzigde verkeerssituatie in de Dorpsstraat (daar links afslaan naar Heuven niet meer mogelijk is ) is de verkeersdrukte zéér druk en zelfs gevaarlijk te noemen wegens het niet naleven van de voorrangsregel naar rechts en te hoge snelheden. 

Wetende dat er een drukke kinderopvang is in onze straat willen wij gevaarlijke verkeerssituaties dus ten allen tijden vermijden. 

Des te meer vanwege het veelvuldig gebruik van de weg door bewoners en schoolgaande jeugd. 

Daarom hopen wij natuurlijk dat er bij de beslissing rekening gehouden wordt met bovenstaande opmerkingen en dat de gepaste maatregelen getroffen worden om de overlast zo beperkt mogelijk te houden."

De raad neemt volgend gemotiveerd standpunt in voor bezwaar nr. 2: 

Tegen de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg (trage verbinding (fietspad)), en over de eventuele opname in het openbaar domein worden er geen specifieke bezwaren geuit. 

De bezwaarindiener uit zijn bezorgdheid betreffende de verkeerssituatie op reeds bestaande wegenis. 

Het komt niet aan de gemeenteraad toe om zich hierover uit te spreken. De gemeenteraad kan enkel uitspraak doen over de zaak van wegen, zonder zich over de vergunningsaspecten te mogen buigen. 

Bezwaarschrift 3, ingediend op 04/08/2023, luidt als volgt:  

"Cliënten ontvingen middels aangetekend schrijven d.d. 29.06.2023 de kennisgeving van het feit dat het college van burgemeester en schepenen overgaat tot het organiseren van een openbaar onderzoek met als voorwerp de omgevingsvergunningsaanvraag voor het rooien van drie bomen, het bouwen van drie meergezinswoningen met 39 wooneenheden, een ondergrondse parking en een hoogspanningscabine, plaatsen van 39 warmtepompen, aanleg van een trage verbinding en terreinaanleg ingediend door de heer Dirk Bastiaensen namens Rosmolen en dit op een perceel gelegen te 3520 Zonhoven, Rosmolenweg 15 en 17 (/1 - /14), kadastraal gekend als afdeling 3, sectie E, perceelnummers: 59C, 61N, 61E, 61E/deel, 88D, 88C en 88E. 

Aangezien het openbaar onderzoek wordt georganiseerd van 08.07.2023 tot en met 06.08.2023, is dit bezwaarschrift alleszins tijdig ingediend. 

Voorafgaandelijke opmerking 

Cliënten nemen kennis van het feit dat ieder plan dan wel document op het Omgevingsloket een disclaimer bevat aangaande de auteursrechtelijke bescherming en de herinnering dat kopiëren verboden is. 

Middels deze alinea benadrukken cliënten dat zij, behoudens in onderhavig bezwaarschrift dan wel gedurende de eventuele hierop volgende – gerechtelijke – procedure, geen enkele informatie dan wel plannen zullen gebruiken.  

Ten einde cliënten de waarborg te bieden dat onderhavig bezwaarschrift zijn finaliteit niet mist, worden bepaalde ‘printscreens’ van plannen of documenten hierna – waar noodzakelijk – wél aangewend. 

Verhouding (eigendom) cliënten – projectgebied  

De verhouding tussen enerzijds (de eigendom van / houder van enig zakelijk recht) cliënten (Koolhof 1, 3, 4, 6 en 8) en anderzijds het projectgebied wordt hierna weergegeven: 

 

Overeenkomstig artikel 23 van het Omgevingsvergunningsdecreet kan iedere natuurlijke- of rechtspersoon een bezwaarschrift indienen tijdens het openbaar onderzoek. 

Cliënten werd uitdrukkelijk in kennis gesteld van het georganiseerde openbaar onderzoek. Het perceel van cliënten grenst aan het projectgebied. Bijgevolg worden o.a. de eigendoms- en gebruiksrechten van de eigendom van cliënten geschonden.  

Cliënten beschikken alzo onomstotelijk van een rechtmatig belang om een bezwaar in te dienen.  

Voorwerp van de aanvraag  

Dit bezwaarschrift wordt opgesteld n.a.v. de omgevingsvergunningsaanvraag ingediend door Dirk Bastiaensen namens Rosmolen. 

Het perceel in kwestie is tegenwoordig een weiland. 

De aanvraag omvat: het rooien van drie bomen, het bouwen van een ondergrondse parking, het bouwen van drie bouwblokken met 39 meergezinswoningen, de aanleg van een park met semi-publieke doorsteek en de bouw van een HS-cabine. 

Cliënten wenst volgende bezwaren te uiten op de aanvraag tot omgevingsvergunning: 

De omgevingsvergunning moet worden GEWEIGERD: 

1. De samenstelling van de aanvraag is bedrieglijk, minstens misleidend  

Artikel 15 van het Omgevingsvergunningsbesluit regelt de wijze van samenstelling van de aanvraag tot omgevingsvergunning. De gegevens bij een vergunningsaanvraag moeten voldoen aan de technische richtlijnen van de Vlaamse overheid. Die richtlijnen vindt u in de normenboeken. 

Het normenboek digitale OMV aanvragen met architect regelt de wijze van samenstelling van het aanvraagdossier voor een Omgevingsvergunning (https://www.omgevingsloketvlaanderen.be/sites/default/files/atoms/files/Normenboek%20digitale%20OMV%20aanvragen%20met%20architect_07032018_0_0.pdf).
Het normenboek werd gevoegd als bijlage 1 bij het besluit van 29 augustus 2014 van de secretaris-generaal van het departement Ruimte Vlaanderen inzake technische richtlijnen voor elektronische gegevensuitwisseling via het omgevingsloket of het uitwisselingsplatform. 

Dit normenboek is opgemaakt door het departement Omgeving in toepassing van artikel 154 van het Besluit van de Vlaamse Regering tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, hetgeen stelt: 

‘Op straffe van onvolledigheid van de aanvraag, het verzoek, de melding of het beroepschrift voldoen alle bestanden die verzonden worden aan de vormelijke en technische vereisten, bepaald door het departement.’ 

Een vergunningverlenende overheid kan/mag enkel maar een vergunning verlenen op basis van geloofwaardige en geoorloofde vergunningsaanvragen. 

In casu bevat het aanvraagdossier hiaten, leemtes en onduidelijkheden omtrent o.a. (Deze lijst is geenszins limitatief): 

  • De plannen juncto de verklarende nota zijn summier en te algemeen opgesteld.
    Op basis van deze summiere gegevens kan uw Bestuur geen positieve vergunningsbeslissing nemen.
    Klaarblijkelijk slaagt de aanvrager er niet in om voldoende duidelijke plannen op te stellen. 

  • MER-screening miskent de feitelijke en juridische werkelijkheid.
    Aangezien aanvrager de impact van het aanvraagdossier op de omgeving blijven miskennen, dan wel zwaar minimaliseert, blijft de MER-screening onvoldoende en niet waarheidsgetrouw. 

  • De mobiliteitstoets/het mobiliteitsplan, zoals opgeladen in het omgevingsloket, is omvangrijk, maar weinig geloofwaardig doordat er uitgegaan wordt van een veel te laag aantal verkeersbewegingen dewelke niet in overeenstemming zijn met de hedendaagse realiteit en vooral van het aantal verkeersbewegingen per dag (eigenaarsverkeer, bezoekers, derden, ...).
    Er worden slechts 9 à 10 bijkomende verkeersbewegingen verwacht tijdens de spitsuren, niettegenstaande er 39 woongelegenheden worden voorzien. 

  • In de beschrijvende nota wordt op geen enkele wijze concreet besproken hoe de hinder op de omgeving kan worden beperkt.
    Er wordt louter gesteld dat het project ‘voldoende waarborgen’ biedt om hinder zo veel als mogelijk te beperken. 

  • Het project is niet onderbouwd door enige woonbehoeftestudie. 

  • Ten gevolge van het verzoek tot aanvulling stelt de aanvrager dat er verduidelijkingen zullen worden doorgevoerd in de legende van de plannen of op de gevelplannen zelf. Er zou een aangepaste versie van de legende dan wel gevelplannen worden opgeladen op het Omgevingsloket.
    Cliënten stellen vast dat dergelijke verduidelijkingen niet werden doorgevoerd. 

  • De aanvrager beoogt de aanleg van een trage verbinding. Het gaat meer bepaald een verbinding tussen de Grote Eggestraat en de Sprinkwaterstraat (het fietspad gelegen ten oosten van het Egge Park en het voorziene project).
    Echter, deze verbinding wordt gerealiseerd via de noordelijke brandweg (zijde Genkerbaan) van cliënten. Hiermee wordt het eigendomsrecht van cliënten manifest geschonden.
    Er zit hoe dan ook weinig logica achter deze realisatie aangezien er reeds een ontsluiting wordt voorzien via de Rosmolenweg.
    Daarenboven overweegt de aanvrager niet eens om te voorzien in een eigen ontsluiting naar de Genkerbaan via zijn perceel.
    Ten derde bestaan er veel vragen omtrent het gebruik van deze trage verbinding… Kan eenieder, ook als deze niet woonachtig is in het voorziene project, vanaf het fietspad door het Egge Park rijden? Wat met de verkeersveiligheid (cfrinfra)? Wat met het ontstaan van donkere en onveilige plaatsen ten gevolge van deze creatie? Hoe zal deze trage verbinding worden verlicht? 

  • …  

Luidens vaste rechtspraak van o.a. de Raad van State dienen ‘onjuistheden, vergissingen of leemten in het bouwdossier’ tot de vernietiging te leiden. Reeds lange tijd heeft o.a. de Raad van State het volgende overwogen inzake onjuistheden omtrent vergunningsaanvragen: 

Onjuistheden, vergissingen of leemten in het bouwdossier kunnen tot de vernietiging van de bouwvergunning leiden, indien blijkt dat zij van die aard zijn dat zij de adviserende of de vergunningverlenende overheden in dwaling hebben gebracht en bovendien beslissend zijn geweest voor de toekenning van de bouwvergunning. Het is aan de verzoeker om aan te tonen welke deze leemten zijn en op welke wijze de overheden hierdoor misleid zijn.’(RvS 4 juni 2008, nr. 183.772, DE WIT 3). (eigen onderlijning + markering)  

Dit impliceert mutatis mutandis dat er GEEN vergunning kan worden verleend op basis van zulks onjuist en/of bedrieglijk aanvraagdossier, bij gebreke aan een schending van zowel het zorgvuldigheids- als het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur: 

Het vertrouwensbeginsel kan worden omschreven als een van de beginselen van behoorlijk bestuur. Krachtens dit beginsel moet de burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen en beloftes die de overheid in een concreet geval zou doen. Dit beginsel beperkt zich echter tot het optreden van het actief bestuur en niet van een rechtscollege( RvS 6 februari 2001, nr. 93.104, MISSORTEN). 

Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien, op het tijdstip dat de handeling wordt verricht en de overheid daarvan niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken (RvS 22 maart 2004, nr. 129.541, VZW VLAAMS CENTRUM VOOR LEVENSVORMING). Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt tevens in dat de overheid slechts na afweging van alle relevante gegevens van de zaak een beslissing mag nemen (RvS 28 april 2008, nr. 182.450, DE GRAEVE). 

Het zorgvuldigheidsbeginsel impliceert dat het bestuur verplicht is te vermijden dat rechtmatige verwachtingen, waaronder de door het bestuur verwekte verwachtingen, van de geadministreerde, niet gefrustreerd mogen worden (RvS 13 mei 1980, nr. 20.324, BRACKE). 

Het vergunningverlenend bestuur kan – louter en alleen al op basis van dit bezwaar – niet anders dan de gevraagde vergunning te weigeren. 

2. GEEN MER-screeningsnota, minstens kunnen de milieueffecten niet behoorlijk worden onderzocht.  

Overeenkomstig artikel 4.3.2., §2bis van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (DABM) wijst de Vlaamse Regering de projecten aan waarvoor een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld. 

Artikel 2, §6 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10.12.2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieu-effectrapportage (hierna: het Project-MER-besluit) bepaalt in uitvoering hiervan dat voor de categorieën van projecten, vermeld in bijlage III bij dit besluit, de initiatiefnemer een project-m.e.r.-screeningsnota kan indienen bij de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag. 

De project-m.e.r.-screeningsnota betreft een gemotiveerde screeningsnota op basis waarvan door de initiatiefnemer wordt aangetoond ofwel 1) dat er geen aanzienlijke milieueffecten verbonden zijn aan de uitvoering van zijn project, ofwel 2) dat er vroeger een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of aanvullende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten (Parl.StVl.Parl. 2011-12, nr. 1463/1, 7). 

Het komt vervolgens toe aan de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de aanvraag om een screeningsbeslissing te nemen, dit is een beslissing of er al dan niet een project-MER moet worden opgesteld over het aangevraagde project van bijlage III van het Project-MER-besluit. 

Overeenkomstig artikel 4.3.3., §2, tweede lid van DABM moet geen milieueffectrapport over het project worden opgesteld als de overheid oordeelt dat 1) een toetsing aan de criteria van bijlage II van het DABM uitwijst dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten; of 2) vroeger al een plan-MER werd goedgekeurd betreffende een plan of programma waarin een project met vergelijkbare effecten beoordeeld werd of een project-MER werd goedgekeurd betreffende een project waarvan het voorgenomen initiatief een herhaling, voortzetting of alternatief is, en een nieuw project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten. 

De criteria van bijlage II van het DABM hebben betrekking op de kenmerken van het project (bv. omvang, cumulatie met bestaande projecten, gebruik van natuurlijke hulpbronnen), de locatie van het project (bv. het bestaande en goedgekeurde landgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijk milieu) en de soort en de kenmerken van het potentiële effect (bv. de aard van het effect, de intensiteit en complexiteit van het effect, de waarschijnlijkheid van het effect). Wat dit laatste betreft, moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan het effect van het project op de disciplines, vermeld in artikel 4.3.1, tweede lid DABM, nl. de bevolking en de menselijke gezondheid, de biodiversiteit, het land, de bodem, het water, de lucht en het klimaat, de materiële goederen, het cultureel erfgoed en het landschap en de samenhang tussen deze disciplines (Bijlage 2 bij het DABM). 

Het is essentieel dat de overheid bij die beoordeling het aangevraagde project concreet toetst aan de criteria van bijlage II van het DABM, die het afwegingskader vormen bij het nemen van een screeningsbeslissing (RvVb 27 mei 2021, nr. RvVb-A-2021-1028, VANROBAEYS). 

De screeningsnota is dus een essentieel instrument dat het bestuur moet toelaten om met kennis van zaken en aan de hand van de in bijlage II bij het DABM omschreven criteria te beoordelen of de aanvraag al dan niet aanzienlijke milieueffecten voor de mens en het milieu genereert en er bijgevolg al dan niet een project-MER moet worden opgemaakt. Die beoordeling gebeurt volgens artikel 4.3.3, §2 DABM en artikel 20 van het Omgevingsvergunningsdecreet in beginsel in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid en de volledigheid van de vergunningsaanvraag (RvVb 15 oktober 2020, nr. RvVb-UDN-2021-0169, vzw NATUURPUNT BEHEER, VERENIGING VOOR NATUURBEHEER EN LANDSCHAPSZORG IN VLAANDEREN). 

Bijlage III van het Project-MER-besluit bevat dus de categorieën van projecten waarvoor de initiatiefnemer minstens een project-m.e.r.-screeningsnota moet indienen bij de overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag (RvVb 19 mei 2022, nr. RvVb-A-2122-0762, ACKAERT e.a.). 

Het ontbreken van een project-m.e.r-screeningsnota moet in principe leiden tot de noodzakelijke weigering van de aanvraag door de vergunningverlenende overheid wegens onvolledigheid van het aanvraagdossier. De aanvraag moet zelfs onontvankelijk worden verklaard (RvVb 27 mei 2021 nr. RvVb-A-2021-1028, VANROBAEYS). 

Het invullen van de vragen die worden gegenereerd onder de hoofding “Effecten” in het omgevingsloket kan in beginsel volstaan als project-m.e.r-screeningsnota (RvVb 25 maart 2021 nr. RvVb-A-2021-0782, VERCAEMST). 

Evenwel moeten de antwoorden op de gestelde vragen voldoende elementen bevatten om de milieueffecten van het project te beoordelen, zodat de vergunningverlenende overheid met kennis van zaken kan beslissen of al dan niet een project-MER moet worden opgesteld (Vgl. RvVb 27 november 2018 nr. RvVb-A-1819-0336, DESMEDT e.a.). 

In casu geeft de aanvrager aan dat het Project onder Bijlage III van het Project-MER-besluit valt, meer bepaald onder rubrieken: 10, b) ‘Stadsontwikkeling’ 

Een project-MER-screeningsnota is dus vereist. 

Het aanvraagdossier bevat evenwel geen project-m.e.r.-screeningsnota in de zin van artikel 4.3.2., §2bis DABM en artikel 2, §6 van het Project-MER-besluit. 

De antwoorden die door de aanvrager worden verschaft op de vragen gesteld in het omgevingsloket onder de hoofding “Effecten op de omgeving” en “MER” zijn immers uitermate summier en in zijn geheel niet waarheidsgetrouw. 

In de antwoorden op de vraag of er aanzienlijke effecten te verwachten zijn, antwoordt de aanvrager eenvoudigweg “Nee”. Dit antwoord alleen al is HALUCINANT! 

Wat betreft het aspect van de ‘mobiliteit’ wordt er verwezen naar een mobiliteitsstudie. De aanvrager stelt daarenboven dat er slechts 9 en 10 bijkomende verkeersbewegingen te verwachten zijn. Echter, dit is geheel ongeloofwaardig gelet op het feit dat er 39 woongelegenheden worden voorzien…  

Wat betreft de effecten van ‘geluid en trillingen’, stelt de aanvrager dat de toename van het aantal verkeersbewegingen door bewoners van de nieuwe meergezinswoningen bijkomende hinder met zich zal meebrengen doch dat deze toename ‘verwaarloosbaar’ is.  

Het is precies alsof de mensen die ter plaatse gaan wonen in de 39(!) woonentiteiten geen geluid maken bij het verplaatsen. Zulks is uiteraard niet geloofwaardig noch waarheidsgetrouw. Daarenboven: geluidseffecten van huisdieren (honden), speelpleinen, geluidsversterking in de tuinen, feestjes, burenruzies, … worden niet belicht. Er wordt aangenomen dat omwonenden dit zonder commentaar aanvaarden, hetgeen niet evident is. 

Wat betreft de effecten van ‘lucht’, is er geen duidelijkheid over het aantal en intensiteit van werfvoertuigen en aan- en aftransport van bouwmaterialen tijdens de uitvoeringsfase. Met andere woorden, in tegenstelling tot wat beweerd wordt, is er wel degelijk een effect naar de omgevingslucht. In deze zin is het niet duidelijk welke vracht aan zwavel- en stikstofoxiden worden uitgestoten binnen welk tijdsbestek en welke de gezondheidseffecten daarvan zijn voor de omwonenden. Dit is een ernstige tekortkoming.  

De rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen is hier thans duidelijk omtrent:  

“De verschillende tot een globaal project behorende activiteiten moeten als één geheel worden beoordeeld in functie van de (aanzienlijke) effecten die zij kunnen voortbrengen voor mens en milieu. In het licht van doelstelling en de reikwijdte van de project-MER-richtlijn, moet worden vastgesteld dat de project-MER-plicht tot doel heeft de vergunningverlenende overheid toe te laten de milieueffecten van het globale project na te gaan. Een richtlijnconforme invulling van de project-MER-plicht, vereist een eenheid van beoordeling waarbij rekening wordt gehouden met de gezamenlijke milieueffecten van het totaalproject. Voor de MER-plicht is het project dat men wil realiseren beslissend. De milieueffectbeoordeling heeft tot doel de vergunningverlenende overheid toe te laten de weerslag van het gehele project op de mens en het leefmilieu na te gaan. Aan die doelstelling, die de eenheid van beoordeling beoogt, zou afbreuk worden gedaan indien voor een totaalproject de milieubeoordeling voor activiteiten in de uitvoeringsfase worden afgesplitst en later beoordeeld. Het gevolg van het voorgaande is dat de beoordeling van de mogelijke effecten van de bronbemaling, die zal worden toegepast in de uitvoeringsfase van het betrokken project, deel moet uitmaken van de MER-toets. Artikel 7, §2, tweede lid Omgevingsvergunningsdecreet, laat niet toe om anders te oordelen” (RvVb 27 oktober 2022, nr. RvVb/A/2223/0160). 

Het spreekt voor zich dat op basis van deze beperkte elementen niet kan beoordeeld worden of het Project aanzienlijke milieueffecten genereert, terwijl zulke effecten niet ondenkbeeldig zijn gelet op de impact die het Project voorziet op het openruimtegebied. 

Het is voor de vergunningverlenende overheid volstrekt onmogelijk om op basis van de zeer summiere elementen verstrekt door de aanvrager een toets aan de criteria van bijlage II van het DABM door te voeren, in het bijzonder wat betreft de soort en de kenmerken van de potentiële effecten. 

Hoger werd evenwel reeds uiteengezet dat op basis van de beperkte informatie gegeven in de vragenlijst op het omgevingsloket, niet kan beoordeeld worden of het Project aanzienlijke milieueffecten genereert. 

Het aanvraagdossier bevat geen project-m.e.r.-screeningsnota. Minstens bevat het aanvraagdossier onvoldoende elementen om te beoordelen of het Project al dan niet aanzienlijke milieueffecten genereert en een project-MER moet worden opgesteld. 

Het uitgevoerde milieueffectenonderzoek is onvoldoende om een degelijke beoordeling van de vergunbaarheid van voorliggend project te maken. Deze kan niet zonder nieuw openbaar onderzoek worden toegevoegd aan de aanvraag. Bijgevolg dient de vergunning te worden geweigerd. 

Het vergunningverlenend bestuur kan – louter en alleen al op basis van dit bezwaar – niet anders dan de gevraagde vergunning weigeren. 

3. Vergunning is niet uitvoerbaar  

In het aanvraagdossier wordt voorbehouden dat de eigendom van cliënten mee wordt opgenomen in de aanvraag, dit voor zover er een trage doorgang ten bate van de aanvrager wordt voorzien over de eigendom van cliënten. Zulks zonder ook maar enige toestemming noch schriftelijke overeenkomst. Evenmin ligt er enig ander recht voor waaruit de kwestieuze eigendomsaanmatiging blijkt. 

Bij gebrek aan toestemming noch schriftelijke overeenkomst kan minstens een deel van de omgevingsvergunning alleszins niet uitgevoerd worden. 

Doordat de aanvrager het eigendomsrecht van cliënten gewoon naast zich neerlegt en in diens aanvraagdossier – zonder enig akkoord van cliënten – hun eigendom mee opneemt in de aanvraag, maakt dat dit dossier bedrieglijk en/of misleidend opgesteld. De aanvrager houdt uw Bestuur voor, minstens wekt de schijn dat zij over enig zakelijk recht kan beschikken met betrekking tot de eigendom van cliënten, minstens dat dit juridisch mogelijk is, certe quod non. 

Het kan niet zijn dat er een private ontwikkeling een publieke functie moet dragen en in een doorgang moet voorzien tussen het fietspad langs de Sprinkwaterstraat en de Grote Eggestraat. Het Egge Park is en moet een privaat complex blijven. Onderliggende ontwikkeling hypothekeert dit privaat karakter. 

Het openen van een achteringang op een privéterrein zal de veiligheid (vandalisme, inbraak, diefstal) zeker doen dalen vermits er een vluchtweg gecreëerd wordt. 

Gelet op de afwezigheid van toestemming van cliënten kan voormelde aanvraag niet gerealiseerd worden. Een eventueel verleende omgevingsvergunning is niet uitvoerbaar. 

Hierbij dient gewezen te worden op artikel 78, §1 Omgevingsvergunningsdecreet dat stelt: 

  • ‘De omgevingsvergunning heeft een zakelijk karakter. Ze wordt verleend onder voorbehoud van de burgerlijke rechten die betrekking hebben op het onroerend goed. 

  • De beslissingen genomen op grond van dit decreet doen geen afbreuk aan de burgerlijke rechten van derden.’ 

Aangezien elke omgevingsvergunning onder voorbehoud van burgerlijke rechten – ook deze van derden – wordt verleend die zich op het kwestieus onroerend goed bevinden, maakt dit voorliggende aanvraag niet uitvoerbaar is. 

Ten tweede voorziet het project tevens in het rooien van 3 bomen. Vooreerst is er sprake van 4 bomen en geen 3 bomen: 

 

Opnieuw geeft dit aan dat het dossier op zeer gebrekkige wijze werd samengesteld. 

Het betreft de afgestorven bomen die zich ongeveer in het midden van de bouwgrond voor het project Rosmolen bevinden. 

Er bevindt zich echter nog een vierde boom tegen/op de rooilijn met het Egge Park, thans op de eigendom van de aanvrager / het projectgebied, die voor meer dan 40% afgestorven is en waarop nog nooit enig onderhoud gebeurde. Deze boom zal binnen afzienbare tijd dienen gerooid te worden. 

De kwestieuze boom: 

 

Deze boom bevindt zich op de voorziene brandweg op het aanvraagproject, minstens wordt de functie ‘brandweg’ gehypothekeerd. 

Waarom wordt deze boom ook nu niet gerooid en vervangen door een jonge boom? De wortels van de bestaande boom groeien nu reeds onder de brandweg door en zullen op termijn voor schade zorgen. Uw Bestuur zal een gepaste oplossing voordragen om een duurzame oplossing voor deze boom te vinden. 

De aanvraag dient dan ook manifest geweigerd te worden. 

4. Het aangevraagde is niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke orde  

a. Algemene principes  

Het artikel 1.1.4 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: ‘VCRO’) stelt:  

‘De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit.’ 

Daar waar de vergunningverlenende overheid gebonden is door de vigerende bestemmingsvoorschriften, beschikt zij in haar beoordeling van de goede ruimtelijke ordening over een wettelijk toegekende discretionaire bevoegdheid. 

Het artikel 4.3.1, §2 VCRO geeft de decretale invulling van het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’: 

§2. De overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening wordt beoordeeld met inachtneming van volgende beginselen : 

1° het aangevraagde wordt, voor zover noodzakelijk of relevant, beoordeeld aan de hand van aandachtspunten en criteria die betrekking hebben op de functionele inpasbaarheid, de mobiliteitsimpact, de schaal, het ruimtegebruik en de bouwdichtheid, visueel-vormelijke elementen, cultuurhistorische aspecten en het bodemreliëf, en op hinderaspecten, gezondheid, gebruiksgenot en veiligheid in het algemeen, in het bijzonder met inachtneming van de doelstellingen van artikel 1.1.4;  

2° het vergunningverlenende bestuursorgaan houdt bij de beoordeling van het aangevraagde rekening met de in de omgeving bestaande toestand, doch het kan ook de volgende aspecten in rekening brengen:  

a) beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de aandachtspunten, vermeld in punt 1°;  

b) de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement voor zover:  

1) de rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;  

2) de rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is;  

3° indien het aangevraagde gelegen is in een gebied dat geordend wordt door een ruimtelijk uitvoeringsplan, een gemeentelijk plan van aanleg of een omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden waarvan niet op geldige wijze afgeweken wordt, en in zoverre dat plan of die vergunning voorschriften bevat die de aandachtspunten, vermeld in 1°, behandelen en regelen, worden deze voorschriften geacht de criteria van een goede ruimtelijke ordening weer te geven. 

Met de invoering van de VCRO heeft het begrip goede ruimtelijke ordening’ een decretale grondslag gekregen. Het decreet dwingt op die manier de vergunningverlenende overheden om op een meer doordachte en integrale wijze de goede ruimtelijke ordening te onderzoeken (P. FLAMEY en G. VERHELST (ed.), Ruimtelijke Ordening herbekeken: Analyse van de Vlaamse Codex R.O. en het Decreet Grond- en Pandenbeleid, Brugge, Vanden Broele, 2010, 141). 

Voor de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening handhaven zowel de VCRO als de Raad voor Vergunningsbetwistingen het principe om de in omgeving bestaande toestand als uitgangspunt te nemen. In een arrest oordeelde de Raad van State dat de overheid een vergunning geldig kan weigeren/toestaan door enkel een begrensd gedeelte van de straat in aanmerking te nemen als de onmiddellijke omgeving van het betrokken perceel. 

b. Toepassing in casu  

Het project is een stijlbreuk met de bestaande toestand  

De vergunningverlenende overheid houdt bij de beoordeling van het aangevraagde eveneens rekening met de in de omgeving bestaande toestand. Ze is hiertoe zelfs verplicht (RvVb 13 maart 2018, nr. RvVb/A/1718/0665). 

Niet de vergunningstoestand maar wel de bestaande toestand is relevant bij de beoordeling (RvVb 11 juni 2013, nr. A/2013/0317; RvVb 26 januari 2016, nr. RvVb/A/1516/0503, cassverworpen: RvS 12 januari 2017, nr. 237.012; RvVb 20 december 2016, nr. RvVb/A/1617/0445; RvVb 16 april 2020, nr. RvVb/A/1920/0708). 

De beoordeling van wat behoort tot de “in de omgeving bestaande toestand” maakt deel uit van de discretionaire beoordeling van de vergunningverlenende overheid, bij gebrek aan definitie van dit begrip. De “in de omgeving bestaande toestand” is de voor het dossier “relevante” in de omgeving bestaande toestand, rekening houdend met de specifieke gegevens van het dossier (RvS 10 oktober 2011, nr. 215.666; RvS 22 februari 2010, nr. 201.111; RvS 20 maart 2009, nr. 191.711; RvVb 10 december 2012, nr. A/2012/0524; RvVb 22 februari 2011, nr. A/2011/0014; RvVb 1 oktober 2019, nr. RvVb/A/1920/0125). 

De aard van het te onderzoeken aandachtspunt, in relatie met de bestaande omgeving, speelt hierin een belangrijke rol. Aspecten van hinder noodzaken veelal uit zichzelf een onderzoek naar de relevante onmiddellijke omgeving. De beoordeling van de functionele inpasbaarheid noodzaken dan weer vaker een onderzoek naar de ruimere omgeving (RvVb 17 december 2020, nr. RvVb/A/2021/0445). 

De toetsing aan de bestaande toestand in de onmiddellijke omgeving is hierbij niet gelijk te stellen met de toetsing aan de bestaande toestand op het perceel zelf (RvVb 10 juli 2018, nr. RvVb/A/1718/1091). 

De vergunningverlenende overheid moet in de eerste plaats rekening houden met de onmiddellijke omgeving (RvVb 22 augustus 2017, nr. RvVb/A/1617/1161). Afhankelijk van de aard en de omvang van de aanvraag, en in zoverre dit bij de beoordeling van de aanvraag daadwerkelijk relevant is, moet eveneens de inpasbaarheid in de ruimere omgeving onderzocht worden (RvVb 13 augustus 2019, nr. RvVb/A/1819/1290; RvVb 13 augustus 2019, nr. RvVb/A/1819/1292). Deze is evenwel minder doorslaggevend en kan er niet toe leiden dat inpasbaarheid in de onmiddellijke omgeving – de naastliggende percelen in het bijzonder – die de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening het sterkst beïnvloedt, buiten beschouwing wordt gelaten (RvVb 24 oktober 2012, nr. A/2012/0435; RvVb 30 mei 2017, nr. RvVb/A/1617/0895; RvVb 9 januari 2018, nr. RvVb/A/1718/0385; RvVb 13 augustus 2019, nr. RvVb/A/1819/1292; RvVb 26 november 2019, nr. RvVb/A/1920/0291; RvVb 1 oktober 2020, nr. RvVb/A/2021/0088. RvVb 28 januari 2020, nr. A/1920/0490, cassverworpen: RvS 23 maart 2021, nr. 250.184. S. KERREMANS, “Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen en de relevante omgeving: twee can-do’s voor meer flexibiliteit in de omgevingstoets”, STORM 2021/2, 12). Onder de onmiddellijke omgeving dient de omgeving te worden begrepen die een ruimtelijke impact kan ondergaan door het aangevraagde ( RvVb 29 november 2016, nr. RvVb/A/1617/0348). 

Uit hetgeen hierna volgt blijkt onomstotelijk dat het aangevraagde NIET in overeenstemming is noch kan gebracht worden met de bestaande toestand ter plaatse. 

Het project is functioneel niet inpasbaar  

Daargelaten het projectgebied gelegen is in de bestemmingszone ‘woongebied’, is het geenszins functioneel inpasbaar. 

Dit val in eerste instantie te verklaren doordat het in casu gaat om een bouwproject dat wordt voorzien in de zogenaamde tweede bouwzone. Indien het bouwen in de tweede bouwlijn niet verenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening, kan/dient het aangevraagde dan ook te worden geweigerd. 

Specifiek inzake het bouwen in de tweede bouwlijn, moet worden verwezen naar de volgende rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen: (RvVb 9 juni 2022, nr. RvVb-A-2122-0832). 

‘Uit geciteerde overwegingen blijkt duidelijk dat verwerende partij de aanvraag in essentie weigert omdat de beoogde woning in tweede bouwlijn aldaar ruimtelijk niet inpasbaar is door de hoogte, de inplanting en de ontsluiting hiervan.  

(…)  

De omliggende bebouwing, waaronder de woning van tussenkomende partij, is alleszins mee bepalend voor de relevante in de omgeving bestaande toestand.’ 

Uit de integrale hierna volgende uiteenzetting blijkt dat het aangevraagde inderdaad haaks staat op meerdere aspecten die de goede ruimtelijke ordening uitmaken. 

Daarnaast valt uit deze rechtspraak ook af te leiden dat de eigendom van bezwaarindieners mede bepalend zijn voor de relevante in de omgeving bestaande toestand. 

In eerste instantie springt het in het oog dat de aanvrager zelf niet voorziet in een eigen ontsluiting naar de Genkerbaan via zijn perceel. Het moet in deze context reeds worden benadrukt dat de verwezenlijking van een bepaald project niet kan worden afgewenteld op de omgeving van het project. Dit zou bovendien reeds verklaren dat het project niet thuishoort op de locatie in kwestie… 

Integendeel, en in het verlengde van het voorgaande, beoogt de aanvrager een ‘oversteek’ op het perceel van bezwaarindieners. Anders gezegd: de aanleg van een trage verbinding, waarvan sprake in de aanvraag, betreft een te realiseren verbinding tussen de Grote Eggestraat, via de noordelijke brandweg (zijde Genkerbaan) van bezwaarindieners, via het project Rosmolen en het fietspad gelegen ten oosten van het Egge Park. 

Visueel betekent dit het volgende:  

  • Rode lijn: af te leggen weg door traag verkeer  

  • Blauwe cirkel: ingang ondergrondse garage bezwaarindieners  

 

Los van het feit dat het verkeer wordt afgewenteld op het perceel van bezwaarindieners, veroorzaakt dit evenzeer een zeer verkeersonveilige situatie wanneer auto’s de ondergrondse parkeergarage verlaten. 

Dit blijkt uit de volgende afbeeldingen: 

 

 

 

Hierboven wordt duidelijk aangetoond dat er quasi geen enkel zicht is voor de voertuigen komende uit de ondergrondse garage op de aanstormende fietsers. 

Daarenboven bevindt er zich pal voor deze brandweg ook de parking voor bezoekers. Dit betekent dat er een drievoudige verkeersbeweging wordt gerealiseerd. Zulks kan enkel maar tot ongevallen en andere verkeersonveilige situatie leiden.  

Aangezien de ondergrondse garage een scherpe helling kent, dienen de voertuigen die de ondergrondse garage verlaten, bijkomende snelheid te maken om zo boven op de gelijkvloerse verdieping uit te komen. Deze bestaande situatie brengt nogmaals de verkeersveiligheid ter plaatse in het gedrang.  

Het weze duidelijk dat de brandweg een ‘brandweg’ betreft die niet als trage verbinding kan gelden voor een achterliggende ontwikkeling. Het advies van de brandweer in deze is dan ook van groot belang. 

Voorts wordt er op gewezen dat de eigenaars langsheen de Genkerbaan tevens over een erfdienstbaarheid beschikken die uitkomt op deze brandweg: 

 

Wanneer EN de brandweg haar eigen functie heeft als brandweg, EN er een erfdienstbaarheid werd verleend aan alle eigenaars langs de Genkerbaan, EN de brandweg uitkomt op de ondergrondse parkeergarage ten behoeve van 73 woningen, EN de brandweg aantakt op de parking voor bezoekers, kan er op geen enkele redelijke wijze een doorgang gerealiseerd worden voor enige achterliggende ontwikkeling goed wetende dat deze ontwikkeling reeds over 2 ontsluitingen beschikt.  

Bovendien worden er donkere en onveilige plaatsen/hoeken gecreëerd. Wie gaat in verlichting voorzien conform de bestaande verlichting in het Eggepark voor deze trage verbinding? De gemeente Zonhoven? Zal de gemeente Zonhoven tevens de bestaande ondergrondse bekabeling afkopen/vergoeden en in de toekomst het elektriciteitsverbruik voor haar rekening nemen? Betaalt de gemeente Zonhoven het onderhoud van en langs deze brandweg?  

Het aangevraagde ligt pal langs de Sprinkwaterstraat hetgeen een fietspad betreft dat aantakt zowel op de Rosmolenweg, Grote Eggestraat als de Genkerbaan. Het is dan ook volkomen onlogisch en geheel onredelijk om nog een extra ontsluiting te voorzien naar het centrum. 

Daarnaast wordt er slechts één ontsluiting voorzien langs de Rosmolenweg. 

Alleszins worden NERGENS in de ruime omgeving op zulke schaal appartementsgebouwen aangetroffen op zulk beperkt perceel. 

In de meeste gevallen betreft de bouwhoogte ter plaatse 3 bouwlagen met eventueel een zadeldak. Voorliggend project voorziet in gebouwen bestaande uit 4 bouwlagen deels met ruime terrassen op alle verdiepingen. 

Het weze duidelijk dat deze verschijningsvorm vreemd is in de omgeving, zeker aangezien deze realisatie zich in tweede lijn wordt opricht (cf. supra). 

Dit project met de 3 mastodontische appartementsblokken zijn dan ook functioneel niet inpasbaar in de (ruimere dan wel) onmiddellijke omgeving. Dit mede gelet op de beperkte oppervlakte van het perceel. Dit staat haaks op het aangevraagde, nl.: 39 wooneenheden. 

Het weze duidelijk dat het aangevraagde appartementsgebouwen zowel naar bouwaantal als naar bouwhoogte totaal NIET passen in de onmiddellijke omgeving. 

Het is bovendien vaste rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat de toetsing van de functionele inpasbaarheid dient nagegaan te worden aan de hand van de goede ruimtelijke ordening ter plaatse (RvVb 21 januari 2014, nr. A/2014/0060). 

‘Bij het onderzoek naar de functionele inpasbaarheid dient nagegaan te worden of de functie van het gebouw past in de omgeving waarbij rekening dient te worden gehouden met de bestaande omgeving en de reeds bestaande en geplande functies.’ 

Voorgaande is uiteraard ondergeschikt aan het gegeven dat de aanvrager over geen enkele titel beschikt waaruit zou blijken dat er enig recht toekomt aan de aanvrager om deze trage weg te realiseren. 

Aan dit criterium is niet voldaan. 

Het project zorgt voor mobiliteitsoverlast  

Het project van 39 woonentiteiten wordt volledig ontsloten via één ontsluiting gesitueerd langs de Rosmolenweg. 

Het weze duidelijk dat zulk omvangrijk project over meerdere ontsluitingen dient te beschikken. 

De Rosmolenweg is niet uitgerust om deze bijkomende verkeersbewegingen voor haar rekening te nemen. Hierdoor zal tevens de verkeersveiligheid in het gedrang komen. De Rosmolenweg beschikt noch over een fietspad, noch over een voetpad. Bovendien dient het (bewoners-)parkeren tevens te geschieden op straat… en hier dient dan nog een uitsluiting voorzien te worden van 39 woonentiteiten. Zulks is werkelijk absurd. 

Zicht op de Rosmolenweg ter hoogte van de kruising met de Grote Eggestraat: 

 

De meeste gezinnen hebben tegenwoordig 2 personenwagens. Bovendien voorziet de aanvrager per appartement meestal in twee slaapkamers. Daarenboven houdt de aanvrager nog niets eens voldoende rekening met de overige (niet-residentiële) bezoekers van de appartementen: 

 

 Hoe dan ook zullen bijkomende personenwagens wederom worden afgewenteld op de buurt van de Rosmolenweg. Dit gegeven staat haaks op de notie ‘goede ruimtelijke ordening’. 

Immers, ca. 75 wagens, 3 bewegingen per dag : dat zijn 225 wagens die via dat ene straatje zullen passeren. Dit lijkt ons in deze context van de Rosmolenweg gewoon niet haalbaar. De standpunten in het aanvraagdossier worden ook nergens onderbouwd door objectieve stukken. 

Cliënten merken alleszins volgende kritieken op: 

  • De mobiliteitsstudie creëert een vals gevoel van weinig effecten voor de verkeersdrukte en verzadiging van straten zoals Rosmolenweg als de Grote Eggestraat. Nochtans zijn deze straten niet uitgerust voor het bijkomende verkeer (te smal, geen of nauwelijks voorzieningen voor zwakke weggebruikers). De aanwezige fietssuggestiestroken en aanduiding fietsstraat geven niet meer dan een vals gevoel van veiligheid, zolang elke vorm van handhaving ontbreekt. Uit de aanvraag is niet af te leiden welke engagementen het gemeentebestuur neemt om voorliggend project op vlak van verkeersveiligheid te faciliteren. Zolang het Gemeentebestuur terzake geen beslissing neemt, is voorliggend project niet vergunbaar.  

  • De mobiliteitsstudie geeft duidelijk aan dat de Rosmolenweg niet uitgerust is voor de verkeerstromen als gevolg het project.  

Bovendien leidt deze situatie er toe dat alle verkeer (bestaand en nieuw als gevolg van het project) via de Rosmolenweg het woongebied moet inrijden. De precaire situatie van de Rosmolenweg als ontsluiter is hoger reeds uitvoerig geschetst. 

Andere frappante feiten uit de Mobiliteitsnota wijzen er duidelijk op dat het mobiliteitsnet zulk densitair project niet aankan: 

  • De Rosmolenweg is niet uitgerust met aparte voetgangersinfrastructuur. Voetgangers dienen op de weg of in de zachte berm te wandelen.  

  • De Rosmolenweg betreft zelfs geen 2x1 rijweg zonder middenstreepmarkering.  

Zolang het project niet voorziet in een gedegen afwikkeling van haar eigen mobiliteit-/parkeerproblematiek, voldoet het aangevraagde niet aan het vereiste beoordelingscriterium. 

Aan dit criterium is niet voldaan. 

Het project is te omvangrijk qua schaal en ruimtegebruik/bouwdichtheid  

Zoals hiervoor reeds opgemerkt, voorziet de aanvraag een heel hoge bewoningsdichtheid en dito ruimtegebruik in het projectgebied. 

Daar waar in tegenstelling hierop, in de (onmiddellijke) omgeving ruime percelen met eengezinswoningen kenmerkend zijn, gecombineerd met ruime woonerven. 

Het volledige projectgebied wordt quasi volgebouwd. Daarnaast wordt tevens voorzien in appartementen met een hoogte en densiteit die in zijn geheel omgevingsvreemd zijn. 

Bijkomend voorziet de aanvraag een heel hoog ruimtegebruik in het projectgebied. 

Dit is geheel vreemd in de (ruime) omgeving (cf. infra). 

In de motivatienota worden de criteria ‘schaal’ en ‘ruimtegebruik en bouwdichtheid’ zeer summier omschreven conform artikel 4.3.1. VCRO, minstens zal uw College vaststellen dat aan voornoemde criteria niet wordt voldaan minstens gebagatelliseerd. Deze motivering betreft niet meer dan een nietszeggende stijlformule. 

Vreemd, aangezien er in de ruime omgeving geen enkele vergelijkbare constructie met deze hoogte en impact werd opgericht…  

Er wordt evenmin een afdoende alternatievenstudie gevoerd.  

Er wordt bovendien een ter plaatse overdreven dichtheid gecreëerd. Het project speelt niet in op de toestand ter plaatse.  

Bovendien voorziet het project in twee, drie of mogelijks zelfs vier bouwlagen.  

Dit is geheel vreemd in de (ruime) omgeving (cf. supra).  

Het aangevraagde voldoet niet aan de criteria ‘schaal’ en ‘ruimtegebruik en bouwdichtheid’.  

Er wordt onvoldoende ruimte voorzien voor kwalitatief groen.  

Dit is naar woonkwaliteit niet aanvaardbaar.  

Het aangevraagde project is ruimtelijk ONaanvaardbaar 

Aan dit criterium is niet voldaan.  

Het project zorgt voor hinder  

In de MER-screening zoals gevoegd bij de aanvraag wordt steevast gesteld dat het project geen effect heeft op de mens (of enig ander omgevingsaspect): ‘Nee’ 

Dit is evenwel geenszins het geval is. De actuele woonomgeving waarin wij thans wonen zal voorgoed wijzigen.  

Hieronder zal dit alles worden toegelicht waarna geconcludeerd zal moeten worden dat de MER-screening foutief, minstens onvolledig werd opgesteld (cf. supra).  

In de motivatienota wordt eenvoudigweg gesteld dat er ‘geen noemenswaardige hinder verwacht wordt’. Deze motivering kan niet weerhouden worden, daar zij op geen enkele wijze wordt onderbouwd. Wederom beperkt de aanvraag tot een te beperkte invulling van de aanvraag.  

Het spreekt voor zich dat het weidse zicht dat wij vanuit onze woningen hebben op het ongeschonden landschap door de inplanting van het project ernstig en definitief zal worden verstoord. Deze verstoring maakt in onzer hoofde uiteraard rechtstreekse hinder uit die rechtstreeks verbonden is met de oprichting van het project.  

Hiervoor werd reeds omstandig aangegeven dat het project voor aanmerkelijke mobiliteitshinder ter plaatse zal zorgen, aangezien enerzijds er een te densitair project wordt voorzien en anderzijds dat het project niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid voor personenwagens van de bewoners/bezoekers van de voorziene woongelegenheden. Alleszins wordt de ontsluiting geregeld via de Rosmolenweg dewelke hierop niet voorzien is en dewelke op heden reeds meer dan verzadigd is.  

Het is dan ook meer dan aannemelijk dat voornoemde personenwagens voor onze woning zullen geparkeerd worden. Dit zorgt voor bovenmatige hinder.  

Naast de mobiliteitshinder worden meerdere onder ons ook geconfronteerd met verregaande privacyhinder 

Het project voorziet in meerdere gebouwen op slechts een korte afstand de perceelgrens. Bovendien wordt er op geen enkele wijze aan buffering dan wel dan wel aan milderende maatregelen voorzien om zo de negatieve effecten op de reeds bestaande bebouwing te milderen. Alleszins kijken de voorziene woningen rechtstreeks uit op de eigendommen van cliënten. 

Satellietfoto actuele situatie 

 

Op basis van bovenstaande foto juncto inplantingsplan zoals bijgebracht in het aanvraagdossier blijkt duidelijk dat er zeker 39 wooneenheden met directe als haakse inplanting worden opgericht pal achter onze eigendommen. De inkijk op onze eigendommen zal zonder enige discussie immens zijn. Bovendien worden er ook nergens milderende maatregelen voorzien. Dit überhaupt voor zover dit al mogelijk is gelet op de korte afstand tot de perceelgrens. Zelfs wanneer deze afstand significant zou vergroot worden zal de inkijk extreem zijn. Immers, het feit dat er drie à 4 volwaardige leef- en bouwlagen met terrassen aan de achterzijde worden voorzien kan op geen enkele wijze naar hinder toe gemilderd worden.  

Het is ook werkelijk onbegrijpelijk dat er geen enkele buffering tussen de percelen wordt voorzien.  

Het is frappant dat de aanvrager op geen enkele wijze met cliënten rekening houdt en eenvoudigweg het projectgebied volbouwt. Een alternatieve invulling bestaande uit het vervangen van de drie appartementsgebouwen naar grondgebonden woningen zou voor cliënten al een wereld van verschil uitmaken, niet in het minst naar inkijk toe.  

Geluidshinder en schending van het rustig woongenot zal tevens ervaren moeten worden door cliënte als gevolg van het publieke karakter van de trage doorgangsweg die de aanvrager ter plaatse wenst te realiseren.  

Temeer dat het project onvoldoende voorziet in groenaanplantingen die de privacyhinder eventueel zouden kunnen verminderen.  

In het arrest VAN CANT (RvVb 6 mei 2014, nr. A/2014/0320, VAN CANT) heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen thans bevestigd dat privacyhinder en inkijk een cruciaal beoordelingselement betreffen: 

‘Het blijkt niet dat de in de omgeving bestaande bebouwing en allerminst wat betreft soortgelijke constructies concreet werd beschreven of onderzocht. Evenmin blijkt dat de privacyhinder en inkijk zoals aangevoerd door de verzoekende partij concreet en zorgvuldig werden onderzocht, waarbij het al dan niet in overeenstemming zijn van een aanvraag met de bepalingen uit het burgerlijk wetboek omtrent lichten en zichten geen afbreuk doet aan deze vaststelling. Net omwille van de geringe wijziging aan het concept van de voorliggende terrasinrichting ten overstaan van de eerst uitgevoerde terrasinrichting en de reeds gedane vaststelling inzake de ruimtelijke draagkracht naar het aanpalend perceel, was het aangewezen het aanpalend perceel concreet in de beoordeling te betrekken en is de historiek van het dossier, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt, wel degelijk van belang.’ 

De direct aanpalende woningen vrezen voor permanente geluidsoverlast, trillingen, autolichten die permanent in diverse woonruimtes zullen schijnen… om nog maar te zwijgen over de totaal onveilige situatie.  

Andere te verwachten overlast en hinder zoals zwerfvuil, nachtlawaai wordt verwacht door het gebruik van vreemden en passanten die dan kunnen passeren over een privéterrein. Evenmin wordt hieromtrent enige milderende maatregel voorzien in voorliggend project.  

Het weze duidelijk dat het aangevraagde in sterk overdreven mate hinder bezorgt aan cliënten.  

Aan dit criterium is niet voldaan. 

Het gebruiksgenot van onze eigendom wordt gehypothekeerd  

Gelet op hetgeen hiervoor reeds omstandig werd uiteengezet, worden cliënten geconfronteerd met zeer veel gebouwen in de directe omgeving. Deze gebouwen zullen bovendien voor ernstige privacy-, mobiliteits- en lichthinder zorgen.  

Onze hinder zal in alle gevallen bovenmatig zijn (cf. supra).  

Het staat dan ook vast dat ons gebruiksgenot wordt gehypothekeerd.  

Voorliggend project kan aldus niet aanvaard worden wegens niet aanvaardbare hinder.  

De Raad voor Vergunningsbetwistingen sanctioneerde in het verleden reeds gelijkaardige schendingen van het woon- en leefgenot (RvVb S/2014/0024, 28 januari 2014 (rolnr. 1213/0778/SA/3/0737):  

‘In de veronderstelling dat van de verzoekende partijen in redelijkheid een normale mate van tolerantie mag worden verwacht ten aanzien van hinder eigen aan de bestemming woongebied met landelijk karakter, dienen de verzoekende partijen aan te tonen dat hun leefomgeving en woongenot dermate wordt aangetast dat het relatieve evenwicht daadwerkelijk wordt verbroken.  

De verzoekende partijen hebben bij hun verzoekschrift een uitgebreide fotoreportage van de bestaande toestand gevoegd. Aan de hand van deze fotoreportage, het verkavelingsplan en de verkavelingsvoorschriften is de Raad van oordeel dat de wijze waarop de percelen worden verkaveld een aanzienlijke impact zal hebben op het woon- en leefgenot van de verzoekende partijen waardoor het relatieve evenwicht tussen hinder eigen aan een woongebied met landelijk karakter en de tolerantie die er tegenover dient te staan, zal worden verbroken.’  

Hoewel veel verbloemend taalgebruik, onder meer zoals hoger in schuine druk weergegeven, is de enige doelstelling van het project de bebouwbare oppervlakte aan maximaal (financieel) rendement te verkavelen. Woonkwaliteit, gemeenschapsvoorzieningen, speelpleinen, rustplaatsen, … zijn slechts marginaal onderdeel van het project. Dit gaat ten koste van onze levenskwaliteit en alle hinder wordt eenvoudigweg op ons afgewenteld.  

De constante stroom van voertuigen die het project in- en uitrijden zal een negatieve impact hebben op het wooncomfort Bovendien zal het wooncomfort van zowel cliënten als alle buurtbewoners worden aangetast door geluidsoverlast.  

Het staat dan ook vast dat ons gebruiksgenot wordt gehypothekeerd.  

Ook aan dit criterium werd niet voldaan. 

De veiligheid ter plaatse komt in het gedrang  

Cliënten wijzen er – nogmaals – op dat de veiligheid en meer bepaald de verkeersveiligheid ter plaatse ernstig in het gedrang komt, mocht het aangevraagde vergund worden.  

De plaatsing van de enige in- en uitrit van het project via de Rosmolenweg zal het in- en uitrijden van deze straat aanzienlijk bemoeilijken. Dit kan potentieel leiden tot vertragingen en ongewenste verkeerssituaties, wat de veiligheid van voetgangers, fietsers en automobilisten in gevaar kan brengen.  

Door de toename van verkeersdrukte kan de veiligheid van deze spelende kinderen in gevaar komen. Het verhoogde verkeer en de mogelijke verhoogde snelheid (aangezien veel voertuigen de maximumsnelheid in de Grote Eggestraat nu al niet respecteren) vergroten het risico op ongevallen en bedreigen de beschermde speelomgeving in onze straat.  

Cliënten kunnen hieromtrent voor het overige volstaan met hetgeen hiervoor werd uiteengezet.  

De materialen zijn geen architecturaal samenhangend geheel en te modern  

De appartementsgebouwen worden grotendeels opgericht met tegenwoordig moderne materialen.  

Deze verschijningsvorm geeft de indruk zeer modern te zijn, doch vormt geen architecturaal geheel. De ontwerper heeft totaal geen oog voor de omgeving. Dit vormt geen architecturaal samenhangend geheel.  

Bovendien wordt de (ruime) omgeving gekenmerkt door uitgesproken landelijke woontypes. ‘Hypermoderne’ verschijningsvormen zoals voorzien in de aanvraag, horen hier dan ook niet thuis.  

Het aangevraagde voldoet ook niet aan het criterium van ‘visueel-vormelijke elementen’. 

5. Aanvullende bezwaren  

Verhoging ruimtelijke rendement niet aangetoond  

Daarnaast kan de vergunningverlenende overheid sinds 30 december 2017 ook de bijdrage van het aangevraagde aan de verhoging van het ruimtelijk rendement in rekening brengen voor zover ( Art. 4.3.1, § 2, eerste lid, 2°, b) VCRO.): 

  1. De rendementsverhoging gebeurt met respect voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving;  

  1. De rendementsverhoging in de betrokken omgeving verantwoord is.  

De mogelijkheid om rekening te houden met beleidsmatig gewenste ontwikkelingen wordt door de rechtspraak streng ingevuld. Zo kan een beleidsmatig gewenste ontwikkeling er op zich niet toe leiden dat de in de omgeving bestaande toestand buiten beschouwing wordt gelaten (MvT Parl.StVl.Parl. 2016-17, nr. 1149/1). 

Vandaar werd het mogelijk gemaakt om, o.a. in het licht van het streven naar een duurzame ruimtelijke ordening zoals bepaald in artikel 1.1.4 VCRO.  

Ter plaatse bevindt er zich geen enkele objectief vergelijkbaar project. De omgeving wordt uitsluitend gekenmerkt door residentiële woningen en openruimte. Door het vergunnen van voorliggende aanvraag wordt het ruimtelijk rendement niet verhoogd. Sterker nog, dit zou een sterk negatieve invloed hebben voor de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Dat de rendementsverhoging in de betrokken omgeving ONverantwoord is.  

GEEN beleidsmatig gewenste ontwikkeling  

De overheid kan tot slot ook aspecten in rekening brengen met betrekking tot beleidsmatig gewenste ontwikkelingen met betrekking tot de hogervermelde aandachtspunten (Art. 4.3.1, § 2, eerste lid, 2°, a) VCRO) ( RvVb 18 april 2017, nr. RvVb/A/1617/0765).  

Een beleidsmatig gewenste ontwikkeling houdt in dat de overheid wettelijk over een appreciatiemarge beschikt en gebruik maakt van die beoordelingsvrijheid om in zijn vergunningsbeslissingen consequent een gewenste lijn te volgen, zonder dat de wet de overheid tot een bepaalde beslissing verplicht.  

Houdt de overheid rekening met deze ontwikkelingen, dan zal ze de nodige omzichtigheid aan de dag moeten leggen en een aantal beginselen respecteren (J. GEBRUERS, “Time travel in het vergunningenbeleid”, TOO 2013, 465; T. DEWAELE, “Vergunningen”, in P. FLAMEY en G. VERHELST, Ruimtelijke Ordening herbekeken. Analyse van de Vlaamse Codex R.O. en het Decreet Grond- en Pandenbeleid, Brugge, Vanden Broele, 2010, 143). Zo zal de overheid die een bepaalde stedenbouwkundige politiek voert, deze politiek moeten bekendmaken en in concreto onderzoeken of een bepaald project daaraan beantwoordt (MvTParl.StVl.Parl., 2008-09, stuk 2011/1, nr. 401; RvVb 31 juli 2012, nr. A/2012/0312; RvVb 19 februari 2013, nr. A/2013/0071; RvVb 18 juni 2013, nr. A/2013/0331; RvVb 18 maart 2014, nr. A2014/0203; RvVb 22 april 2014, nr. A/2014/0288; RvVb 4 november 2014, nr. A/2014/0743; B. DE SMET, “De goede ruimtelijke ordening als criterium bij stedenbouwkundige vergunningen”, TOO 2013, 3; F. SEBREGHTS, “‘Beleidsmatig gewenste ontwikkelingen’ als beoordelingsgrond bij vergunningverlening”, TROS 2012/68, 228; R. TIJS, “Praktijkrubriek. Stedenbouwkundige ‘richtlijnen’ als alternatief instrument voor regelgeving?”, TROS 2016/1, nr. 81, 69-71).  

Het oprichten van een zulk groot en exorbitant woonproject vindt nergens enige steun binnen de beleidsdocumenten.  

Huidige aanvraag niet getuigt van een correcte ruimtelijke ordening aangezien deze projectzone destijds ook niet werd aangeduid op het GRS als een zoekzone.  

Indien uw Bestuur alsnog de aanvraag zou inwilligen schendt zij de beleidsmatig gewenste ontwikkelingen ter plaatse.  

Waardevermindering eigendommen  

Het geplande project en vooral de afwezigheid maar ook maar enige milderende maatregel, zullen onomstotelijk een negatieve impact hebben op de waarde van de eigendommen van cliënten.  

De plaatsing van de drukke in- en uitrit langs de Rosmolenweg als pal langs ons project Eggepark zal de waarde van deze eigendommen gedeeltelijk verminderen. Dit kan nadelig zijn als zij besluiten om hun eigendommen te verkopen vanwege de overlast die dit met zich meebrengt. Verder zal het voor een totale waardevermindering zorgen van de hele straat / buurt, gezien bovenstaande argumenten.  

Cliënten maken nu reeds het ruimste voorbehoud om alle schade te verhalen. 

Vergunning zou (burgerlijke) geschillen in de hand werken  

Hiervoor hebben cliënten reeds aangegeven dat het aangevraagde overdreven hinder genereert. Het gaat o.a. zowel om privacyhinder als lichthinder als mobiliteitshinder.  

Het getuigt niet van het naleven van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur indien de gemeente Zonhoven zou overgaan tot het vergunnen van het aangevraagde.  

Hieromtrent maken wij nu reeds het ruimste voorbehoud voor alle schade en zal deze verhalen via burgerrechtelijke weg bij zowel de aanvrager als de gemeente Zonhoven wegens onzorgvuldig overheidshandelen.  

Vergunning zou strijdig zijn met het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur  

Het vertrouwensbeginsel wordt als volgt door de Raad van State gedefinieerd:  

‘Het vertrouwensbeginsel kan worden omschreven als een van de beginselen van behoorlijk bestuur. Krachtens dit beginsel moet de burger kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid of op toezeggingen en beloftes die de overheid in een concreet geval zou doen. Dit beginsel beperkt zich echter tot het optreden van het actief bestuur en niet van een rechtscollege’ (RvS 6 februari 2001, nr. 93.104, MISSORTEN). 

Het vertrouwensbeginsel impliceert dat rechtsonderhorigen erop kunnen vertrouwen dat rechtvaardig gecreëerde verwachtingen worden nageleefd door de overheid.  

Wij mogen er dan ook op vertrouwen dat op het perceel geen gebouwen van dergelijke schaal en terreinbezetting zullen worden vergund. Door alsnog een dergelijk project te vergunnen, wordt het vertrouwensbeginsel geschonden.  

Gelet op de omstandig uiteengezette bezwaren tegen het aangevraagde, verzoeken cliënten om de kwestieuze aanvraag tot omgevingsvergunning te weigeren 

De samenstelling van de aanvraag is in eerste instantie bedrieglijk, minstens misleidend. Bovendien is gebleken dat de vergunning uiteindelijk niet uitvoerbaar zal zijn. Vervolgens is duidelijk gemaakt dat de aanvraag manifest strijdig is met de goede ruimtelijke ordening ter plaatse. Ten slotte zou het verlenen van de vergunning het vertrouwensbeginsel schenden en burgerlijke geschillen in de hand werken. "

De raad neemt volgend gemotiveerd standpunt in voor bezwaar nr. 3: 

Tegen de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg (trage verbinding (fietspad)), en over de eventuele opname in het openbaar domein worden er volgende specifieke bezwaren geuit. 

Volgens de bezwaarindieners bevat het aanvraagdossier volgende hiaten, leemtes en onduidelijkheden met betrekking tot de aanleg van de trage verbinding: 

  • Er wordt een gemeenteweg gerealiseerd via de noordelijke brandweg van het Eggepark.  Op deze wijze wordt het eigendomsrecht van de eigenaars van Eggepark geschonden. 

  • Er zit weinig logica in de aanleg van de gemeenteweg aangezien de ontsluiting van het project zal gebeuren via de Rosmolenweg. 

  • De overweging om te ontsluiten naar de Genkerbaan is niet gemaakt. 

  • Volgende vragen worden gesteld 

    • Wie kan gebruik maken van de trage verbinding? Kunnen ook mensen die niet-woonachtig zijn in het nieuwe project doorheen het Eggepark rijden? 

    • Hoe zit het met de verkeersveiligheid? 

    • Hoe zit het met het ontstaan van donkere en onveilige plaatsen ten gevolge van de trage verbinding?  Hoe zal de trage verbinding worden verlicht? 

Het bezwaarschrift betwist de uitvoerbaarheid van tenminste een deel van de omgevingsvergunning om volgende redenen: 

  • In het aanvraagdossier wordt volgens de bezwaarindieners voorbehouden dat de eigendom van de bezwaarindieners mee wordt opgenomen in de aanvraag, dit voor zover er een trage doorgang ten bate van de aanvrager wordt voorzien over de eigendom van cliënten.  De bezwaarindieners stellen daarbij dat hierover geen toestemming is gegeven en dat er ook geen schriftelijke overeenkomst over werd opgesteld Volgens de bezwaarindieners is er geen ander recht dat voorligt waaruit deze volgens hen eigendomsaanmatiging blijkt. 

  • De bezwaarindieners stellen dat de aanvrager het eigendomsrecht van cliënten gewoon naast zich neerlegt en in diens aanvraagdossier – zonder enig akkoord van de bezwaarindieners – hun eigendom mee opneemt in de aanvraag. Ze geven daarbij aan dat het dossier dan ook bedrieglijk en/of misleidend is opgesteld en dat daarbij ten opzichte van het bestuur tenminste de schijn wordt gewekt dat de aanvrager over enig zakelijk recht kan beschikken met betrekking tot de eigendom van cliënten of dat dit minstens juridisch mogelijk is. 

  • De bezwaarindieners stellen dat het niet kan zijn dat er een private ontwikkeling een publieke functie moet dragen.  En dat onderliggende ontwikkeling dit privaat karakter hypothekeert. 

  • Het openen van een achteringang op een privéterrein zal, volgens de bezwaarindieners, de veiligheid (vandalisme, inbraak, diefstal) doen stijgen vermits er een vluchtweg gecreëerd wordt. 

  • Zij wijzen er dan ook op dat de aanvraag, wegens gebrek aan toestemming, niet gerealiseerd kan worden en dat een eventueel verleende omgevingsvergunning niet uitvoerbaar is waarbij verwezen wordt naar artikel 78,§1 van het Omgevingsvergunningsdecreet. 

Met betrekking tot de trage verbinding betwisten de bezwaarindieners tenslotte de functionele inpasbaarheid van het project om volgende redenen: 

  • Aangezien de aanvrager een ‘oversteek’ op het perceel van bezwaarindieners beoogt.  

  • Zij zijn daarbij ook van mening dat het verkeer wordt afgewenteld op het perceel van bezwaarindieners en dat dit een zeer verkeersonveilige situatie veroorzaakt wanneer auto’s de ondergrondse parkeergarage verlaten. Volgens de bezwaarindieners tonen zij duidelijk aan dat er quasi geen enkel zicht is voor de voertuigen komende uit de ondergrondse garage op de fietsers.   

  • Daarenboven stellen zij dat er zich pal voor de brandweg ook de parking voor bezoekers bevindt. Dit betekent volgens hen dat er een drievoudige verkeersbeweging gerealiseerd wordt en dat dit tot ongevallen en andere verkeersonveilige situaties kan leiden.  

  • Volgens de bezwaarindieners zorgt de hellingsgraad van hun ondergrondse garage ervoor dat de voertuigen die de ondergrondse garage verlaten bijkomende snelheid moeten maken om zo boven op de gelijkvloerse verdieping uit te komen en dat dit nogmaals de verkeersveiligheid ter plaatse in het gedrang brengt 

  • Zij stellen dat de brandweg een ‘brandweg’ betreft die niet als trage verbinding kan gelden voor een achterliggende ontwikkeling en verwijzen hiervoor naar het groot belang van het advies van de brandweer in deze. 

  • De bezwaarindieners wijzen erop dat de eigenaars langsheen de Genkerbaan tevens over een erfdienstbaarheid beschikken die uitkomt op deze brandweg.  Dat deze brandweg daarenboven haar eigen functie als brandweg, en uitkomt op de ondergrondse parkeergarage ten behoeve van 73 woningen en aantakt op de parking voor bezoekers en dat er daardoor op geen enkele redelijke wijze een doorgang gerealiseerd worden voor enige achterliggende ontwikkeling goed wetende dat deze ontwikkeling reeds over 2 ontsluitingen beschikt. 

  • Zij zijn van mening dat er donkere en onveilige plaatsen/hoeken gecreëerd worden en vragen zich volgende af: 

    • Wie gaat in verlichting voorzien conform de bestaande verlichting in het Eggepark voor deze trage verbinding? De gemeente Zonhoven?  

    • Zal de gemeente Zonhoven tevens de bestaande ondergrondse bekabeling afkopen/vergoeden en in de toekomst het elektriciteitsverbruik voor haar rekening nemen?  

    • Betaalt de gemeente Zonhoven het onderhoud van en langs deze brandweg?  

  • De bezwaarindieners halen aan dat het aangevraagde pal langs de Sprinkwaterstraat ligt hetgeen een fietspad betreft dat aantakt zowel op de Rosmolenweg, Grote Eggestraat alsmede de GenkerbaanZij vinden het dan ook volkomen onlogisch en geheel onredelijk om nog een extra ontsluiting te voorzien naar het centrum.  Daarnaast wordt er slechts één ontsluiting voorzien langs de Rosmolenweg. 

De raad sluit zich deels aan bij deze bezwaren uit bezwaarschrift 3 en verwijst hiervoor naar de doelstellingen en principes van het Gemeentewegendecreet.

“Artikel 3  

Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op:  

1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau;  

2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak.  

Artikel 4  

Bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes:  

1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang;  

2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd;  

3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen;  

4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 

5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.” 

De  voorgestelde trage verbinding (fietspad) voldoet hier niet aan. De voorgestelde trage verbinding (fietspad) bevindt zich enkel binnen het gevraagde project, maar vindt geen aansluiting over het aangrenzende woonproject. Hierdoor is er geen publieke doorgang mogelijk tussen de Sprinkwaterstraat en Grote Eggestraat en kunnen enkel bewoners van het huidige project gebruik maken van deze trage verbinding (fietspad) op eigen terrein. Er kan hierdoor bezwaarlijk worden gesteld dat de trage verbinding ten dienste van het algemeen belang staat. Het aanleggen van de trage verbinding kan wel uitgevoerd worden binnen het projectgebied, maar zonder dat deze wordt opgenomen in het gemeentewegenregister. Wat betreft de aansluiting op het aanpalend woonproject; dit betreft een eigendomskwestie en hierover worden bijgevolg verder geen uitspraken gedaan. 

Bezwaarschrift 4, ingediend op 06/08/2023, luidt als volgt:  

"Ik heb twee vragen met betrekking tot dit project die ik nergens beantwoord zie en bijgevolg voor mij de reden zijn om hiermee niet akkoord te gaan. 

Een eerste vraag betreft de ondergrondse parking. Uitgaande van 39 wooneenheden ga ik uit van een ondergrondse parking voor een 60-tal wagens. Dit is een zeer groot volume ondergronds. 

Vraag 1a: Is er op dit ogenblik geweten wat de impact is van deze ondergrondse parking met de bijbehorende installatie om deze watervrij te houden op het grondwaterniveau?  

Vraag 1b: In het centrum zijn er verschillende gebieden met drijfzand. Is er onderzocht wat het effect is van een verandering van het grondwaterniveau (als die er is) op deze gebieden?  

Een tweede vraag heeft betrekking op de verkeersituatie. 

Ik ga ervan uit dat de ontsluiting van dit gebied gebeurt via de Rosmolenweg. Dit is een zeer smalle en doodlopende weg. Uitgaande van 60 auto's voor 39 wooneenheden en twee verplaatsingen per dag betekent dit dat er dagelijks 120 autobewegingen bijkomen in de Rosmolenweg. 

Wat is de impact hiervan op de verkeersveiligheid in de Rosmolenweg en de Grote Eggestraat? "

De raad neemt volgend gemotiveerd standpunt in voor bezwaar nr. 4: 

Tegen de ligging, de breedte en de uitrusting van de gemeenteweg (trage verbinding (fietspad)), en over de eventuele opname in het openbaar domein worden er geen specifieke bezwaren geuit. 

De bezwaarindiener uit zijn bezorgdheid betreffende de mogelijke verstoring/negatieve impact op de grondwaterhuishouding alsook de impact op de verkeersveiligheid die zouden kunnen ontstaan bij uitvoering van het project. 

Het komt niet aan de gemeenteraad toe om zich hierover uit te spreken. De gemeenteraad kan enkel uitspraak doen over de zaak van wegen, zonder zich over de vergunningsaspecten te mogen buigen. 

Er zijn geen adviezen in voorliggende omgevingsvergunningsaanvraag die relevant zijn betreffende de “zaak van de wegen”. 

Overwegende dat de gemeenteraad tot slot nog kennis neemt van volgende uitgebrachte adviezen: 

  • Het advies van De Watergroep van 20/07/2023 is voorwaardelijk gunstig  

  • Het advies van Proximus van 04/07/2023 is voorwaardelijk gunstig 

  • Het advies van de dienst facilitair management van 18/07/2023 is voorwaardelijk gunstig 

  • Het advies van de dienst mobiliteit van 31/07/2023 is voorwaardelijk gunstig  

  • Het advies van Fluvius van 01/08/2023 is voorwaardelijk gunstig 

  • Het advies van de Hulpverleningszone Zuid-West Limburg van 07/08/2023 is voorwaardelijk gunstig 

  • Het advies van Deputatie, dienst Water & Domeinen van 16/08/2023 is ongunstig  

  • Het advies van Vlaamse Milieumaatschappij, advies Vergunning Afvalwater en Lucht van 16/08/2023 is voorwaardelijk gunstig  

  • Onroerend Erfgoed Limburg  liet op 29/06/2023 weten geen advies uit te brengen. 

De trage verbinding voldoet niet aan de definitie van gemeenteweg volgens het decreet houdende de gemeentewegen van 3 mei 2019. 

Het decreet geeft als definitie voor een gemeenteweg: een openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond. 

De doelstellingen en principes van het Gemeentewegendecreet stellen in: 

“Artikel 3  

Dit decreet heeft tot doel om de structuur, de samenhang en de toegankelijkheid van de gemeentewegen te vrijwaren en te verbeteren, in het bijzonder om aan de huidige en toekomstige behoeften aan zachte mobiliteit te voldoen. Om de doelstelling, vermeld in het eerste lid, te realiseren voeren de gemeenten een geïntegreerd beleid, dat onder meer gericht is op:  

1° de uitbouw van een veilig wegennet op lokaal niveau;  

2° de herwaardering en bescherming van een fijnmazig netwerk van trage wegen, zowel op recreatief als op functioneel vlak.  

Artikel 4  

Bij beslissingen over wijzigingen van het gemeentelijk wegennet wordt minimaal rekening gehouden met de volgende principes:  

1° wijzigingen van het gemeentelijk wegennet staan steeds ten dienste van het algemeen belang;  

2° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd;  

3° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen;  

4° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief; 

5° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.” 

De voorgestelde trage verbinding bevindt zich binnen het gevraagde project, maar vindt geen aansluiting over het aangrenzende woonproject. Hierdoor is er geen publieke doorgang mogelijk tussen de Sprinkwaterstraat en Grote Eggestraat en kunnen enkel bewoners van het huidige project gebruik maken van deze trage verbinding (fietspad) op eigen terrein. Er kan hierdoor bezwaarlijk worden gesteld dat de trage verbinding ten dienste van het algemeen belang staat. 

Het is daarnaast niet wenselijk deze weg in beheer van de gemeente te nemen, wat onder andere het onderhoud hiervan impliceert. 

Het aanleggen van de trage verbinding kan wel uitgevoerd worden binnen het projectgebied, zonder dat deze wordt opgenomen in het gemeentewegenregister. 

De gemeenteraad stelt voor om te beraadslagen over voorliggende zaak van de wegen voor de aanvraag voor een omgevingsvergunning met dossiernummer OMV_2022167350 (intern nummer 2023/00078) op 13/04/2023 ingediend bij de gemeente Zonhoven door vennootschap Rosmolen (Bastiaensen Dirk) voor het rooien van 3 bomen, het bouwen van 3 meergezinswoningen met 39 wooneenheden, een ondergrondse parking en een hoogspanningscabine, plaatsen van 39 warmtepompen, aanleg van een trage verbinding en terreinaanleg in Zonhoven, Rosmolenweg, kadastraal gekend als afdeling 3, sectie E, nummers 88E, 88C,61E, 59C, 88D. 

Besluit

De gemeenteraad beslist:

Artikel 1

De gemeenteraad weigert goedkeuring te geven aan het rooilijnplan voor de aanleg van de trage verbinding (fietspad), zoals weergegeven op het ingediende plan van ingenieur Peter Gijsen, Geotec van 14 maart 2023. 

De trage verbinding (fietspad) voldoet immers niet aan de definitie van gemeenteweg volgens het decreet houdende de gemeentewegen van 3 mei 2019. 

Artikel 2

Tegen dit besluit van de gemeenteraad kan binnen de 30 dagen in het kader van een schorsend administratief beroep tegen de vergunningsbeslissing een georganiseerd administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering. 

De procedure van dit beroep verloopt volgens art. 31/1 van het Omgevingsdecreet.